Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3920

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/10/663868 / HA ZA 23-706
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:9 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijslevering en aansprakelijkheid bestuurder bij misleiding over zekerheidsrecht

In deze civiele procedure tussen eiser en gedaagde, bestuurder van een vennootschap, staat centraal of eiser recht heeft op een ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht op onroerend goed. De rechtbank stelt vast dat gedaagde niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs tegen de stelling dat een dergelijk zekerheidsrecht was overeengekomen.

Verschillende getuigenverklaringen en schriftelijke stukken, waaronder brochures van de vennootschap, tonen tegenstrijdigheden maar leiden tot de conclusie dat eiser de versie van de brochure heeft ontvangen waarin een eersterangs zekerheidsrecht wordt toegezegd. Gedaagde heeft dit niet effectief kunnen weerleggen.

Eiser vordert schadevergoeding wegens onrechtmatige daad en bestuurdersaansprakelijkheid, stellende dat gedaagde hem heeft misleid en een vals certificaat heeft verstrekt. Gedaagde betwist dit en stelt te goeder trouw te hebben gehandeld.

De rechtbank oordeelt dat indien de stellingen van eiser juist zijn, gedaagde persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en aansprakelijk kan zijn naast de vennootschap. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van de misleiding en oplichting, waarna de zaak zal worden voortgezet.

De rechtbank houdt verdere beslissing aan en bepaalt een procedure voor bewijslevering, getuigenverhoren en verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank houdt verdere beslissing aan en staat eiser toe bewijs te leveren van misleiding door gedaagde over het zekerheidsrecht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/663868 / HA ZA 23-706
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend te Aruba,
eiser,
advocaat mr. M.J.A. Gaber te Heerlen,
tegen
[gedaagde],
wonend te Aruba,
gedaagde,
advocaat mr. M.Z.D. Nasrullah te ‘s-Gravenhage.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis van 14 augustus 2024 (hierna: het eerste tussenvonnis) en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
  • de akte uitlaten tevens akte inbrengen producties van [gedaagde] van 28 augustus 2024, met producties 8 tot en met 11;
  • de akte overleggen productie t.b.v. enquête van [gedaagde] van 18 april 2025, met producties 12 en 13;
  • het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 18 juni 2025;
  • de brief van [eiser] van 15 december 2025, met productie 15 t.b.v. de contra-enquête;
  • het proces-verbaal van contra-enquête van 7 januari 2026;
  • de verwijzing naar de rol van 4 februari 2026 voor beraad conclusie na enquête en contra-enquête ex artikel 2.29 LPR;
  • het verzoek van [eiser] op de rol van 4 februari 2026 om vonnis te wijzen en het uitblijven van bericht van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

