Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3833

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/10/715963 / KG ZA 26-223
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing uitsluitend gebruik gezamenlijke woning aan moeder met kinderen na relatiebreuk

In deze kort gedingprocedure vorderen partijen, ex-partners die samen een woning bezitten, het exclusieve gebruik van de woning na hun relatiebreuk. De moeder met haar twee minderjarige kinderen, die zorg en rust nodig hebben, verzoekt om het uitsluitend gebruik voor zes maanden toe te kennen. De ex-partner vordert eveneens het exclusieve gebruik en daarnaast dat de moeder meewerkt aan de verkoop van de woning.

De voorzieningenrechter weegt de belangen van beide partijen af. De moeder en haar kinderen hebben een zwaarder belang bij het gebruik van de woning vanwege de zorgbehoefte van de kinderen, waaronder stressgerelateerde problemen en naderende eindexamens. De ex-partner beschikt niet over andere woonruimte, maar zijn situatie weegt minder zwaar omdat hij een eenpersoonshuishouden voert en er mogelijkheden zijn voor tijdelijke huisvesting.

De rechtbank wijst het exclusieve gebruik toe aan de moeder voor zes maanden, met ingang van 8 april 2026, en veroordeelt de ex-partner de woning uiterlijk 7 april 2026 te verlaten, onder dreiging van een dwangsom. De tegenvorderingen van de ex-partner, waaronder medewerking aan verkoop en oplevering, worden afgewezen. De moeder wordt veroordeeld de hypotheeklasten vanaf 8 april 2026 te dragen. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Exclusief gebruik woning wordt toegekend aan moeder met kinderen voor zes maanden; ex-partner moet woning binnen een week verlaten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaak- en rolnummer: C/10/715963 / KG ZA 26-223
Vonnis in kort geding van 31 maart 2026
in de zaak van
[eisende],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
advocaat: mr. I. van Meeteren,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
advocaat: mr. Y. Sijberden.
Partijen worden hierna [eisende] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 maart 2026, met drie bijlagen;
- de conclusie van antwoord, met twaalf bijlagen;
- de drie aanvullende bijlagen van [eisende] ;
- de mondelinge behandeling op 27 maart 2026.

2.De zaak in het kort

De feiten
2.1.
[eisende] en [gedaagde] hadden een relatie. Zij hebben in 2020 samen een huis gekocht [adres] , hierna: de woning). Er is geen samenlevingscontract gesloten. [eisende] heeft de zorg voor twee minderjarige kinderen uit een eerdere relatie, die met partijen in de woning woonden. [gedaagde] heeft een minderjarige zoon uit een eerdere relatie, die in het verleden afwisselend bij zijn ouders verbleef en op dit moment bij zijn moeder woont. [eisende] heeft de relatie met [gedaagde] op 6 februari 2026 verbroken en is toen met haar kinderen uit de woning vertrokken.
De beslissingen
2.2.
Beide partijen vorderen het uitsluitende gebruik van de woning voor een bepaalde periode. De vorderingen van [eisende] worden toegewezen. [gedaagde] stelt vorderingen in die erop neerkomen dat [eisende] moet meewerken aan de verkoop van de woning. Die vorderingen worden afgewezen. Deze beslissingen worden hieronder toegelicht.

