Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de producties 1 tot en met 31 van [eiseres]
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie van [gedaagde]
- de akten overlegging (aanvullende) producties 1 tot en met 69 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 17 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de pleitnota van [eiseres]
- de pleitnota van [gedaagde].
3.De feiten
Artikel 10.
Artikel 13.
4.Het geschil
5.De beoordeling
change of control’ in de moeder van [eiseres] ([bedrijf 2]). Volgens [gedaagde] heeft die change of control plaatsgevonden door het verkrijgen van ‘
enige zeggenschap’van (indirect) [naam 4] over ‘
de activiteiten van de onderneming’van [eiseres].
enige zeggenschap’ over [eiseres] heeft verkregen, zodat de aanbiedingsplicht in werking is getreden. Echter, hier geldt dat het begrip ‘
zeggenschap’ in de statuten niet is gedefinieerd (en de begrippen ‘
activiteiten’ en ‘
onderneming van een Aandeelhouder-rechtspersoon’ evenmin). [eiseres] stelt (onderbouwd met stukken, waaronder de door haar als productie 18 overgelegde verklaring van [naam 4]) dat de overdracht slechts een formele constructie vormde om financiële redenen (die overigens onduidelijk zijn gebleven) en dat de werkelijke controle en zeggenschap op basis van een (mondelinge) overeenkomst tussen [naam 1] en [naam 4] altijd volledig bij [naam 1] is gebleven. Dit betoog kan niet als volstrekt onaannemelijk terzijde worden gelegd, juist omdat in de statuten niet glashelder is (anders dan [gedaagde] betoogt) wat onder andere onder ‘
enige zeggenschap’ moet worden verstaan. Niet uitgesloten kan worden dat van change of control als bedoeld in de statuten niet kan worden gesproken in het geval de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid blijft berusten bij [naam 1], ook al is hij (tijdelijk) buiten de vennootschapsrechtelijke structuur komen te staan. Ook in dat geval wordt immers op zichzelf tegemoet gekomen aan het belang dat [gedaagde] zegt te hechten aan het feit dat de samenwerking binnen IAM als besloten was bedoeld. Bij dit alles is niet zonder betekenis dat [naam 4] bepaald geen vreemde is voor [gedaagde]. [eiseres] heeft voldoende onderbouwd aannemelijk gemaakt dat [naam 4] van aanvang af nauw betrokken was bij de joint venture, dat dit ook duidelijk was voor [gedaagde] en dat [gedaagde] daarmee instemde (zie met name producties 20 en 30 van [eiseres] en producties 20 en 32 van [gedaagde]).
6.De beslissing
1734/1980