Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3949

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C/10/716009 / KG ZA 26-225
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing ontruiming woning wegens overlast in kort geding

In deze zaak vordert eiser schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van een vonnis tot ontruiming van zijn woning, vanwege een onhoudbare overlastsituatie. De kantonrechter had eerder geoordeeld dat eiser structureel overlast veroorzaakt en de ontruiming uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Eiser stelt dat er nieuwe feiten zijn, zoals het ontvangen van hulp bij psychische klachten, een nieuwe baan en gezinshereniging, en overlegt verklaringen van buren. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze omstandigheden niet nieuw zijn of onvoldoende gewicht hebben om het eerdere vonnis te wijzigen. De kans van slagen van het hoger beroep wordt buiten beschouwing gelaten.

De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van de verhuurder, Woonstad, om de ontruiming door te zetten zwaarder weegt dan het belang van eiser bij behoud van de woning. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. De vorderingen worden afgewezen.

Uitkomst: Vordering tot schorsing van de ontruiming wordt afgewezen; ontruiming kan doorgaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/716009 / KG ZA 26-225
Vonnis in kort geding van 26 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. J.O. Bohr,
tegen
STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Woonstad,
advocaat: mr. R. van der Hoeff.

1.De zaak in het kort

In dit executiegeschil vordert [eiser] de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van 20 februari 2026 te schorsen en een verbod om de woning van [eiser] te ontruimen zolang in hoger beroep nog geen uitspraak is gedaan, zodat [eiser] in afwachting van deze procedure in de woning mag blijven wonen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 6 maart 2026, met producties 1 tot en met 7;
- producties 1 tot en met 4 van Woonstad;
- de pleitnota van Woonstad.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 12 maart 2026 plaatsgevonden.

