ECLI:NL:RBROT:2026:4

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
C/10/688257 / FA RK 24-7977
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie en niet-ontvankelijkheid van het verzoek

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie. De vrouw, vertegenwoordigd door advocaat mr. N. Schuerman, verzocht om een verhoging van de maandelijkse bijdrage voor de verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind, die in Nederland woont. De man, vertegenwoordigd door advocaat mr. K. Hoesenie, voerde verweer en betwistte dat er sprake was van relevante gewijzigde omstandigheden die een aanpassing van de alimentatie rechtvaardigden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vrouw haar verzoek niet voldoende heeft onderbouwd en dat er geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden is aangetoond. De rechtbank concludeert dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot wijziging van de alimentatie. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat elke partij zijn eigen kosten draagt. De beschikking is openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, C. Naujoks.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/688257 / FA RK 24-7977
Beschikking van 8 januari 2026 over de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. N. Schuerman te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. K. Hoesenie te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 25 oktober 2024;
  • het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 15 januari 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 4 december 2025. Daarbij zijn verschenen:
- de man en zijn advocaat.
De vrouw en haar advocaat zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Van de advocaat van de vrouw is geen bericht van verhindering ingekomen.

2.De vaststaande feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
2.2.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2021 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 31 januari 2022 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.3.
Bij voormelde beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2021 is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage) steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 350,- per maand.
2.4.
Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 28 juni 2023 is
voormelde beschikking van de rechtbank van 6 september 2021, voor zover het de kinderalimentatie betreft, vernietigd en is de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage voor de periode van 31 januari 2022 tot 1 januari 2023 bepaald op € 45,- per maand en voor de periode met ingang van 1 januari 2023 bepaald op € 83,- per maand.
2.5.
Partijen hebben de Poolse nationaliteit.

3.De beoordeling

3.1.
Onderhoudsbijdrage
3.1.1.
De vrouw verzoekt wijziging van de hiervoor genoemde beschikking van het gerechtshof Den Haag van 28 juni 2023 in die zin, dat de in die beschikking vastgestelde
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van
1 januari 2024 wordt bepaald op een bedrag van € 709,- per maand.
3.1.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.1.3.
Omdat de minderjarige in Nederland woont, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht over het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.
3.1.4.
Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
3.1.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.1.6.
De vrouw legt - kort gezegd - aan haar verzoek ten grondslag dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, omdat de inkomens van partijen zijn gewijzigd. De vrouw stelt dat haar inkomen sinds 2018 is gedaald, in verband met haar slechte gezondheid, terwijl het inkomen van de man is gestegen. Daarnaast kan de man de woonlasten met zijn verdienende partner - met wie hij een kind heeft - delen.
3.1.7.
De man voert gemotiveerd verweer en betwist dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. Hij stelt dat zijn inkomen nauwelijks is gewijzigd sinds de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 28 juni 2023.
Ten aanzien van de door de vrouw aangevoerde gedaalde inkomsten vanwege haar slechte gezondheid, stelt de man dat de vrouw dat ook in de procedure bij het gerechtshof Den Haag heeft aangevoerd. Het gerechtshof Den Haag heeft daarover geoordeeld dat de vrouw dat standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens de man heeft de vrouw haar stelling in deze procedure ook niet onderbouwd.
Voorts stelt de man dat enkel de geboorte van zijn tweede kind en zijn huidige partner met inkomen een gewijzigde omstandigheid zou kunnen zijn, maar dat hij alleen zich daarop zou kunnen beroepen, omdat dit een extra onderhoudsverplichting met zich brengt die zijn draagkracht beïnvloedt. De man doet hier echter geen beroep op.
3.1.8.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende het levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.
Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
3.1.9.
De rechtbank overweegt dat het, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, op de weg van de vrouw ligt haar stelling dat de kinderbijdrage door gewijzigde omstandigheden niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven deugdelijk te onderbouwen. Echter, uit de door de vrouw overgelegde stukken kan de rechtbank niet vaststellen dat sprake is rechtens relevante wijziging van omstandigheden op grond waarvan een herbeoordeling dient plaats te vinden. Om te kunnen komen tot dat oordeel had de vrouw moeten uitleggen en aantonen met verificatoire bescheiden waarom zij niet langer in staat is het inkomen van voor 2018 te verwerven. Ook is niet aangetoond dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de vorm van een hoger inkomen aan de zijde van de man. De rechtbank merkt verder op dat de mogelijke gewijzigde omstandigheid aan de zijde van de man is gelegen in de geboorte van een nieuw kind weliswaar niet ter discussie staan tussen partijen, maar dat de man zich daar niet op beroept.
3.1.10.
De conclusie is dat ook dat er geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden is, zodat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek.
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk;
4.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van C. Naujoks, griffier, op 8 januari 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.