Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3735

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2601296:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FaillissementswetArt. 285 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende nakoming verplichtingen

Verzoekster heeft op 21 januari 2026 een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Tijdens de zitting op 28 januari 2026 is besproken dat het noodzakelijk is dat verzoekster zich onder beschermingsbewind laat stellen voor een goed verloop van de regeling. De rechtbank heeft de uitspraak aangehouden om verzoekster de gelegenheid te geven beschermingsbewind aan te vragen.

Uit de stukken blijkt dat verzoekster tot eind januari 2026 een WW-uitkering ontving en een bijstandsuitkering heeft aangevraagd. Haar schuldenlast bedraagt ruim €74.000. De financiële situatie is instabiel en het minnelijk traject is mislukt door het ontstaan van nieuwe schulden. Verzoekster heeft geen budgetbeheer opgestart en toont geen inzicht in haar financiën.

Schuldhulpverlening heeft aangegeven dat verzoekster contact heeft gezocht met een beschermingsbewindvoerder, maar daarna niet meer bereikbaar was. De rechtbank heeft geen bewijs ontvangen dat beschermingsbewind is uitgesproken. Gezien de passieve houding van verzoekster en het ontbreken van een saneringsgezinde houding, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat zij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek af. Dit betekent niet dat er geen andere gronden voor afwijzing zijn, maar de belangrijkste reden is het gebrek aan vertrouwen in de nakoming van verplichtingen door verzoekster.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat verzoekster haar verplichtingen zal nakomen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Vonnis van 11 maart 2026
[verzoekster],
[adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 21 januari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster en schuldhulpverlening zijn gehoord op de zitting van 28 januari 2026.
De rechtbank heeft op de zitting verzoekster voorgehouden dat het vanwege de besproken omstandigheden voor een goed verloop van de regeling noodzakelijk zal zijn dat verzoekster zich onder beschermingsbewind zal laten stellen. De rechtbank heeft daarom de uitspraak aangehouden tot 25 februari 2026 om verzoekster in de gelegenheid te stellen via de snelle route bewind van de rechtbank Rotterdam beschermingsbewind aan te vragen. Schuldhulpverlening heeft bij e-mailbericht van 24 februari 2026 meegedeeld dat verzoekster onder bewind zal gaan bij stichting Veritas. In verband met dit bericht heeft de rechtbank de uitspraak wederom aangehouden, en wel tot 11 maart 2026. De rechtbank heeft aan verzoekster en schuldhulpverlening meegedeeld dat verder uitstel niet wordt verleend.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De feiten

Verzoekster ontving tot eind januari 2026 een WW-uitkering. Verzoekster heeft een bijstandsuitkering aangevraagd. Het is de rechtbank niet bekend of deze uitkering inmiddels is verstrekt. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 74.233,98.

3.De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoekster de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. De financiële situatie van verzoekster is niet stabiel. Het minnelijk traject is mislukt omdat er nieuwe schulden zijn ontstaan, onder andere aan Zilveren Kruis. Budgetbeheer is niet opgestart omdat verzoekster bij aanvang van het schuldhulpverleningstraject heeft aangegeven (toch) geen gebruik te willen maken van budgetbeheer. Uit de stukken en het verhandelende ter zitting is gebleken dat verzoekster geen inzicht heeft in haar financiën en in (het ontstaan van) haar schuldenlast. Verzoekster is ter zitting van 28 januari 2026 in de gelegenheid gesteld via de snelle route bewind van de rechtbank Rotterdam beschermingsbewind aan te vragen. Schuldhulpverlening heeft bij
e-mailbericht van 24 februari 2026 laten weten dat zij op 12 februari 2026 voor het laatst contact hebben gehad met verzoekster. Zij zou zich hebben gewend tot een beschermingsbewindvoerder. In dezelfde mail geeft schuldhulpverlening aan dat zij nadien niets meer van verzoekster hebben gehoord en dat getracht is met haar in contact te komen maar dit niet is gelukt. Schuldhulpverlening heeft vervolgens op 24 februari 2026 een aanvullende mail gestuurd waarin zij meedelen dat verzoekster heeft laten weten dat zij onder bewind zal worden gesteld bij stichting Veritas. De rechtbank heeft de uitspraak op het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aangehouden tot
11 maart 2026 teneinde verzoekster in de gelegenheid te stellen beschermingsbewind aan te vragen. De rechtbank heeft zowel aan verzoekster als aan schuldhulpverlening meegedeeld dat de rechtbank uiterlijk 9 maart 2026 stukken wenst te ontvangen waaruit blijkt dat het beschermingsbewind is uitgesproken. De rechtbank heeft niets meer vernomen, noch van verzoekster, noch van schuldhulpverlening. Gelet op de houding van verzoekster is onvoldoende aannemelijk geworden dat zij de verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling, en met name de informatieverplichting, de afdrachtverplichting en het voorkomen van nieuwe schulden, zal nakomen. De rechtbank oordeelt dat verzoekster hiermee daarnaast, door haar passieve houding ten aanzien van de onderbewindstelling, geen blijk geeft van een saneringsgezinde houding.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. [1]
De griffier is buiten staat
dit vonnis te ondertekenen