Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3955

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C/10/714295 / JE RK 26-213
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2009 en 2011. De minderjarigen verblijven op een beschermde kinderwoonvorm en hebben behoefte aan extra zorg en begeleiding die de ouders vanwege hun verstandelijke beperkingen niet kunnen bieden.

De ouders erkennen hun beperkingen en de problematiek van de kinderen, stemmen in met de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar verzetten zich tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij wensen uitbreiding van omgang en hopen op een spoedige start van een perspectiefonderzoek dat na de zomervakantie zal aanvangen.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan en dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De GI wordt opgedragen goed te letten op de individuele behoeften van de kinderen en de omgangsuitbreiding zorgvuldig te begeleiden.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714295 / JE RK 26-213
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen de moeder en de vader, tezamen te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats],
advocaat mr. K. Logtenberg uit Rotterdam,

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 28 februari 2026, ontvangen op 3 februari 2026;
- het verweerschrift van de ouders van 13 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders met hun advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2].
1.3.
Ter zitting is er bijzondere toegang verleend aan [naam 3], collega van mr. K. Logtenberg.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (in aanwezigheid van zijn begeleidster [naam 4]) hebben hierover afzonderlijk een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, met de begeleidster aanwezig geweest bij de uitspraak.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op een beschermde kinderwoonvorm van [naam instelling], [naam groep].
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 21 maart 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 maart 2025 de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 21 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De ouders houden heel veel van de kinderen en andersom. Tegelijkertijd wordt er ook gezien dat de problematiek van ouders de afgelopen tijd niet is veranderd, ondanks hun goede inzet. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven inmiddels al twee jaar op [naam groep] en krijgen daar de stabiliteit en structuur waar ze bij gebaat zijn. Tussen de kinderen en de ouders is er één keer in de twee weken onbegeleide omgang met overnachting bij de ouders. De kinderen vinden dit fijn, maar er zijn ook wel zorgen over de verzorging. Bij terugkomst hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan soms nog steeds dezelfde kleding aan. De GI heeft een perspectiefonderzoek aangevraagd om uitsluitsel te krijgen over waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verder op zullen groeien. [minderjarige 1] zal binnenkort 18 jaar worden en dit onderzoek is ook van belang om duidelijkheid te krijgen over welke hulp er voor hem hierna nodig zal zijn. Het perspectiefonderzoek zal na de zomervakantie starten. Ter voorbereiding van het perspectiefonderzoek zal er met de ouders en kinderen gewerkt worden naar uitbreiding van de bezoeken en vakanties. [naam instelling] gaat dit observeren, zodat er meer zicht komt op de opvoedcapaciteiten van de ouders. De GI vindt het belangrijk dat de ouders hierin een eerlijke kans krijgen.
4.2.
De ouders hebben ter zitting ingestemd met de ondertoezichtstelling maar verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Er is veel liefde tussen de ouders en de kinderen. De ouders erkennen hun beperkingen en de kind-eigen problematiek van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De ouders betwisten dat er in het afgelopen jaar weinig is veranderd. De interactie tussen de vader en de kinderen is erg verbeterd, hij schreeuwt niet meer tegen de kinderen. De ouders willen graag dat de kinderen weer naar huis komen en willen met de juiste hulp laten zien dat zij dit kunnen. Ten aanzien van het perspectiefonderzoek brengen de ouders naar voren dat zij verwachten dat dit onderzoek te lang duurt. [minderjarige 1] wordt dan al bijna 18 jaar en ervaring leert dat kinderen dan toch zullen gaan naar daar waar zij het liefst zijn. De wens van [minderjarige 1] om weer terug naar huis te komen is hierin heel duidelijk en de ouders vinden het belangrijk dat hiernaar gekeken wordt. De ouders hopen dat voor [minderjarige 2] de EMDR-therapie snel kan starten en zijn dankbaar voor de hulp die beide kinderen krijgen. Verder wensen de ouders uitbreiding van de omgang, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wat langer thuis komen overnachten, dit geldt ook voor de vakantieregeling. De ouders verzoeken primair de machtiging tot uithuisplaatsing op te heffen en subsidiair de machtiging te verlengen voor een kortere duur dan is verzocht, te weten voor de duur van drie maanden en hierbij een duidelijke opdracht mee te geven.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt aan een verlenging van de ondertoezichtstelling, zoals bedoeld in artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De ouders weerspreken dit ook niet. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar.
5.2.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben extra zorg en begeleiding nodig, die de ouders vanwege hun eigen verstandelijke beperking niet zelfstandig, maar ook niet met de nodige hulpverlening, hebben kunnen bieden. De ouders hebben de beste intenties om voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zorgen en zij houden veel van hen, maar het lukt hen op dit moment onvoldoende om aan te sluiten bij de behoefte en de belevingswereld van hun kinderen. Het perspectiefonderzoek zal op termijn gaan starten. De kinderrechter is van oordeel dat, totdat er meer uitsluitsel over het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is, het in hun belang is dat hun verblijf bij [naam groep] voortduurt. Het perspectiefonderzoek zal na de zomer starten en een aantal maanden tot een half jaar gaan duren. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar.
5.3.
De kinderrechter wil de GI meegeven dat het belangrijk is dat er bij het perspectiefonderzoek goed gekeken wordt naar de individuele behoeften en wensen van de kinderen. De GI heeft ter zitting aangegeven dat in de aanloop naar het perspectiefonderzoek gekeken wordt naar uitbreiding van de contacten tussen de ouders en de kinderen, zodat de ouders beter toegerust zijn om met het perspectiefonderzoek te starten. Het ligt daarbij ook op de weg van de GI om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor een verdere uitbreiding van de omgangsmomenten op de langere termijn – dus niet alleen voor wat betreft het perspectiefonderzoek. Hierbij dient opnieuw goed gekeken te worden naar de individuele belangen, wensen en leeftijden van de kinderen. Het blijft immers van groot belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich gehoord voelen en het zou kunnen dat wat in het belang van [minderjarige 1] is, niet in het belang van [minderjarige 2] is, en andersom.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 21 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 21 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.