Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4042

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/10/704350 / JE RK 25-1594
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in belang van verzorging en opvoeding

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft momenteel bij de vader en stiefmoeder, maar er is geen geschikte plek gevonden voor een alternatieve plaatsing. De GI heeft diverse pogingen ondernomen, waaronder contact met Timon en Team Zorgbemiddeling, maar door gebrek aan medewerking van de vader is de zoektocht tot nu toe zonder resultaat gebleven.

De moeder, vertegenwoordigd door haar advocaat, ondersteunt de inzet van een nieuwe jeugdbeschermer met ruime ervaring in behandelsettings en verzoekt om een verlenging van maximaal drie maanden om de situatie te monitoren. De kinderrechter stelt vast dat de zorgen zoals eerder omschreven onverminderd aanwezig zijn en dat de verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot 1 juni 2026, met een pro forma aanhouding van de beslissing over het resterende deel tot 1 mei 2026. De GI wordt verzocht om twee weken voor die datum een rapportage te overleggen over de stand van zaken. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 1 juni 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/704350 / JE RK 25-1594
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats],
bijgestaan door advocaat mr. L.H.E.M. Berendsen, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 26 november 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de brief van de vader en de stiefmoeder van 29 januari 2026;
  • de briefrapportage van de GI van 4 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam].
De vader en stiefmoeder zijn met kennisgeving vooraf niet op de zitting verschenen.
De moeder is, hoewel goed opgeroepen, ook niet op de zitting verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de vader en de stiefmoeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 1 september 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 november 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 maart 2026. De beslissing op het overige is aangehouden.

3.Het aangehouden verzoek van de GI

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Op dit verzoek is al deels beslist. Er moet nu nog worden beslist over de resterende periode tot het einde van de ondertoezichtstelling, dus tot 1 september 2026.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Er is nog altijd geen geschikte plek gevonden voor [minderjarige]. Sinds de laatste zitting heeft de GI contact opgenomen met Timon en Team Zorgbemiddeling van JBRR. Team Zorgbemiddeling heeft laten weten dat zij niets kunnen betekenen omdat de vader geen medewerking verleent en niet open staat voor hulpverlening in de thuissituatie. Op de lijn tussen de jeugdbeschermer en Timon is enige ruis ontstaan, waardoor er een nieuwe aanmelding moet worden gedaan bij de Driestroom. Binnenkort zal het dossier door WSG regio Den Haag worden overgedragen aan de WSG regio Rotterdam en zal er een nieuwe jeugdbeschermer bij het gezin betrokken raken, de heer Versluis, die thuis is in mogelijke behandelsettings en mee zal denken over een passende plaatsing. De jeugdbeschermer merkt tot slot op dat zij geen contact heeft kunnen krijgen met de school van [minderjarige].

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
Namens de moeder wordt opgemerkt dat zij ook heeft begrepen dat de nieuwe jeugdbeschermer een ruime ervaring heeft in behandelsettings en over een groot netwerk beschikt. De moeder hoopt dat dit alsnog zal leiden tot een passende plek voor [minderjarige]. De moeder wil de nieuwe jeugdbeschermer graag een kans geven. De advocaat van de moeder benadrukt dat hoewel de moeder dolgraag weer in contact wil komen met haar dochter, de prioriteit ligt bij het welzijn van [minderjarige]. De advocaat van de moeder verzoekt de machtiging uit huisplaatsing voor maximaal drie maanden toe te wijzen, en het resterende deel aan te houden, om zo weer een vinger aan de pols te houden.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de
verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.2.
De kinderrechter stelt voorop dat de zorgen zoals eerder omschreven in de beschikking van 27 augustus 2025 onverminderd aanwezig zijn. Er is nog steeds geen passende plek voor [minderjarige] gevonden. De zoektocht daarnaar loopt al geruime tijd en heeft tot op heden niet tot resultaat geleid. De kinderrechter constateert dat de GI diverse inspanningen heeft verricht om een passende plaats voor [minderjarige] te vinden, door onder meer contact op te nemen met Timon en Team Zorgbemiddeling. De aanvraag via Team Zorgbemiddeling is inmiddels afgesloten vanwege het gebrek aan medewerking van de vader. De aanvraag via Timon loopt nog en hiervan zal resultaat afgewacht moeten worden. De situatie bevindt zich daardoor nog steeds in een impasse. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat op korte termijn duidelijkheid komt over de uitvoerbaarheid van de machtiging tot uithuisplaatsing. De voortdurende onzekerheid is belastend voor [minderjarige] en voor de betrokkenen. Tegelijkertijd is de kinderrechter van oordeel dat nog niet alle deuren gesloten zijn. De overdracht naar WSG regio Rotterdam en de inzet van een nieuwe jeugdbeschermer met ervaring op het gebied van behandelsettings kunnen mogelijk nieuwe ingangen bieden in de zoektocht naar een passende plek.
5.3.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing nogmaals verlengen voor de duur van drie maanden, dus tot 1 juni 2026. Op deze manier kan er een vinger aan de pols worden gehouden. De beslissing op het overige deel zal worden aangehouden tot 1 mei 2026 pro forma. De GI wordt verzocht om twee weken vóór de pro forma datum een briefrapportage (met afschrift aan de belanghebbenden en aan de advocaat van de moeder) te overleggen over de dan huidige stand van zaken.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 1 maart 2026 tot 1 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
7. houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 mei 2026 pro forma;
8. bepaalt dat de GI en de belanghebbenden op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
9. verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de GI, de belanghebbenden en mr. L.H.E.M. Berendsen) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 door mr. M.C. Woudstra, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 26 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.