Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4030

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/10/703054 / JE RK 25-1429
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleegzorg

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleegzorgvoorziening. De minderjarige verblijft momenteel bij de oma en de ondertoezichtstelling is reeds verlengd tot 6 september 2026.

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de resterende zeven maanden van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter houdt rekening met het feit dat diverse onderzoeken en interventies, zoals perspectiefonderzoeken bij beide ouders, videointeractiebegeleiding en de interventie NIKA, nog niet zijn afgerond of moeten starten. De moeder voert verweer tegen de volledige verlenging en pleit voor een kortere termijn vanwege onduidelijkheid over de voortgang van hulpverlening en haalbaarheid van de omgangsregeling.

De vader en de oma ondersteunen de verlenging vanwege het belang van continuïteit en stabiliteit voor de minderjarige, die zich goed ontwikkelt bij de oma. De kinderrechter oordeelt dat terugplaatsing bij de ouders momenteel niet mogelijk is en dat de verlenging noodzakelijk is om rust en duidelijkheid te waarborgen. De machtiging wordt daarom verlengd tot 6 september 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 6 september 2026 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/703054 / JE RK 25-1429
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bijgestaan door advocaat mr. R.T. Laigsing, kantoorhoudende in Amsterdam,
[naam vader],
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door advocaat mr. F. Pool, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam oma],
hierna te noemen oma vz, wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 21 augustus 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de briefrapportage van de GI van 19 december 2026.
1.2.
Op 29 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met mr. Schiettekatte, waarnemend voor haar voornoemde advocaat;
  • de oma vz;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de oma vz.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 6 september 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 augustus 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 6 februari 2026. De beslissing op het overig verzochte is aangehouden.