3.Het geschil

3.1.
[eisende] vordert samengevat om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat [eisende] het exclusieve gebruik van de woning krijgt toegekend voor de duur van zes maanden;
[gedaagde] te veroordelen de woning binnen 24 uur na betekening van het vonnis te verlaten en daarna gedurende zes maanden niet meer te betreden, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 250,00 per dag, tot een maximum van € 10.000,00;
[gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende] . [gedaagde] stelt tegenvorderingen in en vordert samengevat om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
het exclusieve gebruik van de woning aan [gedaagde] toe te kennen met ingang van de datum van het vonnis tot en met de datum van levering van de woning aan kopers;
veroordeling van [eisende] om binnen één week na betekening van het vonnis de sleutels in te leveren bij de deurwaarder of de advocaat van [gedaagde] ;
[eisende] te verbieden de woning en het erf te betreden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [gedaagde] , op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 250,00 per dag, tot een maximum van € 10.000,00;
[eisende] te veroordelen om:
a. binnen zeven dagen na betekening van het vonnis (met [gedaagde] ) de opdracht tot verkoop van de woning aan OZP makelaars te verstrekken;
b. binnen achtentwintig dagen na betekening van het vonnis de woning op Funda in de verkoop te laten zetten door de makelaar;
c. alle adviezen en aanwijzingen van de makelaar van partijen op te volgen, waaronder de actuele geadviseerde verkoop- en laatprijs, alsmede het plaatsen van een verkoopbord in de voortuin van de woning;
d. de woning open te stellen voor bezichtigingen van potentiële kopers en daartoe een sleutel van de woning op het makelaarskantoor af te geven;
e. de woning op orde te brengen en te houden voor bezichtigingen en aanwijzingen van de makelaar ter zake op te volgen;
f. niet aanwezig te zijn bij bezichtigingen in de woning en geen contact op te nemen met potentiële kopers;
op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [eisende] na betekening van het vonnis weigert aan de veroordelingen onder b tot en met f te voldoen, met een maximum van € 25.000,00;
5. [eisende] te veroordelen om een verkoopovereenkomst aan te gaan met de kandidaat-koper(s) die het beste bod doet/doen, waarbij in het geval partijen het daar niet over eens worden de makelaar dit bindend zal kunnen bepalen;
6. [eisende] te veroordelen om alle adviezen en aanwijzingen van de makelaar in het kader van de oplevertermijn op te volgen en de woning te verlaten binnen de door de makelaar gestelde oplevertermijn, op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [eisende] na betekening van het vonnis weigert aan deze veroordeling te voldoen;
7. [eisende] te veroordelen om op eerste verzoek van zowel [gedaagde] als de notaris binnen één week mee te werken aan het notarieel transport van de woning;
8. te bepalen dat dit vonnis, zodra [eisende] niet haar onvoorwaardelijke medewerking verleent aan de veroordelingen vermeld in 4 onder a, 5 en 7, in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring en handtekening van [eisende] die nodig is voor het in de verkoop plaatsen van de woning, het sluiten van de koopovereenkomst en de juridische levering (transportakte) van de eigendom van de woning aan de koper;
9. [eisende] te veroordelen de nog te verschijnen maandelijkse hypothecaire verplichtingen tot aan de datum van levering van de woning te voldoen;
kosten rechtens.

