3.2.Zorgregeling
3.2.1.In de beschikking van 18 maart 2025 is een voorlopige zorgregeling bepaald en is de behandeling van de zaak aangehouden ten aanzien van de definitieve zorgregeling in afwachting van het resultaat van het mediationtraject. De rechtbank verwijst naar wat over dat onderwerp is opgenomen in die beschikking.
3.2.2.De man verzoekt – na wijziging – de zorgregeling vast te stellen, waarbij de minderjarige iedere week van zondag 11.00 uur tot woensdag 15.00 uur, alsook de helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijft. De man stelt het volgende als opbouwregeling voor:
- de minderjarige verblijft gedurende de eerste vier weken na de datum van beschikking iedere zondag en woensdag van 12.00 uur tot 18.00 uur en iedere vrijdag van 12.00 tot 14.00 uur bij de man;
- vervolgens verblijft de minderjarige gedurende vijf weken iedere zondag van 12.00 uur tot maandag 18.00 uur, iedere woensdag van 12.00 uur tot 18.00 uur en vrijdag van 12.00 uur tot 14.00 uur bij de man;
- daarna verblijft de minderjarige gedurende vijf weken iedere zondag van 12.00 uur tot dinsdag 18.00 uur bij de man.
3.2.3.Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht dat zij vindt dat er contact tussen de man en de minderjarige moet zijn, maar dat uitbreiding van de zorgregeling op dit moment niet in het belang van de minderjarige is. De vastgestelde voorlopige zorgregeling wordt uitgevoerd, maar verloopt volgens haar niet goed.
3.2.4.De raad is van mening dat er veel wantrouwen en spanning is tussen de ouders en dat de minderjarige dat voelt. Zij adviseert hulpverlening in te zetten voor ouders om de onderliggende problemen aan te pakken.
3.2.5.Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal hen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit hulpverleningstraject, zoals is genoemd in het proces-verbaal dat partijen hebben ontvangen. Dit proces-verbaal is al verstuurd naar het routeringspunt voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal ook deze beschikking versturen naar het routeringspunt.
3.2.6.De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, het eindverslag over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen op de hierna vermelde manier.
3.2.7.De rechtbank zal de behandeling van de zaak (in eerste instantie) in afwachting van de resultaten van dit hulpverleningstraject pro forma aanhouden voor de duur van negen maanden.
3.2.8.Als het hulpverleningstraject is beëindigd, zal de hulpverleningsinstantie het eindverslag versturen naar het routeringspunt. Het routeringspunt zal zorgen voor verzending van dit eindverslag aan de rechtbank. De rechtbank zal, als het hulpverleningstraject is geslaagd, partijen en hun advocaten in de gelegenheid stellen om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het eindverslag. Na ontvangst van de reactie van (de advocaten van) partijen geeft de rechtbank, zonder verdere mondelinge behandeling, een eindbeschikking.
3.2.9.Als het hulpverleningstraject voortijdig is beëindigd of de doelen niet (geheel) zijn behaald, zal het routeringspunt het eindverslag ook sturen aan de raad. De raad zal aan de hand van het eindverslag van de hulpverleningsinstantie bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag de rechtbank te informeren of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht.
3.2.10.Een raadsonderzoek blijft achterwege als de rechter meent voldoende ingelicht te zijn om een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de raad hierover berichten binnen uiterlijk een week nadat de raad de rechtbank heeft geïnformeerd over de noodzakelijkheid van een raadsonderzoek. De rechtbank bericht de raad slechts als zij geen raadsonderzoek nodig acht.
3.2.11.Als de rechtbank met de raad een onderzoek noodzakelijk acht, geldt deze beschikking als een voorwaardelijke opdracht aan de raad om onderzoek te verrichten, als het hulpverleningstraject (deels) niet is geslaagd. De raad wordt verzocht dit onderzoek te verrichten en daarvan bij de rechtbank, uiterlijk binnen vier maanden, een raadsrapport in te dienen. In dat geval volgt dus een verdere aanhouding van de zaak.
3.2.12.Gelet op het vorenstaande wordt de raad voorwaardelijk verzocht om, als het eindverslag van de hulpverleningsinstantie daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan het belang van de minderjarige?
- Hoe moet de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?
3.2.13.Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren en zich uit te laten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen.
3.2.14.De rechtbank ziet geen reden om de voorlopige zorgregeling niet uit te breiden, omdat de problematiek tussen partijen speelt en niet tussen de man en de minderjarige. Daarnaast staat vast dat eerder een zorgregeling heeft bestaan, aanzienlijk uitgebreider dan de regeling vastgelegd in de beschikking van 18 maart 2025. Deze regeling was dan ook slechts bedoeld als een begin van een door partijen in mediation uit te breiden regeling. De rechtbank zal in afwachting van het hulpverleningstraject een voorlopige zorgregeling bepalen zoals in de beslissing is neergelegd.