Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3866

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
12022750 VV EXPL 25-782
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 lid 1 BWArt. 237 RvArt. 233 RvArt. 7:625 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing concurrentiebeding en toewijzing loonvordering in kort geding

In deze kortgedingprocedure vordert eiser schorsing van het concurrentie- en relatiebeding en betaling van achterstallig loon, vakantiegeld en vakantiedagen. Eiser werkte vanaf 1 augustus 2022 via detachering en vanaf 1 april 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst bij Zker Projects, met een concurrentie- en relatiebeding in de overeenkomst. Na opzegging per 31 oktober 2024 trad eiser per 1 januari 2025 opnieuw in dienst in een andere functie met een hoger salaris.

De kantonrechter oordeelt dat het concurrentie- en relatiebeding in de nieuwe arbeidsovereenkomst niet geldig is omdat deze niet schriftelijk is overeengekomen, een vereiste voor geldigheid. De eerdere schriftelijke bedingen golden niet meer vanwege functiewijziging en beëindiging van het eerdere contract. Daarom wordt de eis tot schorsing van deze bedingen afgewezen.

Wel wordt de vordering tot betaling van loon over december 2025, vakantiegeld en niet-genoten vakantiedagen toegewezen. De wettelijke verhoging en rente worden afgewezen omdat niet vaststaat of betaling te laat is vanwege een betwiste verrekening met een leaseautokostenafkoopbedrag. De tegeneis van Zker Projects tot betaling van dit afkoopbedrag wordt eveneens afgewezen. De proceskosten worden toegerekend aan Zker Projects en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Eis tot schorsing concurrentie- en relatiebeding afgewezen; loon, vakantiegeld en vakantiedagen toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12022750 VV EXPL 25-782
datum uitspraak: 5 maart 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [plaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. I.I.J. Slangen,
tegen
Zker Projects B.V.,
vestigingsplaats: Den Haag, kantoor Capelle aan den IJssel,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. B.C. Doolaard.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘Zker Projects’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 22 januari 2026, met bijlagen;
  • de akte vermeerdering van eis, met bijlagen;
  • de e-mail van Zker Projects, met bijlagen;
  • het antwoord en de eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van partijen.
1.2.
Op 12 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiser] en met
[naam 1] en [naam 2] (eigenaren) voor Zker Projects, en met de gemachtigden. Nadien hebben partijen geprobeerd samen tot een oplossing te komen. Dat is niet gelukt.