3.Het aangehouden verzoek van de GI

3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar. Hierover is reeds beslist. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. Hiervan zijn reeds vijf maanden toegewezen. Het overig verzochte is aangehouden. Er dient dus nog te worden beslist op de resterende zeven maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het resterende verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [minderjarige] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin bij de oma. De huidige omgangsregeling is afgestemd op zijn belastbaarheid, mede in combinatie met zijn start op school. Uitbreiding van de omgang zal stapsgewijs worden bezien. Het perspectiefonderzoek bij de moeder is inmiddels gestart. Er heeft één observatie plaatsgevonden en er volgen nog meerdere afspraken. Daarnaast zal videointeractiebegeleiding worden ingezet bij de vader en zal de interventie NIKA op korte termijn starten om de omgang tussen de moeder en [minderjarige] te begeleiden en te beoordelen. De GI onderzoekt of deze trajecten gecombineerd kunnen worden, om dubbele belasting voor [minderjarige] te voorkomen. Het perspectiefonderzoek bij de vader moet eveneens nog plaatsvinden. Dit kan niet gelijktijdig met het onderzoek bij de moeder worden uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomsten van beide onderzoeken zijn mogelijk nog vervolgstappen en overdrachtsmomenten noodzakelijk. Omdat de noodzakelijke onderzoeken en interventies nog niet zijn afgerond, acht de GI het noodzakelijk dat de machtiging uithuisplaatsing wordt verlengd voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, zodat rust, continuïteit en duidelijkheid voor [minderjarige] gewaarborgd blijven en zorgvuldig kan worden onderzocht waar zijn perspectief ligt.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is ter zitting verweer gevoerd tegen het resterende verzoek. Hoewel inmiddels verschillende hulpverleningstrajecten zijn ingezet, bestaat onvoldoende duidelijkheid over de voortgang en planning daarvan. Het perspectiefonderzoek bij de moeder is gestart en er hebben inmiddels afspraken plaatsgevonden, met een evaluatie in maart. Ook zijn er meerdere huisbezoeken van Jeugdzorg geweest en zijn er geen zorgen meer over de thuissituatie. Wanneer NIKA zal starten blijft echter onduidelijk. Ook is niet duidelijk hoe dit concreet vorm zal krijgen, omdat de moeder [minderjarige] telkens moet ophalen en terugbrengen, wat voor haar niet haalbaar is. Als NIKA vanwege wachtlijsten niet tijdig kan starten, zou ook naar een andere aanbieder, zoals Odion, gekeken kunnen worden. De moeder geeft vervolgens aan dat zij graag wil dat de omgang uitgebreid wordt. De omgang is momenteel beperkt en een eerdere uitbreiding is teruggedraaid, terwijl deze in het kader van naar een terugplaatsing toewerken juist opgebouwd moet worden. Om deze redenen wordt namens de moeder verzocht het resterende verzoek niet toe te wijzen voor de gehele resterende duur tot september, maar de machtiging zo nodig slechts voor een kortere periode te verlengen. Op korte termijn kan de situatie dan opnieuw worden beoordeeld.
4.2.
Door en namens de vader is ter zitting ingestemd met een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling. Volgens de vader moeten het perspectiefonderzoek bij hem en de overige trajecten nog starten of worden afgerond. De vader hoopt dat de GI de onderzoeken voortvarend oppakt, nu de afgelopen maanden weinig vooruitgang is geboekt. Omdat echter eerst duidelijkheid zal moeten komen over het perspectief van [minderjarige] , is op dit moment een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nog nodig. Tenslotte benadrukt de vader dat hij [minderjarige] graag meer zou zien en verzoekt hij de GI opnieuw naar de omgangsregeling te kijken.
4.3.
Door de oma vz is ter zitting het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] doet het over het algemeen goed bij haar. Hij is gestart op school en dat verloopt positief. In de thuissituatie ervaart zij weinig problemen en ontvangt zij ondersteuning van haar gezin. [minderjarige] kan voorlopig bij haar blijven wonen. De oma vz acht het echter van belang dat er duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] , nu zij merkt dat hij onrust ervaart als gevolg van de huidige situatie en de lopende procedures.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter stelt vast dat een terugplaatsing bij één van de ouders van [minderjarige] op dit moment nog niet mogelijk is. [minderjarige] is vanwege ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder thuis en haar opvoedvaardigheden uit huis geplaatst bij de oma vz. De noodzakelijke onderzoeken en interventies, waaronder het perspectiefonderzoek bij de moeder, het perspectiefonderzoek bij de vader, videointeractiebegeleiding en de inzet van NIKA, zijn nog niet afgerond of moeten nog starten. Daarmee zijn de zorgen nog onvoldoende weggenomen en bestaat onvoldoende duidelijkheid over de vraag waar [minderjarige] op termijn het beste kan opgroeien. De kinderrechter acht het van belang dat deze trajecten eerst zorgvuldig worden doorlopen. De kinderrechter neemt daarbij in overweging dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt bij de oma vz en daar tot rust komt. Gelet op zijn leeftijd en belastbaarheid, mede in combinatie met zijn start op school, is het van belang dat die stabiliteit voorlopig behouden blijft. Tegelijkertijd begrijpt de kinderrechter de zorgen over de voortgang en het tempo van de hulpverlening en benadrukt dat de ingezette onderzoeken voortvarend moeten worden opgepakt. Het is belangrijk dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid is over het perspectief van [minderjarige] . Het is dan ook belangrijk dat de perspectiefonderzoeken, NIKA en de videointeractiebegeleiding zonder verdere vertraging worden uitgevoerd. Indien de inzet van NIKA niet tijdig van de grond komt of toch niet passend is, kan de GI bezien of een alternatieve aanbieder passend is. Ook dient de GI te blijven beoordelen of, binnen de belastbaarheid van [minderjarige] , uitbreiding van de omgang mogelijk is.
5.3.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom verlengen. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de machtiging te verlengen voor een kortere duur dan nu nog verzocht. De onderzoeken die moeten worden uitgevoerd zijn net van start gegaan of staan op het punt van start te gaan. Nadat de onderzoeken bij de moeder zijn verricht, moeten ze ook nog bij de vader worden verricht. Dit alles zal de nodige tijd in beslag nemen. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verleend voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling.
5.4.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 6 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 3 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.