2.3.1.Vrijspraak
Met de verdediging en dus anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit niet kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Vaststelling van de feiten en omstandigheden
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende
feiten en omstandigheden vast.
Op 23 december 2020 werd in een Renault Clio met Frans kenteken een
gebruikershoeveelheid pillen, vermoedelijk XTC, aangetroffen. Vermoed werd dat de
inzittenden van dit voertuig mogelijk nieuwe pillen zouden gaan halen en om deze reden werd
besloten dit voertuig te volgen. Tijdens de observatie werd waargenomen dat dit
voertuig naast een Renault Megane met Frans kenteken [kenteken] parkeerde waarna werd
besloten om beide voertuigen onder observatie te nemen. Waargenomen werd dat er vanuit
de Renault Megane een aantal tasjes uit de achterbak werd gepakt en dat deze werden
neergezet in de achterbak van de Renault Clio. Hierop werd besloten om beide voertuigen te
controleren.
Bij het doorzoeken van de Renault Megane werd onder de stoel van de bestuurder een
wit/blauwkleurig plastic tasje van de Albert Heijn aangetroffen met daarin paarskleurige
pillen. Nader onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut heeft uitgewezen dat deze pillen MDMA bevatten.
Aanwezig hebben harddrugs
Voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van de drugs is vereist dat bij
verdachte sprake was van wetenschap van de aanwezigheid van de drugs en dat hij daarover
beschikkingsmacht had. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Ten aanzien van de Renault Megane met het Franse kenteken [kenteken] staat vast dat de
medeverdachte ([medeverdachte], 10/324139-20) deze auto heeft gehuurd en heeft bestuurd en dat de verdachte als bijrijder in deze auto heeft gezeten. Bij de doorzoeking van deze auto is onder de bestuurdersstoel een blauwe Albert Heijn tas met daarin verdovende middelen, te
weten MDMA, aangetroffen.
Het enkele gegeven dat de verdachte op de bijrijdersstoel in deze auto heeft gezeten kan niet zonder meer leiden tot de conclusie dat hij wist van deze tas. Evenmin kan dan worden
vastgesteld dat hij ook de beschikkingsmacht had over de daarin gevonden verdovende
middelen. De verdachte ontkent het en ondersteunend bewijsmateriaal, zoals bijvoorbeeld het aantreffen van DNA-sporen van de verdachte op de tas en/of de verdovende middelen,
ontbreekt. Dat er bij de insluitingsfouillering in de jaszak van de verdachte één paarskleurige pil is aangetroffen die lijkt op de pillen die in de tas zijn aangetroffen, is onvoldoende om
daaromtrent anders te concluderen. De medeverdachte heeft verklaard, dat verdachte deze
pillen had gekocht bij onbekende derden, die zich in een auto bevonden die vlakbij de Megane
geparkeerd stond. Hij zou met deze pillen, heel kort voor zij door de politie zijn aangehouden,
naar de Megane zijn gelopen. Medeverdachte zou de pillen vervolgens onder zijn stoel hebben
gelegd. Die verklaring vindt echter nergens steun, ook niet in het proces-verbaal van het
observatieteam van de politie, dat de situatie ter plaatse vanaf ongeveer 15 minuten tot aan de
aanhouding heeft geobserveerd.
De rechtbank kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen verklaren dat de verdachte al
dan niet samen met de medeverdachte harddrugs aanwezig heeft gehad. De verdachte zal
daarom worden vrijgesproken.