De bewijslevering

2.1.
In het eerste tussenvonnis is [gedaagde] toegelaten tegenbewijs te leveren van de voorshands bewezen geachte stelling dat [bedrijf 1] en [eiser] zijn overeengekomen dat aan [eiser] een ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht op het onroerend goed zou worden verstrekt. [gedaagde] heeft van de gelegenheid tot bewijslevering gebruikgemaakt, door schriftelijke stukken in te brengen en door de Duitse advocaat [naam 1] (hierna: [naam 1]) en zichzelf als getuigen te laten horen. [eiser] heeft in contra-enquête zichzelf als getuige laten horen en bij die gelegenheid een aanvullende productie ingediend.
De verklaring van [naam 1] draagt niet bij aan het te leveren tegenbewijs
2.2.
[naam 1] heeft in algemene zin verklaard over de problematiek van de eersterangs Grundschuld. Hij legt daarbij uit wat volgens hem met het contract tussen [bedrijf 1] en [eiser] is bedoeld en dat in het contract niet staat dat de investeerders een eersterangs Grundschuld zouden krijgen. [naam 1] heeft verklaard dat hij niet aanwezig was bij de gesprekken tussen [gedaagde] en [eiser], dat hij geen informatie aan [eiser] heeft gestuurd voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst en ook verder geen contact heeft gehad met [eiser]. Gelet hierop zegt de verklaring van [naam 1] niets over wat tussen [eiser] en [gedaagde] al dan niet is overeengekomen.
De verklaring van [gedaagde] draagt niet bij aan het te leveren tegenbewijs omdat zij door de verklaring [eiser] wordt tegengesproken
2.3.
[gedaagde] heeft verklaard over hoe zijn contact met [eiser], via [naam 2] – die ook via [gedaagde] in vastgoed heeft geïnvesteerd – tot stand is gekomen en dat hij bij [eiser] op kantoor is geweest en vervolgens het contract heeft toegestuurd met zeven dagen bedenktijd. Dit is volgens [gedaagde] het enige gesprek geweest. [gedaagde] heeft verklaard dat hij in dat gesprek heeft uitgelegd dat er een gezamenlijke Grundschuld zou worden gevestigd ten behoeve van een nieuw op te richten BV. “
Na het storten van het bedrag had aan [eiser] duidelijk moeten zijn dat hij geen eerste Grundschuld voor zijn investering van 500k ontving omdat het pand voor 1,3 miljoen euro was aangekocht. Als dat niet was wat volgens [eiser] was overeengekomen had hij op dat moment aan de bel kunnen en moeten trekken”, aldus [gedaagde]. Op enig maar niet concreet bekend moment heeft [eiser] ook contact gehad met [naam 3], gelet op het tijdsverloop waarschijnlijk ergens tussen de datum van het gesprek tussen [gedaagde] en [eiser] en de ondertekening van het contract, maar in elk geval (ook) na de storting omdat [naam 3] dat hem heeft verteld, aldus ook [gedaagde].
2.4.
[eiser] heeft in contra-enquête zichzelf als getuige laten horen. Hij heeft verklaard dat [gedaagde] heeft verteld dat hij een eersterangs zekerheidsrecht zou krijgen. Verder heeft hij verklaard dat hij de ter gelegenheid van het verhoor in het geding gebrachte brochure heeft ontvangen, waaruit hierna bij 2.7 wordt geciteerd. [eiser] heeft ook verklaard dat hij bekend is met hoe het met zekerheden werkt bij investeringen en dat hij [naam 3] pas voor het eerst heeft gesproken toen het financieel mis ging.
2.5.
Het resultaat van de elkaar tegensprekende verklaringen van de partijgetuigen is dat daaruit niet kan worden vastgesteld wat al dan niet is besproken over het aan [eiser] te verstrekken zekerheidsrecht. Die verklaringen dragen dan ook niet bij aan het te leveren tegenbewijs.
De schriftelijke stukken ontzenuwen het voorshands oordeel niet
2.6.
[gedaagde] heeft een brochure van [bedrijf 1] in het geding gebracht die voorafgaand aan de investering per e-mail aan [eiser] zou zijn toegezonden. Als gevolg van het faillissement van [bedrijf 1] kan hij die e-mail niet achterhalen. In de door [gedaagde] overgelegde brochure staat:

Extra zekerheidsstelling voor uw kapitaal
Als u geld uitleent, wenst u uiteraard zekerheden om het risico op niet-terugbetaling zoveel mogelijk af te dekken. Hier is dit niet anders, u krijgt steeds een zekerheidsrecht onder de vorm van een Grundschuld. De hoogte van deze Grundschuld is gelijk aan uw inleg plus eenmaal de rente. Deze zekerheidsstelling wordt notarieel geformaliseerd door middel van in het Duitse Grundbuch (kadaster).”
2.7.
[eiser] heeft ook een brochure van [bedrijf 1] in het geding gebracht. In die versie van de brochure staat:

Extra zekerheidsstelling voor uw kapitaal
Als u geld uitleent, wenst u uiteraard zekerheden om het risico op niet-terugbetaling zoveel mogelijk af te dekken. Hier is dit niet anders. U krijgt steeds een eersterangs zekerheidsrecht onder de vorm van een
Grundschuld. De hoogte van deze
Grundschuldis gelijk aan uw inleg plus eenmaal de rente. Deze zekerheidsstelling wordt notarieel geformaliseerd door middel van inschrijving op naam van de investeerder in het Duitse Grundbuch (kadaster).”
2.8.
De rechtbank stelt vast dat er verschillende versies van de brochure in omloop zijn. [eiser] heeft gesteld dat hij de versie met het citaat bij 2.7 voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft ontvangen. [gedaagde] heeft dat niet betwist. Dit leidt tot de conclusie dat dit de versie is die [eiser] in handen had voordat hij de overeenkomst sloot. De stelling dat [eiser] een ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht zou krijgen vindt steun in de passage “
U krijgt steeds een eersterangs zekerheidsrecht (…)” en
“(…) inschrijving op naam van de investeerder in het Duitse Grundbuch” in deze brochure. De stelling van [gedaagde] (onder randnummer 27 van de conclusie van antwoord) dat op geen enkel moment is gesteld of gesuggereerd dat een Grundschuld op naam van [eiser] zou worden gevestigd is dan ook onjuist.
Conclusie voor de tegenbewijslevering
2.9.
[gedaagde] is niet geslaagd in het door hem te leveren tegenbewijs. Dit betekent dat de in het tussenvonnis voorshands bewezen geachte stelling dat [bedrijf 1] en [eiser] zijn overeengekomen dat aan [eiser] een ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht op het onroerend goed zou worden verstrekt, is komen vast te staan.
Verdere beoordeling van de vorderingen
2.10.
[eiser] vordert schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen van [gedaagde]. [eiser] stelt dat [gedaagde] (als bestuurder van [bedrijf 1]) meer zekerheid heeft beloofd dan [bedrijf 1] aan [eiser] heeft gegeven. Hiervoor is vastgesteld dat [eiser] recht heeft op een ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht. Als onbetwist staat ook vast dat [eiser] dat zekerheidsrecht niet heeft gekregen. Verder staat vast dat [bedrijf 1] als gevolg van haar faillissement op 20 mei 2020 haar betalingsverplichtingen uit de overeenkomst en de verplichting tot de hiervoor beschreven zekerheidsstelling niet meer kan en zal nakomen. Dit betekent primair dat [bedrijf 1] jegens [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Daarmee heeft [eiser] in beginsel een vordering tot schadevergoeding als gevolg van die tekortkoming(en) op [bedrijf 1], maar die vordering is in deze procedure, waarin [bedrijf 1] geen partij is, niet aan de orde. [eiser] vordert schadevergoeding van [gedaagde], op grond van (i) (gewone) onrechtmatige daad, dan wel (ii) bestuurdersaansprakelijkheid.
2.11.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] hem met de voorgaande belofte welbewust heeft misleid en/of opgelicht. Hij voert aan dat [gedaagde] (als bestuurder van [bedrijf 1] en van [bedrijf 2]) nooit de intentie heeft gehad om de geldlening aan [eiser] terug te betalen en om de beloofde zekerheid te verstrekken en dat hij gelden uit [bedrijf 1] heeft weggesluisd. [gedaagde] heeft [eiser] wijsgemaakt dat [bedrijf 2] de gevestigde zekerheid (de Grundschuld) aan hem heeft overgedragen. Als bewijs daarvan heeft [eiser] het bij 2.5 van het eerste tussenvonnis genoemde certificaat ontvangen. Dat certificaat is volgens [eiser] vals en van geen waarde. De echte Grundschuldbrief (zie 2.3 van het eerste tussenvonnis) is nooit aan [eiser] overhandigd. Sterker, de voor overdracht vereiste overeenkomst bestaat niet, zo heeft [naam 3] in een e-mail laten weten. [gedaagde] wist dan wel behoorde te weten dat de Grundschuldbrief niet aan [eiser] is overgedragen. Desondanks heeft [gedaagde] het gefabriceerde ‘certificaat’ aan [eiser] verstrekt. Dat [bedrijf 1] nu ook in staat van faillissement is verklaard en dat [gedaagde] niet meewerkt aan de afwikkeling van het faillissement maakt des te meer duidelijk dat sprake is van een vooropgezet plan, aldus [eiser]. [gedaagde] heeft welbewust en tegen beter weten in de schijn gewekt dat aan hem een eersterangs zekerheidsrecht werd verstrekt, terwijl dat niet zo was. De lening van [eiser] is door dit welbewuste handelen onverzekerd gebleven. [gedaagde] heeft hiermee een op hem rustende zorgvuldigheidsnorm geschonden en is reeds daarom aansprakelijk jegens [eiser]. Daarnaast valt hem als bestuurder van [bedrijf 1] een persoonlijk ernstig verwijt te maken omdat hij met het doorsluizen van de geleende gelden heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [bedrijf 1] haar verplichtingen jegens [eiser] niet nakomt en omdat hij [eiser] willens en wetens in strijd met de waarheid heeft voorgespiegeld dat hij een eersterangs ongedeeld zekerheidsrecht zou krijgen en daarmee [eiser] onder valse voorwendselen heeft bewogen tot het sluiten van de overeenkomst, aldus steeds [eiser].
