Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3815

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/10/714658 / JE RK 26-262 (B)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 789 RvArt. 798 RvArt. 6 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om belanghebbende te worden aangemerkt in ondertoezichtstelling minderjarige

De rechtbank Rotterdam behandelde op 20 maart 2026 het verzoek van een informant om als belanghebbende te worden aangemerkt in de procedure waarin de Raad voor de Kinderbescherming een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige verzoekt.

De informant stelde dat hij al langer dan een jaar zorg draagt voor de minderjarige en daardoor een gezinsband heeft, wat hem belanghebbende zou maken. De moeder en de bijzondere curator voerden verweer dat de zorgtermijn van een jaar niet is bereikt, aangezien de zorg pas na het overlijden van de vader in november 2025 is aangevangen.

De kinderrechter overwoog dat het begrip belanghebbende strikt moet worden uitgelegd en dat de informant geen ouderlijk gezag heeft. De gevraagde maatregelen raken niet rechtstreeks zijn rechten of verplichtingen. Ook is niet voldaan aan het criterium van minimaal een jaar zorg en opvoeding binnen het gezin.

Daarom wees de rechtbank het verzoek af. De beslissing is openbaar uitgesproken en schriftelijk vastgelegd op 1 april 2026. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: Verzoek om als belanghebbende te worden aangemerkt wordt afgewezen wegens niet voldoen aan wettelijke criteria.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714658 / JE RK 26-262 (B)
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking op een verzoek om als belanghebbende te worden aangemerkt
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudende te Rotterdam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
Mr. L.A. Middelkoop,
hierna te noemen: de bijzondere curator, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[persoon A] ,
hierna te noemen: dhr. [persoon A] .

1.Het verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit:
  • het verzoek van mr. de Bruin van 4 maart 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • het bericht van de rechtbank van 11 maart 2026 aan mr. De Bruin dat dhr. [persoon A] als informant wordt aangemerkt;
  • de oproep van dhr. [persoon A] als informant van 11 maart 2026.
1.1.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon B] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon C] ;
- dhr. [persoon A] , bijgestaan door mr. P.H. de Bruin.
1.2.
Bijzondere toegang is verleend aan mr. R.F.J. Dickhoff, kantoorgenoot van mr. Middelkoop.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in het huis van haar overleden vader samen met een vriend van haar vader, dhr. [persoon A] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 december 2025 [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 15 maart 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg verleend tot 15 maart 2026. Bij diezelfde beschikking van 15 december 2025 is mr. L.A. Middelkoop benoemd tot bijzondere curator over [voornaam minderjarige] tot 15 maart 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 maart 2026 mr. L.A. Middelkoop herbenoemd tot bijzondere curator over [voornaam minderjarige] tot 21 maart 2026.
2.5.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] bij dhr. [persoon A] voor de duur van zes maanden.
2.6.
De kinderrechter heeft dhr. [persoon A] ten aanzien van dit verzoek aangemerkt als informant.