3.De feiten

3.1.
[eiser] huurt sinds 22 november 2022 een woning, gelegen aan de [adres] (hierna: ‘de woning’), van Woonstad.
3.2.
Bij vonnis in kort geding van 20 februari 2026 (hierna: ‘het Vonnis’) heeft de kantonrechter van deze rechtbank [eiser] veroordeeld om de woning te ontruimen vanwege een onhoudbare overlastsituatie. Het Vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kantonrechter overwoog onder meer het volgende:
2.6.
Woonstad heeft aan de hand van meerdere bewijsstukken (onder andere overlastmeldingen, het rapport van Veerkracht en correspondentiestukken met Fivoor) concreet onderbouwd dat [eiser] vanaf kort na de ingangsdatum van de huurovereenkomst en de gedragsaanwijzing tot zelfs kort voor de zitting (25 januari 2026) structureel overlast in en rondom de woning veroorzaakt, ook 's avonds en ’s nachts.(..)
Daarnaast heeft [eiser] zelf geen enkele verklaring van (een) omwonende(n) overgelegd die tegenwicht kan/kunnen bieden aan het in 2.1. geschetste overlastbeeld, terwijl dat bij uitstek wel op zijn weg had gelegen. [eiser] vroeg tijdens de zitting of hij in de gelegenheid kan worden gesteld om alsnog verklaringen van omwonenden over te leggen, maar daarvoor bestaat geen ruimte in een kort geding procedure.
(..)
2.8. (..)
[eiser] weigerde al om de gedragsaanwijzing van Woonstad te ondertekenen en vervolgens blijkt ook nog dat [eiser] zich eind vorig jaar heeft onttrokken aan professionele woonbegeleiding. Bij deze stand van zaken is er geen enkel uitzicht op verbetering van de overlastsituatie en daarom kan niet van Woonstad worden gevergd dat zij [eiser] langer in de woning laat verblijven.(..)
[eiser] stelde tijdens de zitting dat op korte termijn gezinshereniging zal plaatsvinden, maar na de gemotiveerde betwisting daarvan door Woonstad heeft [eiser] dat niet nader onderbouwd.”
3.3.
[eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het Vonnis.
3.4.
De ontruiming van de woning staat gepland op 13 april 2026.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van het Vonnis wordt geschorst, totdat onherroepelijk is beslist op het door [eiser] in te stellen hoger beroep, al dan niet door eisen te verbinden aan de schorsing;
II. het Woonstad wordt verboden om over te gaan tot ontruiming van de woning, totdat onherroepelijk op het hoger beroep is beslist;
III. Woonstad te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten.
4.2.
Woonstad voert verweer. Woonstad concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Het toetsingskader
5.1.
De kantonrechter heeft het Vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis direct ten uitvoer kan worden gelegd en dat de uitkomst van het hoger beroep dat [eiser] heeft ingesteld, niet hoeft te worden afgewacht. De beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, is niet gemotiveerd. Bij de beoordeling van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis moet om die reden een belangenafweging plaatsvinden. In dit kort geding moet onderzocht worden of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet in hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van Woonstad om het vonnis nu al ten uitvoer te kunnen leggen. Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de inhoud van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het hoger beroep moet buiten beschouwing worden gelaten. Wel kan de voorzieningenrechter in zijn oordeelsvorming betrekken of het vonnis berust op een kennelijke feitelijke of juridische misslag.
Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden
5.2.
[eiser] heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat het Vonnis berust op een kennelijke feitelijke of juridische misslag. Volgens [eiser] is wel sprake van nieuwe feiten of omstandigheden. Schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis kan ook aan de orde zijn in het geval dat zich na het vonnis nieuwe feiten of omstandigheden voordoen, die – als de rechter die het vonnis heeft gewezen van die feiten of omstandigheden op de hoogte was geweest – tot een andere beslissing hadden geleid. [eiser] stelt dat hier sprake van is, omdat hij inmiddels hulp ontvangt voor zijn psychische klachten, hij een nieuwe baan heeft, zijn gezinshereniging in een vergevorderd stadium is en vanwege recent afgelegde verklaringen van zijn buren.
5.3.
De door [eiser] aangevoerde omstandigheden zijn niet nieuw, althans kunnen niet leiden tot de conclusie dat de kantonrechter een andere beslissing zou hebben genomen als hij daarmee rekening had gehouden. Zo heeft de kantonrechter de kwetsbare (medische) situatie van [eiser] al meegewogen in zijn oordeel. Ook de (volgens [eiser]) ophanden zijnde gezinshereniging is al aangevoerd en beoordeeld in de procedure bij de kantonrechter. Bovendien blijkt uit de in deze procedure overgelegde stukken dat de aanvraag voor de gezinshereniging nog niet is ingediend. Ook als de aanvraag is ingediend, is het nog onzeker of de aanvraag direct wordt goedgekeurd. Uit de e-mail van de advocaat van [eiser] die de aanvraag verzorgt, volgt immers dat
“als het in een keer lukt, kunnen zijn vrouw en zoontje in de zomer hier zijn.”Mogelijk is wel nieuw dat [eiser] stelt inmiddels een baan te hebben gevonden. Zoals hij tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, zit hij op dit moment nog in een proefperiode en krijg hij als alles goed gaat daarna een arbeidsovereenkomst. Deze omstandigheid is echter niet zodanig van belang dat aannemelijk is dat de kantonrechter tot een ander oordeel zou zijn gekomen als hij hiermee rekening had kunnen houden, alleen al niet omdat het hebben van een baan niet afdoet aan de redenen voor de ontruiming, namelijk de door [eiser] veroorzaakte overlast.
5.4.
Ten aanzien van de verklaringen van buren overweegt de voorzieningenrechter als volgt. [eiser] heeft verklaringen van, zoals hij stelt, directe buren overgelegd waarmee hij alsnog tegenwicht biedt aan het door Woonstad geschetste overlastbeeld. Woonstad voert aan dat de overgelegde verklaringen van buren zijn die niet direct naast, boven of onder [eiser] wonen, zodat het mogelijk is dat deze betreffende buren geen overlast van hem ervaren. [eiser] betwist dat op zijn beurt. Wat daar ook van zij, Woonstad stelt terecht dat de verklaringen geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn in de zin van de norm in dit executiegeschil. [eiser] had deze verklaringen immers al kunnen opvragen in de procedure die heeft geleid tot het Vonnis. Het is geen omstandigheid die zich pas na dit vonnis heeft voorgedaan. Dat [eiser] dit niet heeft gedaan en pas ter zitting aan de kantonrechter vroeg of hij dit alsnog kon doen, komt dan ook voor zijn rekening en risico en kan niet tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis leiden.
De belangenafweging valt uit in het voordeel van Woonstad
5.5.
In het kader van de belangenafweging stelt [eiser] dat hij door de ontruiming dakloos raakt, dat dit een schending van een fundamenteel mensenrecht is en dat als hij dakloos raakt, zijn gezinshereniging geen doorgang zal vinden. Het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand totdat in hoger beroep is beslist, weegt daarom volgens [eiser] zwaarder dan het belang van Woonstad. Woonstad stelt daartegenover dat zij als woningcorporatie de plicht heeft om omwonenden het rustig woongenot te verschaffen in een veilige leefomgeving. Zolang [eiser] in de woning woont, kan zij dat niet.
5.6.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat ook de kantonrechter al uitvoerig is ingegaan op de wederzijdse belangen. Die belangen zijn in dit executiegeschil niet wezenlijk anders. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging ook nu uitvalt in het voordeel van Woonstad. Het is inherent aan de veroordeling tot ontruiming dat [eiser] zijn huurwoning kwijtraakt. Dat is echter een gevolg van het eigen overlastgevende handelen van [eiser] en komt dus voor zijn risico. Dat hij dakloos raakt, is overigens niet aannemelijk geworden. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat [eiser] de mogelijkheid is geboden om binnen Skaeve Huse te gaan wonen. Dat de gezinshereniging met zijn vrouw en kind als gevolg van de ontruiming mogelijk niet door kan gaan, maakt dit niet anders. Zoals eerder in het vonnis is overwogen, is nog onzeker of en wanneer de gezinshereniging gaat plaatsvinden. Van Woonstad kan, gelet op haar gerechtvaardigde belang om de ontruiming doorgang te laten vinden, niet worden gevergd die ontruiming uit te stellen in afwachting van een dergelijke onzekere gebeurtenis. De in deze procedure aangevoerde omstandigheden kunnen dus niet tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het Vonnis leiden.
Conclusie
5.7.
Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om de belangenafweging anders te laten uitvallen dan de kantonrechter heeft gedaan. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
5.8.
Omdat [eiser] ongelijk krijgt, moet hij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonstad worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
760,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.684,00

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.684,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
3608/1980