Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4233

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
12084614 VV EXPL 26-03
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:29 BWArt. 6:119 BWArt. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis tot ontruiming woning en betaling huurachterstand wegens niet-nakoming huurovereenkomst

Stichting Havensteder vordert in kort geding ontruiming van een woning en betaling van huurachterstand van de huurder die lange tijd niet haar hoofdverblijf in de woning had en de huur niet betaalde.

De kantonrechter stelt vast dat de huurder sinds juli 2025 niet in de woning verbleef en een achterstand van ruim dertien maanden huur heeft opgebouwd. Tevens is de woning door anderen bewoond zonder toestemming. Deze tekortkomingen leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst en rechtvaardigen ontruiming.

De belangen van Havensteder om de woning te kunnen verhuren en overlast te voorkomen wegen zwaarder dan het belang van de huurder bij behoud van de woning. De ontruimingstermijn wordt op één maand gesteld om de huurder en haar kinderen gelegenheid te geven een andere verblijfplaats te zoeken.

De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand van € 8.616,92, de lopende huur vanaf februari 2026 tot ontruiming, en de wettelijke rente. Proceskosten worden eveneens aan de huurder opgelegd. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen één maand en betaling van huurachterstand, lopende huur en rente.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12084614 VV EXPL 26-03
datum uitspraak: 13 maart 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. G. Meijerink,
tegen
[gedaagde],
zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in en buiten Nederland,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.R.V. van der Vinne.
De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 16 februari 2026, met bijlagen;
  • de e-mail van Havensteder, met aanvullende bijlagen;
  • de e-mail van [gedaagde] , met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde] .
1.2.
Op 27 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [naam 1] en
[naam 2] voor Havensteder en met de gemachtigden. [gedaagde] was niet aanwezig.

2.De beoordeling

Kern van het geschil
2.1.
Havensteder verhuurt aan [gedaagde] de woning aan de [adres] in [plaats] voor een huurprijs van (nu) € 632,76. Volgens Havensteder heeft [gedaagde] lange tijd niet haar hoofdverblijf gehad in de woning en de woning in gebruik gegeven aan (een) ander(en). In september 2025 zijn in de woning twee vrouwen zonder verblijfsvergunning aangetroffen en later die maand is daar een man aangetroffen die verklaarde de woning te hebben gehuurd van [gedaagde] . Ook heeft [gedaagde] een forse huurachterstand laten ontstaan. Daarom eist Havensteder - kort gezegd - ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand en de lopende huur tot en met de maand van ontruiming, met rente. [gedaagde] is het daarmee niet eens.
Toewijzing eisen
2.2.
De meeste eisen van Havensteder worden toegewezen, omdat dit hoogstwaarschijnlijk ook de uitkomst zal zijn in een gewone procedure. De uitkomst van die procedure hoeft Havensteder niet af te wachten, omdat zij spoedeisend belang heeft bij haar eis. Daaraan draagt bij dat de belangen van Havensteder bij ontruiming van de woning zwaarder wegen dan die van [gedaagde] om dat niet te doen. Dit wordt hierna toegelicht.
Ontruiming woning
2.3.
[gedaagde] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning, omdat Havensteder dat om goede redenen eist. [gedaagde] is namelijk ernstig tekort geschoten in de nakoming van diverse verplichtingen uit de huurovereenkomst. Los van de vraag of [gedaagde] haar woning in gebruik of onderhuur aan anderen heeft gegeven, is voldoende aannemelijk dat zij op andere wijze is tekortgeschoten. [gedaagde] heeft de verplichting om hoofdverblijf te hebben in het gehuurde geschonden en zij heeft gedurende lange tijd de huur niet betaald. Deze tekortkomingen leiden in een gewone procedure bijna altijd tot ontbinding van de huurovereenkomst, met als gevolg dat de huurder de woning moet verlaten.
2.4.
Erkend is dat [gedaagde] gedurende lange tijd niet haar hoofdverblijf heeft gehad in de woning met haar vier kinderen. Vanaf augustus 2025 heeft zij voortdurend in het buitenland verbleven. Tijdens de zitting is aangevoerd dat zij een paar dagen eerder, op 24 februari 2026, pas teruggekeerd is in Nederland. Het is niet gesteld of gebleken dat zij toen weer haar intrek genomen heeft in de woning. Tot juli 2025 is [gedaagde] ook al lange tijd in het buitenland geweest. Daarbij komt dat [gedaagde] al sinds juli 2025 geen huur betaalt en ook daarvoor al een achterstand had opgelopen. De totale achterstand bedraagt ruim dertien maanden huur. Deze tekortkomingen (en met name de keuze om lange tijd tot vlak voor de zitting niet in de woning te verblijven) brengen met zich dat aan het aangevoerde belang van [gedaagde] bij behoud van de woning niet zoveel gewicht wordt toegekend. Dat [gedaagde] en haar kinderen belang hebben bij stabiliteit en passende huisvesting wordt wel onderkend, maar klaarblijkelijk heeft zij dat eerder niet gevonden in de aan haar verhuurde woning. Daar staan tegenover de zwaarder wegende belangen van Havensteder om over de woning te kunnen beschikken. Hierbij gaat het om het belang om overlast door leegstand dan wel de aanwezigheid van onbevoegden tegen te gaan en het belang om de schaarse sociale huurwoning zo spoedig mogelijk weer te kunnen verhuren aan een kandidaat-huurder op de lange wachtlijst voor dit soort woningen. Tot slot gaat het om het belang om zo snel mogelijk een huurder te verkrijgen die wel de huur betaalt. Daarmee is het spoedeisend belang meteen gegeven.
2.5.
Anders dan geëist wordt de ontruimingstermijn gesteld op één maand. Deze termijn is iets langer dan de gebruikelijke termijn van twee weken, voor het geval [gedaagde] en haar kinderen in de tussentijd toch weer hun intrek in de woning hebben genomen en zij dan een andere verblijfplaats moeten zoeken.
Betaling huurachterstand en lopende huur
2.6.
De geëiste veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan Havensteder van € 8.616,92 aan huurachterstand wordt toegewezen. Dat geldt ook voor de betaling van de huur van € 632,76 per maand vanaf 1 februari 2026 tot en met de dag van de ontruiming. Havensteder eist ook een vergoeding voor de rest van de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen. De rente over de huur(achterstand) wordt ook toegewezen, omdat Havensteder genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
2.6.1.
In dit vonnis kan geen betalingsregeling worden vastgesteld. Daarvoor moet Havensteder namelijk toestemming geven en dat heeft zij niet gedaan [1] . (De gemachtigde van) [gedaagde] kan wel contact opnemen met (de gemachtigde van) Havensteder om te vragen of Havensteder alsnog een betalingsregeling wil afspreken.
Proceskosten
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt [2] . De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Havensteder moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 559,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.721,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt [3] . Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen één maand na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] te [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege haar bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Havensteder te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Havensteder te betalen:
  • € 8.616,92 aan achterstallige huur tot en met de maand januari 2026, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de hoofdsom die vanaf het ontstaan van huurachterstand na iedere wijziging heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;
  • € 632,76 aan huur per maand vanaf 1 februari 2026 pro rata tot en met de dag van de ontruiming, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro hierover vanaf de vervaldata tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 1.721,02 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Artikel 6:29 BW Pro
2.Artikel 237 Rv Pro
3.Artikel 233 Rv Pro