ECLI:NL:RBROT:2026:390
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na overlijden verzoekster tegen beëindiging Wmo-ondersteuningsarrangement
Verzoekster had een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend gekregen op grond van de Wmo 2015, dat met ingang van 10 augustus 2025 werd beëindigd wegens het niet verschijnen bij evaluatiegesprekken. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. Voor de behandeling van het verzoek overleed verzoekster op 11 oktober 2025.
De zoon van verzoekster, tevens haar mantelzorger en budgethouder, meldde zich als partij om de procedure voort te zetten. De voorzieningenrechter erkende het procesbelang van de zoon, mede omdat het geschil ook betrekking had op kosten die mogelijk met het pgb over de periode voor het overlijden gedekt hadden kunnen worden.
Echter, omdat het overlijden van verzoekster de noodzaak van de maatwerkvoorziening heeft doen vervallen, is er geen spoedeisend belang meer. De zaak betreft nu slechts een financieel belang dat kan worden afgewacht. Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het spoedeisend belang is komen te vervallen door het overlijden van verzoekster.