3.Het verzoek

3.1.
Dhr. [persoon A] verzoekt de rechtbank om hem als belanghebbende aan te merken in de procedure waarin door de Raad de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] voor de duur van een jaar wordt verzocht en een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] bij dhr. [persoon A] voor de duur van zes maanden (zaaknummer C/10/714658 / JE RK 26-262 (A)).
3.2.
Door en namens dhr. [persoon A] wordt het verzoek ter zitting onder verwijzing naar het verzoekschrift nader toegelicht. De advocaat verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Hoge Raad van 15 november 2024 (ECLI:HR:2024:1667). Deze uitspraak geeft nadere uitleg aan artikel 789, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en verwijst naar artikel 6 en Pro 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Hieruit volgt dat iemand belanghebbend is wanneer hij de minderjarige ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. Aan deze termijn wordt voldaan nu dhr. [persoon A] al langer dan een jaar voor [voornaam minderjarige] zorgt. Hij is in maart 2025 bij de vader en [voornaam minderjarige] ingetrokken en heeft sindsdien de vader ondersteund bij de opvoeding van [voornaam minderjarige] door haar naar school te halen en brengen. Hierdoor is er sprake is van family life tussen dhr. [persoon A] en [voornaam minderjarige] . Dit maakt dat beslissing om [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen, een inmenging in het gezinsleven van dhr. [persoon A] is, waardoor hij betrokken moet worden bij het proces en de besluitvorming als belanghebbende. Naar aanleiding van het standpunt van de bijzondere curator geeft dhr. [persoon A] desgevraagd aan open te staan voor een mediationtraject met de moeder.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder wordt ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van dhr. [persoon A] . Er wordt niet voldaan aan het criterium van belanghebbende omdat dhr. [persoon A] nog geen jaar de zorg voor [voornaam minderjarige] draagt. Sinds het overlijden van de vader in november 2025 is deze termijn aangevangen. Dat dhr. [persoon A] de vader de periode daarvoor afgaand heeft ondersteund, maakt niet dat de termijn eerder is aangevangen. De moeder staat desgevraagd momenteel niet open voor een mediationtraject met dhr. [persoon A] .
4.2.
De bijzondere curator refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter. Wel is het in het belang van [voornaam minderjarige] dat de moeder en dhr. [persoon A] met elkaar in contact treden over zaken die [voornaam minderjarige] aangaan. Hiervoor kan mediation passend zijn, maar de partijen moeten hiervoor open staan. Het is de vraag of dhr. [persoon A] hiervoor in aanmerking komt in hoedanigheid van informant. Indien mediation passend wordt geacht, zou dit een overweging kunnen zijn om dhr. [persoon A] als belanghebbende aan te merken.
4.3.
De Raad en de GI hebben zich ter zitting niet uitgelaten over de juridische positie van dhr. [persoon A] .

5.De beoordeling

5.1.
Ten aanzien van de processuele positie van dhr. [persoon A] overweegt de kinderrechter als volgt.
5.2.
In artikel 798, eerste lid, Rv is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan ‘degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft’.
5.3.
De Hoge Raad – de hoogste rechter in civiele zaken - heeft al meerdere malen bepaald dat het begrip belanghebbende als bedoeld in artikel 798, eerste lid, Rv strikt moet worden uitgelegd. Welke persoon als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en door de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die persoon in die zaak belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro.
5.4.
Vaststaat dat dhr. [persoon A] geen ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] uitoefent. Dit maakt dat de door de Raad verzochte ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] , als maatregel die ingrijpt op het ouderlijk gezag – niet de rechten en verplichtingen van dhr. [persoon A] rechtstreeks raakt. Daarbij geldt dat door het uitspreken van de verzochte ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] de huidige situatie wordt gecontinueerd, zoals dhr. [persoon A] wenst. Dhr. [persoon A] wordt in die zin dus ook niet beperkt in zijn ‘family life’ met [voornaam minderjarige] .
5.5.
Ook wordt niet voldaan aan het tweede lid van artikel 789 Rv Pro. Niet kan worden geconcludeerd dat dhr. [persoon A] [voornaam minderjarige] ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. Dhr. [persoon A] heeft de vader van [voornaam minderjarige] tijdens het ziekteproces ondersteund bij zorgtaken voor [voornaam minderjarige] , zoals het halen en brengen van school. Dat kan niet gelijk worden gesteld met het verzorgen en opvoeden van een minderjarige. Sinds het overlijden van de vader van [voornaam minderjarige] in november 2025 draagt dhr. [persoon A] de zorg voor [voornaam minderjarige] . Daarvan uitgaande kan dhr. [persoon A] (vooralsnog) niet als belanghebbende worden aangemerkt.
5.6.
De kinderrechter wijst het verzoek van dhr. [persoon A] om als belanghebbende te worden aangemerkt daarom af.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst af het verzoek van dhr. [persoon A] om als belanghebbende te worden aangemerkt in de procedure, waarin de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] worden verzocht.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 1 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.