4.De beoordeling

Het toetsingskader in kort geding
4.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of partijen ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang hebben. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop het treffen van voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken.
De beoordeling van het geschil
4.2.
[eisende] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Zij zag zich genoodzaakt om haar relatie met [gedaagde] te verbreken en de gezamenlijke woning samen met haar dochters te verlaten, omdat zij de situatie in de woning als onveilig ervoer voor haar kinderen en voor haarzelf. [eisende] wil terug naar de woning omdat zij wil zorgen voor een rustig leefklimaat voor haar dochters. Een van haar dochters heeft zorg nodig en ervaart veel stress en druk vanwege de situatie. De oudste dochter heeft binnenkort eindexamens en ook daardoor baat bij een rustige en bekende omgeving, zodat zij zich kan voorbereiden op haar eindexamens. De schoolprestaties van de jongste dochter gaan hard achteruit en ook zij is gebaat bij rust en stabiliteit in de komende periode.
[gedaagde] erkent dat zijn gedrag af en toe als dwingend kan worden ervaren, maar betwist voor het overige wat [eisende] over zijn gedrag en de relatie heeft gesteld. [gedaagde] vordert net als [eisende] het uitsluitende gebruik van de woning, totdat de woning is verkocht aan een derde. [gedaagde] legt daaraan ten grondslag dat hij niet over andere woonruimte beschikt, het financieel niet breed heeft en niet (tijdelijk) bij zijn moeder kan verblijven. [eisende] is degene die de relatie heeft beëindigd en de woning heeft verlaten, niet [gedaagde] .
4.3.
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag wie van partijen het meeste belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de woning in de komende periode. Nu beide partijen een belang hebben bij het gebruik van de woning is de voorzieningenrechter genoodzaakt een belangenafweging te maken.
4.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van [eisende] en haar dochters zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] . De voorzieningenrechter kan en zal in deze procedure niet vaststellen wat er in de relatie tussen [eisende] en [gedaagde] is gebeurd (of juist niet is gebeurd) en wat daarvan de impact op de dochters van [eisende] is. Het gegeven dat [eisende] de relatie heeft verbroken en de woning met haar dochters heeft verlaten, betekent niet dat [gedaagde] meer rechten op de woning heeft; de woning is nog steeds van hen samen. [eisende] en haar dochters verblijven sinds hun vertrek steeds gedurende korte tijd op verschillende locaties. Dat is volgens [eisende] niet langer houdbaar vanwege de situatie met haar dochters. De ene dochter heeft zorg en begeleiding nodig vanwege verschijnselen van automutilatie als gevolg van stress. Daarnaast heeft de oudste dochter binnenkort eindexamens en ook om die reden belang bij een snelle terugkeer naar de woning en rust. De jongste dochter heeft ADD en kan zich door de situatie moeilijk concentreren op de dingen die voor haar belangrijk zijn, zoals school. De behandelend jeugdpsychiater heeft deze zorgen ook geuit, zoals blijkt uit de bijlagen bij de dagvaarding. De behandelend psychiater schrijft onder meer dat er zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen.
4.5.
De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] momenteel niet beschikt over andere woonruimte en het financieel niet breed heeft, omdat hij uitsluitend een Ziektewetuitkering ontvangt. De voorzieningenrechter weegt mee dat [gedaagde] een eenpersoonshuishouden heeft. De zoon van [gedaagde] verblijft elders. Er was weliswaar omgang tussen [gedaagde] en zijn zoon, maar op dit moment zien zij elkaar niet en [eisende] heeft er onweersproken op gewezen dat [gedaagde] de inrichting van de slaapkamer van zijn zoon te koop heeft gezet. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij onder bepaalde voorwaarden bereid is de woning op 18 april 2026 te verlaten, wat niet in de richting wijst dat het verlaten van de woning voor hem onoverkomelijk is. [eisende] heeft de zorg voor twee minderjarige kinderen die bij haar wonen en zorg en rust nodig hebben. De niet nader onderbouwde stelling van [gedaagde] dat [eisende] nu met haar dochters bij een oudere vrouw verblijft en daar niet weg hoeft, doet niet af aan het belang van de kinderen bij een zelfstandige en stabiele woonsituatie. Vervangende tijdelijke woonruimte is over het algemeen gemakkelijker te vinden voor één persoon dan voor drie personen. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat het voor [gedaagde] in beginsel eenvoudiger is om geschikte alternatieve tijdelijke woonruimte te vinden dan voor [eisende] . Uit de verklaring van de moeder van [gedaagde] volgt bijvoorbeeld niet dat het redelijkerwijs niet mogelijk is dat hij tijdelijk bij haar gaat wonen.
