De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar grootouders binnen het netwerk. De minderjarige verblijft sinds enige tijd bij de grootouders vanwege een ondertoezichtstelling, die is verlengd tot 2 juli 2026. De aanleiding voor de uithuisplaatsing is het overlijden van het broertje van de minderjarige en het daaropvolgende strafrechtelijk onderzoek waarbij de ouders als verdachten zijn aangemerkt.
De gecertificeerde instelling (GI) heeft verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling. De GI licht toe dat de Officier van Justitie voornemens is de vader niet strafrechtelijk te vervolgen, maar de moeder wel. Er wordt een plan voorbereid om te onderzoeken of en onder welke voorwaarden terugplaatsing bij de vader mogelijk is, waarbij ook urinecontroles en relatietherapie een rol spelen.
De moeder wenst een kortere verlenging met tussentijdse toetsmomenten en benadrukt haar inzet voor herstel en hulpverlening. De vader stemt in met verlenging mits er snel een duidelijk terugplaatsingsplan komt. De grootouders zijn bereid de minderjarige te blijven opvangen maar willen hun opvoedende rol afbouwen.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is om de GI voldoende tijd te geven het terugplaatsingsplan op te stellen en de voorwaarden te realiseren. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot 2 juli 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.