Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3831

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
ROT 24/7533
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2 WhtArt. 2.3 WhtArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen compensatiebesluit Wet hersteloperatie toeslagen met schadevergoeding redelijke termijn

Eiseres, aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire, heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Dienst Toeslagen waarin een compensatiebedrag van €31.588,- is vastgesteld op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is omdat eiseres de kinderopvangtoeslag zelf heeft stopgezet per 30 september 2014, waardoor geen recht bestaat op compensatie over de periode daarna. Het beroep op specifieke paragrafen van het Handboek Integrale Beoordeling wordt verworpen. Eiseres kan haar schadepost inbrengen bij de Commissie werkelijke schade.

Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep is overschreden met zestien maanden. De rechtbank veroordeelt Dienst Toeslagen en de Staat tot betaling van een schadevergoeding van in totaal €1.500,- aan eiseres, waarbij de proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding eveneens worden toegewezen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft het bestreden besluit en veroordeelt beide partijen tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het compensatiebesluit wordt ongegrond verklaard en er wordt een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/7533

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. van den Ende),
en

de Dienst Toeslagen,

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

1.1.
Met vier besluiten van 16 mei 2022 (kenmerken [kenmerk 1] , [kenmerk 2] , [kenmerk 3] en [kenmerk 4] ) heeft de Dienst Toeslagen besloten over de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Aan eiseres is een compensatiebedrag van € 28.756,- toegekend over de jaren 2009, 2011 en 2014.
1.2.
Met een besluit van 9 juli 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de Dienst Toeslagen gedeeltelijk aan het bezwaar van eiseres tegemoetgekomen. Het compensatiebedrag is gewijzigd vastgesteld op € 31.588,-.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres heeft op 6 februari 2020 een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag op grond van de Wht. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. In het bestreden besluit is het compensatiebedrag vastgesteld op € 31.588,-.
3. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de nihilbeschikking over 2014 vooringenomen is gehandeld. Eiseres heeft volgens de Dienst Toeslagen recht op compensatie over de maand september 2014. Daarbij is van belang dat de kinderopvangtoeslag was aangevraagd vanaf 1 september 2014 en eiseres de kinderopvangtoeslag zelf heeft stopgezet met ingang van 30 september 2014. Over de periode daarna bestaat daarom volgens de Dienst Toeslagen geen recht op compensatie.
4. Eiseres heeft aangevoerd dat de stopzetting van de kinderopvangtoeslag per
30 september 2014 geen vrije keuze van eiseres was, maar een gevolg was van financiële en psychische druk door eerdere terugvorderingen. Eiseres heeft door deze situatie schade geleden. Eiseres maakt daarom aanspraak op compensatie voor de gehele periode na
30 september 2014. Eiseres heeft een beroep gedaan op de paragrafen 3.1.5 en 3.1.5a van het Handboek Integrale Beoordeling, versie 3.16, van de Dienst Toeslagen.
5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft kinderopvangtoeslag aangevraagd vanaf 1 september 2014. Vervolgens heeft eiseres de kinderopvangtoeslag met ingang van 30 september 2014 stopgezet. De hoogte van de compensatie is gekoppeld aan het bedrag dat niet is toegekend of teruggevorderd vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van kinderopvangtoeslag. [1] Wegens de stopzetting door eiseres is voor de periode vanaf 30 september 2014 van zo’n beschikking geen sprake. Het beroep op de paragrafen 3.1.5 en 3.1.5a van het Handboek Integrale Beoordeling slaagt niet. In de hierin beschreven situaties ontstaat pas een recht op compensatie als wordt voldaan aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag. In dit geval staat echter vast dat eiseres na
30 september 2014 geen kinderopvang meer heeft afgenomen. Zoals ter zitting is besproken, kan eiseres de door haar gestelde schadepost inbrengen in de lopende procedure bij de Commissie werkelijke schade.
6. Eiseres heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn. [2] De redelijke termijn is overschreden wanneer de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op de dag van de ontvangst van het eerste bezwaarschrift door de Dienst Toeslagen, te weten
1 december 2022. Op de datum van de uitspraak is de termijn met zestien maanden overschreden. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Eiseres heeft dus recht op € 1.500,-. De bezwaarprocedure heeft ongeveer dertien maanden te lang geduurd, de procedure bij de rechtbank ongeveer drie maanden te lang. De rechtbank zal, gelet hierop, bepalen dat € 1.200,- door de Dienst Toeslagen zal moeten worden betaald en € 300,- door de Staat.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
8. Eiseres heeft recht op € 1.500,- in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De Dienst Toeslagen dient daarvan € 1.200,- te betalen en de Staat € 300,-. Eiseres heeft verder recht op vergoeding van haar proceskosten in verband met het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). Daarvan dienen zowel de Dienst Toeslagen als de Staat € 233,50 te betalen.

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep ongegrond;
-veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 1.200,-;
-veroordeelt de Staat tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 300,-;
-veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50;
-veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.2, aanhef en onder a, en artikel 2.3, eerste lid, van de Wht.
2.Als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.