Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4036

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/10/714258 / JE RK 26-206
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens risicovol gedrag en onveilige thuissituatie

De gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010, vanwege ernstige zorgen over haar veiligheid en welzijn. De minderjarige vertoont risicovol seksueel gedrag, gebruikt alcohol en drugs, en loopt regelmatig weg, waardoor zij niet meer welkom is bij haar moeder en ook niet bij haar vader kan verblijven.

De moeder erkent de problematiek en heeft aangegeven dat zij de grip op haar dochter kwijt is, wenst echter dat de minderjarige gesloten wordt geplaatst. De kinderrechter heeft de zitting met gesloten deuren gehouden en een beëdigde Turkse tolk ingezet vanwege taalbarrières.

De kinderrechter oordeelt dat de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI en iHub worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid om passende hulpverlening en een veilige verblijfplaats te realiseren, ondanks organisatorische en financiële knelpunten. De kinderrechter wijst op het belang van herstel van vertrouwen tussen moeder en dochter als voorwaarde voor terugplaatsing.

De machtiging wordt verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 20 mei 2026 en wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep. De beschikking is op 11 februari 2026 mondeling gegeven en op 19 februari 2026 schriftelijk vastgesteld.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling met directe uitvoerbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714258 / JE RK 26-206
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats],
bijgestaan door advocaat mr. N. Aydogan-Kütük, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de schriftelijke bevestiging van het mondelinge verzoek van de GI van 30 januari 2026 met bijlagen, ontvangen op 2 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1].
1.3.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Turkse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 2], tolk in de Turkse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft op een crisisplek van [naam instelling] in [plaatsnaam].
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 20 mei 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 februari 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 27 februari 2026. De beslissing op het overig verzochte is aangehouden.