2.De beoordeling

Waar gaat het over?
2.1.1.
[eiser] heeft vanaf 1 augustus 2022 via detachering en vanaf 1 april 2024 op grond van een arbeidsovereenkomst gewerkt voor Zker Projects in de functie van Engineer Medior. De arbeidsovereenkomst bevat een concurrentiebeding en relatiebeding. Op
30 september 2024 heeft [eiser] dit dienstverband opgezegd per 31 oktober 2024. Per
1 november 2024 is [eiser] full time in dienst getreden bij een eerdere werkgever van hem. Desgevraagd heeft [eiser] vanaf die datum ook nog werkzaamheden verricht voor Zker Projects voor 12 uur per week om lopende projecten af te ronden. Met ingang van 1 januari 2025 is [eiser] weer volledig gaan werken voor Zker Projects maar vanaf toen in de functie van Teamleider Projecten in opleiding. Na vertrek van een collega is hij in augustus 2025 Teamleider Projecten geworden.
2.1.2.
Op 3 november 2025 heeft [eiser] in een gesprek met directeur [naam 1] te kennen gegeven te overwegen als zelfstandig ondernemer verder te gaan. Naar aanleiding hiervan heeft [naam 1] bij e-mail van 4 november 2025 onder meer aan [eiser] meegedeeld dat hij een opzegtermijn van één maand heeft, dat hij in overleg zijn verlofdagen kan opnemen, dat hij zoveel mogelijk taken bij zijn functie blijft uitvoeren, maar geen onderdeel meer is van het MT en niet deelneemt aan overleggen die te maken hebben met de organisatie na 1 januari 2026. Ook is [eiser] gewezen op een aantal bij naam genoemde klanten waarvoor hij niet zou mogen werken als zelfstandige en dat hij de eigen bijdrage voor zijn leaseauto zal moeten afkopen. Bij e-mail van 13 november 2025 is aan [eiser] meegedeeld dat alle verantwoordelijkheden verbonden aan de rol van teamleider (in opleiding) per direct worden overgedragen aan een collega van hem. Ook is hem te kennen gegeven dat hij dagelijks aanwezig dient te zijn op de locatie Capelle aan den IJssel gedurende 8,5 uur per dag, en dat het hem vanaf 17 november 2025 niet is toegestaan de locatie te Amersfoort te betreden en aanwezig te zijn op een kantoor van twee bij naam genoemde klanten gedurende de periode van zijn dienstverband bij Zker Projects. Bij e-mail van 14 november 2025 heeft [eiser] uiteengezet dat en waarom hij het hiermee niet eens is en verzocht zijn functie te respecteren. Diezelfde dag heeft hij zich ziekgemeld.
2.1.3.
Bij brief van 28 november 2025 heeft [eiser] zijn arbeidsovereenkomst opgezegd en te kennen gegeven dat 31 december 2025 zijn laatste werkdag zal zijn. Nadien is tussen partijen nog gecorrespondeerd, onder meer over verrekening van het afkoopbedrag van zijn leaseauto met het tegoed aan verlofdagen en loon van [eiser] . Ook is tussen partijen nog overleg gevoerd, onder andere in het kader van mediation.
2.2.
[eiser] eist na vermeerdering van eis - verkort weergegeven en zo de kantonrechter begrijpt - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. primair:
Zker Projects te gebieden zich met onmiddellijke ingang te onthouden van iedere handhaving van enig concurrentie- en/of relatiebeding tegenover hem nu tussen partijen geen geldig concurrentie- en/of relatiebeding (meer) bestaat;
subsidiair:
de werking van het concurrentie- en/of relatiebeding zoals opgenomen in
artikel 10 en Pro 11 van de arbeidsovereenkomst met als ingangsdatum 1 april 2024 te schorsen;
meer subsidiair:
de werking van voormeld concurrentie- en/of relatiebeding te schorsen voor zover het [eiser] beperkt in het verrichten van werkzaamheden voor of ten behoeve van Stedin (waaronder Stedin Netwerkbeheer B.V. en gelieerde entiteiten) en [naam 3] B.V.;
2. Zker Projects te veroordelen tot:
- betaling aan hem van het loon over de maand december 2025, althans het gedeelte daarvan dat ten onrechte verrekend is met (vermeende) leaseautokosten;
- betaling aan hem van het brutoloon over 22,71 aan niet genoten vakantiedagen;
- betaling aan hem van het vakantiegeld over de maand december 2025;
- een en ander met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro;
- verstrekking van een gecorrigeerde specificatie van de eindafrekening van het loon van december 2025, van de 22,71 vakantiedagen en het vakantiegeld over december 2025;
- betaling aan hem van de proceskosten en de nakosten, met rente.
2.3.
Zker Projects eist bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen tot betaling aan haar van primair € 10.277,- , subsidiair € 6.552,76 of meer subsidiair
