Verzoeker heeft op 11 februari 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 26 juni 2025 en stond gepland voor 13 februari 2026. Verzoeker ontvangt een WIA-uitkering en toeslagen, voldoende om de huur te betalen, en staat sinds oktober 2026 onder beschermingsbewind.
De rechtbank beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie en weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven en schuldhulpverlening te kunnen doorlopen tegen het belang van verweerster, de verhuurder, die het vonnis wil uitvoeren. De rechtbank constateert dat het beschermingsbewind traag op gang kwam en dat de beschermingsbewindvoerder meer had kunnen doen om de schulden in kaart te brengen.
Gezien de onduidelijkheid over de huidige zorg en het belang van stabiele huurbetalingen, wijst de rechtbank een moratorium toe voor vier maanden vanaf 12 februari 2026, korter dan de gevraagde zes maanden. De voorziening geldt alleen zolang de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan later een nieuw verzoek indienen.