Eiser stelde beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarden van drie woningen in Rotterdam en tegen de weigering van de heffingsambtenaar om een ingebrekestelling in behandeling te nemen. De rechtbank oordeelt dat eiser, ondanks dat hij werd bijgestaan door een gemachtigde, zelf een rechtsgeldige ingebrekestelling kon sturen. De brief van de heffingsambtenaar waarin werd gesteld dat de ingebrekestelling niet in behandeling werd genomen, is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank volgt het compromisvoorstel van de heffingsambtenaar en vermindert de WOZ-waarden van de woningen. Daarnaast stelt zij vast dat de heffingsambtenaar dwangsommen heeft verbeurd wegens overschrijding van de beslistermijn na ontvangst van de ingebrekestelling. De hoogte van de dwangsommen wordt vastgesteld op respectievelijk € 357,- en € 184,- voor de verschillende zaken.
Verder veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten, waaronder reis- en verletkosten van eiser. De beroepen worden gegrond verklaard en de uitspraken op bezwaar vernietigd. De uitspraak is gedaan door rechter C. Vogtschmidt op 8 april 2026.