De vorderingen in conventie worden (gedeeltelijk) toegewezen
4.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat vordering 1 van [eisende] wordt toegewezen. De door [eisende] gevorderde duur van zes maanden voor uitsluitend gebruik acht de voorzieningenrechter niet onredelijk, omdat het niet waarschijnlijk is dat het verkoopproces van de woning – waaraan [eisende] stelt haar medewerking te zullen verlenen – binnen die tijd leidt tot verkoop van de woning én verhuizing van de kopers naar de woning. Mocht dit toch sneller gaan, dan ligt het in de rede dat partijen met elkaar in overleg treden. Er is geen reden om een voorziening te treffen voor als het verkoopproces langer dan zes maanden duurt, alleen al omdat [eisende] dat niet heeft gevorderd.
4.7.
[eisende] vordert onder 2 dat [gedaagde] wordt veroordeeld de woning binnen 24 uur te verlaten. [gedaagde] gaf aan op 18 april 2026 eventueel de woning te kunnen verlaten. Dat is voor [eisende] te laat, omdat de eindexamens van haar oudste dochter voor de deur staan.
4.8.
De voorzieningenrechter acht de gevorderde termijn van 24 uur te kort. De voorzieningenrechter veroordeelt [gedaagde] de woning uiterlijk één week na dit vonnis te verlaten, dat wil zeggen uiterlijk op 7 april 2026. Deze termijn biedt [gedaagde] voldoende ruimte om zijn spullen voor zover nodig te verhuizen naar een andere (tijdelijke) woning. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De tegenvorderingen van [gedaagde] 1 tot en met 8 worden afgewezen, vordering 9 wordt toegewezen
4.9.
Gezien het voorgaande worden de tegenvorderingen onder 1 tot en met 3 afgewezen.
4.10.
[gedaagde] vordert verder dat [eisende] wordt veroordeeld mee te werken aan de verkoop van de woning. Volgens [gedaagde] werkt [eisende] hier niet aan mee.
De voorzieningenrechter wijst deze vorderingen af. [eisende] heeft benadrukt dat ook zij wil dat de woning wordt verkocht, dat zij daaraan zal meewerken en ter zitting hebben (de advocaten van) partijen afgesproken hierover binnen twee weken in gesprek te gaan. [gedaagde] stelt weliswaar dat [eisende] niet meewerkt aan de verkoop, maar hij heeft dat niet met stukken of argumenten onderbouwd. Gelet hierop is er (in ieder geval op dit moment) geen reden om een of meer van de door [gedaagde] gevraagde veroordelingen uit te spreken.
4.11.
De voorzieningenrechter wijst de tegenvordering onder 9 wel toe. Aangezien [eisende] het uitsluitende gebruik van de woning krijgt toegewezen, is het redelijk dat de vanaf 8 april 2026 te verschijnen maandelijkse hypothecaire verplichtingen voor haar rekening komen. Gelet op zijn financiële situatie heeft [gedaagde] daar ook een voldoende spoedeisend belang bij. Daarbij geeft de voorzieningenrechter aan partijen mee dat de hypothecaire verplichtingen over april 2026 naar rato dienen te worden verdeeld. Mocht [eisende] in de periode vanaf 6 februari 2026 hebben bijgedragen in deze maandlasten, dan ligt het in de rede dat [gedaagde] haar hiervoor compenseert. Vanaf die datum woont hij (tot en met uiterlijk 7 april 2026) als enige in de woning en gelet op vordering 9 ligt het ook volgens hemzelf in de rede dat wie alleen in de woning woont, deze lasten volledig draagt.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.12.
[eisende] vordert [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en gelet op de formulering ‘kosten rechtens’ lijkt [gedaagde] het omgekeerde te vorderen. Gelet op de voormalige relatie tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet in wat [eisende] over de relatie heeft gesteld geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken, omdat [gedaagde] deze stellingen betwist en het te ver voert om in deze kort gedingprocedure nader onderzoek te doen naar de relatie en zeker om dat uitsluitend met het oog op de proceskosten te doen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
wijst het uitsluitende gebruik van de woning met ingang van 8 april 2026 voor de duur van zes maanden toe aan [eisende] ;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om de woning uiterlijk op 7 april 2026 te verlaten, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte van een dag dat hij na betekening van dit vonnis niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00;
in reconventie
5.3.
veroordeelt [eisende] om de maandelijkse hypothecaire lasten van de woning met ingang van 8 april 2026 volledig te voldoen;
in conventie en in reconventie
5.4.
verklaart 5.2 en 5.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
4041/3194