3.Het verzoek van de GI

3.1.
De GI heeft verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken zonder de belanghebbenden daarover te horen. Dit deel van het verzoek is reeds toegewezen. Aansluitend verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een maand. Op dit deel van het verzoek dient nog te worden beslist. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI wijzigt het verzoek ter zitting door een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verzoeken in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI licht het verzoek als volgt toe. Hoewel het een periode beter leek te gaan met [minderjarige] bij de moeder thuis, is de situatie in de afgelopen weken weer verslechterd. Ze heeft contact met meerderjarige mannen, vertoont risicovol seksueel gedrag en heeft onbeschermde seks gehad. In combinatie met het gebruik van alcohol en drugs zijn de zorgen over haar veiligheid en welzijn aanzienlijk toegenomen. Vanwege [minderjarige]’s gedrag is zij niet meer welkom bij haar moeder en is zij op een crisisplek bij [naam instelling] in [plaatsnaam] geplaatst. Sinds de plaatsing is [minderjarige] verschillende keren weggelopen en kwam zij 's avonds laat thuis. De GI loopt in de uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing tegen verschillende problemen aan. Hoewel [minderjarige] tegenover de kinderrechter aangeeft open te staan voor hulpverlening, weigert zij hulp als deze wordt aangeboden. Ook kondigt zij aan dat zij, ongeacht waar zij geplaatst zal worden, zal blijven weglopen. Dit gebrek aan motivatie en haar wegloopgedrag heeft ertoe geleid dat [minderjarige] door de benaderde hulpaanbieders is geweigerd. [minderjarige] heeft enkel motivatie getoond in een traject van UrbanSkillsz. Deze motivatie is essentieel om [minderjarige] in beweging te krijgen. Echter financiert iHub, die verantwoordelijk is voor [minderjarige]’s behandeling en plaatsing, geen alternatieve aanbieders die diensten aanbieden die zij zelf in huis hebben. IHub adviseert een terugplaatsing bij de moeder met intensieve ambulante begeleiding. Aangezien [minderjarige] momenteel niet welkom is bij haar moeder, is deze optie niet uitvoerbaar. De GI bevindt zich hierdoor in een moeilijke situatie. [minderjarige] mag echter niet de dupe worden van het feit dat er geen overeenstemming is over de financiering van passende hulpverlening. De GI zal op korte termijn onderzoeken waar [minderjarige] kan verblijven, waarbij ook een gesloten plaatsing overwogen zal worden.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
Door en namens de moeder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] loopt ’s nachts weg met jongens en slaapt in hotels die voor haar worden betaald. De moeder heeft een positieve zwangerschapstest en condooms gevonden in de kamer van [minderjarige]. De moeder maakt zich al lange tijd ernstig zorgen over [minderjarige]’s veiligheid en welzijn. Zij heeft thuis alles geprobeerd om [minderjarige] bij te sturen, maar zij is de grip op [minderjarige] volledig kwijt. De moeder wil enerzijds graag dat er hulp komt voor haar en voor [minderjarige], maar heeft anderzijds vanwege de hulpverleningsgeschiedenis weinig vertrouwen in dat dit het nodige resultaat zal opleveren. In het belang van [minderjarige]’s eigen veiligheid zou de moeder willen dat zij gesloten wordt geplaatst.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.2.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt het volgende. [minderjarige] heeft een belast verleden en hoewel het een periode beter leek te gaan met [minderjarige] bij de moeder thuis, is de situatie sinds kort weer verslechterd door haar risicovolle gedrag. [minderjarige] loopt ’s nachts weg, heeft contact met meerderjarige mannen, heeft onbeschermde seks en er zijn zorgen over het gebruik van alcohol en drugs. [minderjarige] heeft dit tegenover de kinderrechter toegelicht en gezegd dat het niet zo erg is als het lijkt. Zo zou de zwangerschapstest nep zijn en zijn bedoeld om een grapje met haar vriend uit te halen. En de condooms zou zij voor een ander bewaren. Gelet echter op het feit dat de moeder op dit moment geen vertrouwen heeft in [minderjarige] is en zij niet meer welkom i bij de moeder kan [minderjarige] nu niet terug naar de moeder. [minderjarige] kan door haar risicovolle gedrag en het zich niet houden aan de regels thuis ook niet meer bij haar vader verblijven. Hoewel de moeder onlangs aan [minderjarige] heeft toegezegd dat [minderjarige] weer terug thuis kon komen wonen, is zij hier later op teruggekomen. Dit alles betekent dat [minderjarige] een andere, veilige plek nodig heeft waar zij kan verblijven. Hiervoor is een machtiging tot uithuisplaatsing nodig. Voor een eventuele terugplaatsing in de toekomst bij de moeder is noodzakelijk dat eerst intensief wordt gewerkt aan herstel van het vertrouwen tussen [minderjarige] en de moeder. Onderlinge spanningen tussen de moeder en [minderjarige] lopen snel op. Hierbij lijkt wederzijds onbegrip een grote rol te spelen. Het is belangrijk dat de moeder geen toezeggingen doet die zij vervolgens niet kan of niet wil nakomen. Dit ondermijnt het vertrouwen van [minderjarige] en is niet bevorderlijk voor het herstel van hun onderlinge band. Van beide kanten zal inspanning nodig zijn om te komen tot een stabieler en veiliger contact, voor een terugkeer naar huis verantwoord kan worden geacht.
5.3.
De kinderrechter overweegt vervolgens dat de GI in de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing voor aanzienlijke uitdagingen staat. [minderjarige] geeft enerzijds aan dat zij openstaat voor hulpverlening, maar weigert deze wanneer de hulp concreet wordt aangeboden en kondigt bovendien aan dat zij, ongeacht de plaatsing, zal weglopen. Dit heeft ertoe geleid dat meerdere aanbieders haar hebben geweigerd. Daarbij is gebleken dat iHub verantwoordelijk is voor zowel de plaatsing als de behandeling van [minderjarige]. De kinderrechter benadrukt dat deze verantwoordelijkheid meebrengt dat iHub zich actief en voortvarend dient in te spannen om een passende verblijfplaats en behandeling te realiseren. Dat daarbij discussie bestaat over het ontbreken van interne mogelijkheden en van financiering van externe plaatsingen of inzet van externe hulpverlening, kan en mag er niet toe leiden dat [minderjarige] tussen wal en schip raakt. [minderjarige] mag niet de dupe worden van organisatorische of financiële knelpunten tussen instanties of van de wijze zoals de jeugdhulp in Nederland is geregeld. Nu iHub de verantwoordelijke instantie is, zal deze instantie voor een passende verblijfsplek en voor adequate hulpverlening moeten zorgen. Daarnaast is ter zitting besproken dat het ontbreken van een structurele dagbesteding mogelijk een belangrijke trigger vormt voor het wegloopgedrag van [minderjarige]. [minderjarige] heeft zelf aangegeven behoefte te hebben aan een vorm van dagbesteding die bij haar past en waarvoor zij gemotiveerd is. De kinderrechter acht het van belang dat hier op korte termijn een passende invulling voor wordt gevonden. Daarbij weegt de kinderrechter mee dat [minderjarige] in het recente verleden wel degelijk de mogelijkheid had om onderwijs te volgen, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Dit onderstreept dat niet alleen het aanbod, maar ook de motivatie cruciaal zijn. Het is aan de GI om, in samenwerking met iHub en andere betrokken partijen, te onderzoeken welke vorm van dagbesteding aansluit bij [minderjarige] en hoe haar deelname daaraan kan worden geborgd.
5.4.
Alles overziende dan ziet de kinderrechter een meisje dat al veel heeft meegemaakt en op dit moment geen veilige, vertrouwde plek heeft waar zij kan verblijven. Door het ontbreken van goed contact met haar moeder en vader kan het zijn dat zij vlucht naar personen die zij als vrienden ziet en waar zij zich mogelijk gezien en gehoord voelt. Het winnen van het vertrouwen van [minderjarige] lijkt een belangrijke factor te zijn om het leven van [minderjarige] een positieve wending te kunnen geven. Dit kan in de vorm van een persoon met wie zij een vertrouwensband kan opbouwen, die naast haar staat en door wie zij zich gezien en gehoord voelt. Mogelijk kan een dergelijk figuur in het leven van [minderjarige] helpend zijn in het verkrijgen van een doorbraak in haar ontwikkeling.
5.5.
Met alles wat in gang moet worden gezet, waaronder het vinden van een passende verblijfplek, de inzet van passende hulpverlening en het werken aan herstel van het vertrouwen tussen [minderjarige] en de moeder, is enige tijd gemoeid. Het aanvankelijke verzoek van de GI, inhoudende een machtiging tot uithuisplaatsing voor nog een maand (in aanvulling op de verleende spoedmachtiging) is daarvoor veel te kort. Hoewel de kinderrechter begrijpt dat [minderjarige] naar huis wil, moet er nog veel gebeuren voordat dat mogelijk is. De kinderrechter zal dan ook een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling overeenkomstig het gewijzigde verzoek.
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 11 februari 2026 tot 20 mei 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.