2.12.
[gedaagde] betwist de stelling dat hij [eiser] welbewust om de tuin heeft geleid en stelt zich op het standpunt dat [eiser] wel degelijk een zekerheidsrecht in handen heeft waarmee hij bij [naam 3] terecht kan om zijn vordering (gedeeltelijk) te verhalen. Hij heeft steeds te goeder trouw gehandeld. Het certificaat is door [naam 3] opgesteld, ondertekend en aan [eiser] verstrekt, zodat niet [gedaagde] maar [naam 3] daarvoor verantwoordelijk is. Verder wil [gedaagde] wel medewerking verlenen aan de afwikkeling van het faillissement van [bedrijf 1], maar bevinden de relevante stukken zich onder [naam 3]. Er is geen geld weggesluisd want met het door [eiser] geïnvesteerde geld is door de Duitse projectvennootschap waarover in de overeenkomst wordt gesproken ([bedrijf 2] Holding GmbH) daadwerkelijk onroerend goed aangekocht. Aan [gedaagde] kan dan ook geen (ernstig) verwijt worden gemaakt.
2.13.
De rechtbank overweegt dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een overeenkomst of een onrechtmatige daad pleegt, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van die vennootschap. Voor deze aansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (vergelijk Hoge Raad 30 maart 2018; ECLI:NL:HR:2018:470 en de daarin opgenomen jurisprudentie).
2.14.
Met toepassing van deze maatstaf oordeelt de rechtbank dat als de stellingen van [eiser] juist zijn, [gedaagde] jegens [eiser] zodanig onbetamelijk heeft gehandeld dat hem hiervan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, zodat hij (naast [bedrijf 1]) ook persoonlijk aansprakelijk is voor de schade van [eiser].
2.15.
[gedaagde] heeft de stelling van [eiser] gemotiveerd betwist. Voor de verdere beoordeling betekent dit dat het aankomt op bewijslevering ten aanzien van het door [eiser] gestelde onrechtmatig handelen (zie 2.11). [eiser] wordt in de gelegenheid gesteld om dit bewijs te leveren op de in de beslissing vermelde wijze. Hiertoe wordt de zaak verwezen naar de daartoe bestemde rolzitting.
2.16.
De rechtbank houdt in afwachting van de bewijslevering door [eiser] iedere beslissing aan.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
laat [eiser] toe te bewijzen dat [gedaagde] [eiser] heeft opgelicht en/of misleid, door:
  • welbewust en tegen beter weten in meer zekerheid te beloven dan te geven;
  • de illusie te wekken dat er ten behoeve van [eiser] een ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht is gevestigd, wetende dat niet aan de vereisten voor overdracht van een zekerheidsrecht aan [eiser] is voldaan;
  • willens en wetens een vals en waardeloos certificaat (zie 2.5 van het eerste tussenvonnis) aan [eiser] te verstrekken;
  • het ontbreken van de intentie om de door [bedrijf 1] van [eiser] ontvangen geldlening terug te betalen en in dat verband het welbewust doorsluizen van gelden van [bedrijf 1] naar andere entiteiten.
3.2.
bepaalt dat [eiser] zich op de rol van
22 april 2026bij akte mag uitlaten over de vraag of en, zo ja, hoe hij bewijs wil leveren;
3.3.
bepaalt dat als [eiser] het bij 3.1 genoemde bewijs wil leveren door middel van schriftelijke stukken, hij deze stukken ook op de bij 3.2 genoemde datum in het geding moet brengen;
3.4.
bepaalt dat als [eiser] getuigen wil laten horen, hij op de bij 3.2 vermelde datum de namen van de getuigen evenals de verhinderdata van partijen, hun advocaten en de getuigen in de periode mei tot en met oktober 2026 moet opgeven, waarna een datum voor verhoor zal worden bepaald;
3.5.
bepaalt dat als [gedaagde] getuigen in contra-enquête wil voorbrengen, hij bij de opgave van verhinderdata rekening moet houden met de in dat kader (vermoedelijk) te horen getuigen; voor contra-enquête zal een dag en tijdstip worden gereserveerd;
3.6.
bepaalt dat het eventuele getuigenverhoor zal plaatsvinden op een zitting van
mr. A.C. Rop in het gerechtsgebouw in Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100-125;
3.7.
bepaalt dat partijen uiterlijk tien dagen voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten sturen;
3.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Rop en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
3268/2819