€ 2.504,96 aan afkoopbedrag voor de eigen bijdrage van zijn leaseauto, en in de proceskosten.
Wat vindt de kantonrechter
Beoordelingskader in kort geding
2.4.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat eiser heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor gedaagde als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Afwijzing van het door [eiser] geëiste onder 1
2.5.
Het geëiste onder 1 wordt afgewezen. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] geen (spoedeisend) belang hierbij heeft. De reden hiervoor is dat naar het zich voorshands laat aanzien in de inmiddels beëindigde arbeidsovereenkomst tussen partijen geen (geldig) concurrentie- en relatiebeding overeengekomen is. Het betreft de arbeidsovereenkomst die partijen zijn aangegaan per 1 januari 2025. Die is niet schriftelijk aangegaan, wat een vereiste is voor de geldigheid van deze bedingen [1] . Anders dan door Zker Projects is aangevoerd, lijkt het voorshands geen voortzetting te zijn geweest van de eerdere arbeidsovereenkomst tussen partijen, waarin wel zulke bedingen schriftelijk waren opgenomen in de artikelen 10 en 11. Onderbouwd gesteld is dat die eerdere arbeidsovereenkomst voor de functie van Medior Engineer door opzegging door [eiser] geëindigd is op 31 oktober 2024. De functie die [eiser] nadien vanaf 1 januari 2025 is gaan verrichten voor Zker Projects is een andere functie, namelijk die van Teamleider Projecten in opleiding, met deels andere werkzaamheden en met een veel hoger loon dan in de functie van Medior Engineer, wat ook met zich brengt dat genoemde bedingen opnieuw schriftelijk hadden moeten worden overeengekomen.
Gedeeltelijke toewijzing van het door [eiser] onder 2 geëiste
2.6.
Niet is in geschil dat [eiser] recht heeft op loon over de maand december 2025, het vakantiegeld over die maand, en het brutoloon over 22,71 niet genoten vakantiedagen. Dat maakt dat deze eisen toewijsbaar zijn. Anders dan geëist worden de hiermee gemoeide bedragen niet vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro. De reden hiervoor is dat thans niet vastgesteld kan worden of Zker Projects te laat is met de betaling, omdat zij zich beroept op verrekening met een substantieel afkoopbedrag aan eigen bijdrage voor de leaseauto van [eiser] . Verrekening is een vorm van betaling. Als het beroep op verrekening terecht is, dan lijken de door [eiser] geëiste bedragen op die manier (grotendeels) te zijn voldaan. Dat kan nu echter niet worden vastgesteld gelet op het aangevoerde door [eiser] dat het met hem gesloten leasecontract geen grondslag biedt om het afkoopbedrag bij hem in rekening te brengen en dat hij niet ingestemd heeft met de Zker Mobiliteitsregeling. Naar zijn aard is de kort geding procedure minder geschikt voor het leveren van bewijs op dit punt en gelegenheid daartoe wordt dan ook niet geboden. Dat leidt ertoe dat de eis van [eiser] wordt toegewezen, omdat de gegrondheid van het beroep op verrekening door Zker Projects niet op eenvoudige wijze is vast te stellen.
Afwijzing tegeneis van Zker Projects
2.7.
Om de hierboven onder 2.6. vermelde reden wordt de tegeneis met betrekking tot het afkoopbedrag voor de eigen bijdrage van de leaseauto van [eiser] afgewezen.
Proceskosten
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van Zker Projects, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt [2] . De kantonrechter begroot de kosten die Zker Projects aan [eiser] moet betalen op € 155,67 aan dagvaardingskosten, € 93,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.257,67. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard [3] , omdat [eiser] dat eist en Zker Projects daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt Zker Projects om:
- aan [eiser] het loon over de maand december 2025 te betalen;
- aan [eiser] het vakantiegeld over de maand december 2025 te betalen;
- aan [eiser] het brutoloon over 22,71 aan niet genoten vakantiedagen te betalen;
- aan [eiser] een gecorrigeerde specificatie te verstrekken van de eindafrekening van het loon van december 2025, van het vakantiegeld over december 2025, en van de uitbetaling van de 22,71 vakantiedagen;
3.2.
veroordeelt Zker Projects in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.257,67 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Artikel 7:653 lid 1 BW Pro
2.Artikel 237 Rv Pro
3.Artikel 233 Rv Pro