De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen te verlengen met een jaar, waarvan zes maanden reeds waren verleend. De kinderrechter heeft op 2 maart 2026 de zitting voortgezet, waarbij de ouders niet aanwezig waren. De kinderen wonen bij hun ouders, die gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben over het oudste kind en de moeder over het jongste.
De Raad en de gezinsvoogd (GI) rapporteerden dat ondanks enkele positieve ontwikkelingen, zoals minder schrikreacties op school en verbeterde samenwerking met de ouders, er nog steeds ernstige zorgen zijn over de thuissituatie. De kinderen vertelden over veel ruzies en fysieke agressie thuis, en vertonen zorgelijk gedrag, waaronder het horen van stemmen door het oudste kind.
De kinderrechter concludeert dat de eerder vastgestelde ontwikkelingsbedreiging niet is weggenomen. Er is onvoldoende zicht op het dagelijks functioneren en de noodzakelijke hulpverlening is nog niet voldoende op gang gekomen. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd tot 4 september 2026 en wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De ouders worden aangespoord actief mee te werken aan de hulpverlening om de situatie te verbeteren.