Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4047

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/10/713806 / JE RK 26-146
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzoekt om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige tot haar meerderjarigheid. De kinderrechter constateert dat de GI niet aanwezig is op de zitting en dat de minderjarige niet in de gelegenheid is gesteld om deel te nemen aan het kindgesprek, wat in strijd is met haar kinderrechten.

De kinderrechter stelt vast dat de thuissituatie van de minderjarige onvoldoende veilig is en dat de zorgen die tot de eerdere ondertoezichtstelling leidden niet zijn afgenomen. Daarom wordt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd, maar slechts voor een korte periode van een maand.

De verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden en een nieuwe zitting wordt gepland waarbij alle betrokkenen worden opgeroepen om hun standpunten toe te lichten. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd voor een maand met aanhouding van verdere behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/713806 / JE RK 26-146
Datum uitspraak: 24 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, zonder een bekende woon- of verblijfplaats.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 23 januari 2026, ontvangen op 26 januari 2026;
  • de berichten van de GI van 17 en 24 februari 2026;
  • het bericht van de moeder van 24 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Daarbij is niemand verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft ter zitting telefonisch contact gelegd met een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting laten weten dat zij niet in gelegenheid is om aanwezig te zijn voor het kindgesprek, omdat zij geen vervoer kon regelen vanuit het fasehuis in Nijmegen waar zij verblijft naar de rechtbank.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in [verblijfplaats] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 26 februari 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij dezelfde beschikking de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 februari 2026.

3.Het verzoek van de GI

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot [datum] . Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot aan haar meerderjarigheid. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De vertegenwoordiger van de GI meldt telefonisch dat er niemand van de GI aanwezig is, omdat twee zittingen waarbij hij betrokken is achter elkaar gepland staan. De ene zitting vindt plaats op de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, en de andere op locatie Rotterdam. Er waren geen andere mensen van de GI beschikbaar om naar de zitting te komen. De vertegenwoordiger van de GI heeft verzocht de zitting per videoverbinding bij te wonen, maar dit verzoek is afgewezen. De verantwoordelijkheid om zittingen zodanig te plannen dat hij bij beide zittingen aanwezig kan zijn, ligt aldus de GI bij de rechtbank. Wat betreft de afwezigheid van [minderjarige] wordt opgemerkt dat het de verantwoordelijkheid is van [minderjarige] ’s moeder om het vervoer van [minderjarige] naar de rechtbank te bekostigen. Hoewel de situatie betreurenswaardig is, stelt de vertegenwoordiger van de GI dat de GI alles heeft gedaan om het probleem op te lossen.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter stelt vast dat de GI niet aanwezig is op de zitting. De kinderrechter benadrukt dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is opgedragen aan de GI en niet aan de jeugdbeschermer persoonlijk. Het is de verantwoordelijkheid van de GI als verzoekende partij, behoudens onvoorzienbare uitzonderingsgevallen, ervoor te zorgen dat zij fysiek aanwezig is bij de behandeling van het verzoek ter zitting. Bovendien is niet duidelijk geworden waarom de moeder niet aanwezig is ter zitting en waarom geen tolk voor haar geregeld is. Eveneens is [minderjarige] niet in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan een gesprek met de kinderrechter. De kinderrechter acht het van groot belang dat [minderjarige] in de gelegenheid wordt gesteld om haar mening te geven, zeker nu zij via verschillende kanalen heeft laten weten fysiek aanwezig te willen zijn bij het kindgesprek. Het is de verantwoordelijkheid van de GI om afstemming te zoeken met zowel de moeder van [minderjarige] als met het fasehuis waar [minderjarige] verblijft, zodat dergelijke situaties niet opnieuw ontstaan en [minderjarige] betrokken wordt bij de procedures die haar betreffen. Dit is immers een belangrijk kinderrecht op basis van artikel 12 van Pro het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), waarin het recht van het kind wordt erkend om zijn of haar mening te uiten in alle zaken die het kind aangaan. Dit recht is van bijzonder belang in procedures als onderhavige, waarin de kinderrechter ingrijpende beslissingen neemt over [minderjarige] ’s toekomst. Door de kinderrechter is daarom nog geprobeerd [minderjarige] telefonisch te bereiken, zowel via haar eigen telefoonnummer als ook via haar groep(sleiding). Helaas bleek het niet mogelijk contact te leggen. Wel heeft de kinderrechter aan de groepsleiding gevraagd een en ander te melden aan [minderjarige] .
4.2.
Op basis van de informatie die de kinderrechter heeft ontvangen, komt de kinderrechter vooralsnog tot het oordeel dat aan de wettelijke voorwaarden voor de verlenging van zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De zorgen, zoals beschreven in de beschikking van 5 augustus 2025, zijn – aldus de stukken- niet als zodanig afgenomen. De thuissituatie voor [minderjarige] is momenteel nog onvoldoende veilig om een terugplaatsing naar huis mogelijk te maken, en ook kan niet worden vastgesteld dat de GI niet meer betrokken zou hoeven zijn. Er spelen al langere tijd ernstige zorgen over de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] die de voortzetting van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in ieder geval voorlopig rechtvaardigen.
4.3.
Vanwege de hierboven beschreven situatie, ziet de kinderrechter reden om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing nu voor een korte duur te verlengen. Het overig verzochte wordt aangehouden, zodat de betrokkenen op een later moment alsnog in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunten en visie op de zaak toe te lichten.
De kinderrechter benadrukt dat de behandeling van het aangehouden verzoek niet zal plaatsvinden in Dordrecht, maar op locatie van de rechtbank in Rotterdam.
4.4.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een maand.
4.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 26 maart 2026;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 maart 2026;
en alvorens verder te beslissen:
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de vader en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van mr. M.P.G. Rietbergen bij de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan
Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op
11 maart 2026 te 09:00 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
5.4.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.5.
vraagt de griffier [minderjarige] op te roepen voor het kindgesprek;
5.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 26 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.