ECLI:NL:RBROT:2026:372

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/10/711362 / JE RK 25-2532
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige met complexe gedragsproblemen

Op 14 januari 2026 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de zaak van een minderjarige, geboren in 2015, die onder toezicht is gesteld en verblijft in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. De gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering heeft verzocht om een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor de duur van een jaar, vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige kampt met complexe gedrags- en psychiatrische problemen, wat eerdere plaatsingen heeft bemoeilijkt. Tijdens de zitting is gebleken dat de minderjarige vooruitgang heeft geboekt, maar dat er ook een toename van agressie-incidenten is geweest. De kinderrechter heeft besloten om een machtiging voor gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden, tot 14 april 2026, en houdt de beslissing over het overige verzoek aan. De kinderrechter heeft ook verzocht om een rapportage van de GI over de stand van zaken voor de volgende zitting op 10 april 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711362 / JE RK 25-2532
Datum uitspraak: 14 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. N.S. van der Vliet, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 5 december 2025, ontvangen op dezelfde datum;
  • de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 22 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van [minderjarige] ;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1] .
1.3.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Spaanse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 2] , tolk in de Spaanse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan [naam 3] , de begeleider van de moeder vanuit Maanzorg.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover via videoverbinding een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op een gesloten groep van [naam instelling] in [plaatsnaam] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 22 juli 2026. Tevens heeft de kinderrechter bij die beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend tot 28 oktober 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 oktober 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 28 oktober 2025 tot 28 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van een jaar.
3.2.
Ter zitting geeft de GI desgevraagd aan dat de verzochte duur van de machtiging niet langer kan zijn dan die van de ondertoezichtstelling, dus tot 22 juli 2026. De GI handhaaft het verzoek en licht dit als volgt toe. In de maanden voorafgaand aan de overplaatsing naar de gesloten groep ‘ [naam groep] ’ van [naam instelling] in [plaatsnaam] op 2 oktober 2025 was sprake van meerdere meldingen van fysiek en verbale agressie en wegloopgedrag. De plek waar [minderjarige] sindsdien verblijft, is de eerste plek waar het beter met hem lijkt te gaan. Er is sprake van een duidelijke stabilisatie en gedragsverbetering. Ook gaat [minderjarige] weer naar school. Hoewel er aanvankelijk sinds de plaatsing geen grote incidenten meer hadden plaatsgevonden, zijn de agressie-incidenten de afgelopen weken toegenomen. Het is de vraag waardoor [minderjarige] agressief wordt. Mogelijk hangt dit samen met het feit dat hij zich comfortabeler begint te voelen op de groep, waardoor hij dit gedrag weer laat zien. Op zich is dit goed, omdat op deze manier kan worden onderzocht wat [minderjarige] nodig heeft om verder te stabiliseren. Gisteren heeft de GI bericht ontvangen dat de groep agressieregulatie-therapie wil gaan inzetten (ART). De GI staat hierachter. Het doel van de GI is altijd om zo snel mogelijk toe te werken naar een open groep of terugkeer naar huis. Open groepen hebben eerder aangegeven dat [minderjarige] eerst vaardigheden moet aanleren voordat plaatsing daar mogelijk is. Hier wordt momenteel aan gewerkt, maar [minderjarige] is nog niet op dat punt. Een gesloten plaatsing klinkt ingrijpend, maar deze plek biedt [minderjarige] grenzen, duidelijkheid en een behandelplan waar hij goed op gedijt. [minderjarige] mag zich bovendien vrij over het terrein bewegen en is tot nu toe niet weggelopen. Dit is een groot verschil ten opzichte van eerdere plaatsingen. De GI kan instemmen met een verlenging voor een kortere duur, bijvoorbeeld zes maanden, waarbij de GI na vier maanden de stand van zaken opnieuw beoordeelt.

4.Het standpunt van [minderjarige]

4.1.
Door en namens de advocaat wordt verweer gevoerd. De noodzaak voor een gesloten plaatsing is aanwezig, maar een machtiging voor de gehele verzochte duur is niet passend. Primair wordt verzocht de machtiging te verlenen voor de duur van een maand. [minderjarige] is positief veranderd vergeleken met het moment dat de advocaat hem voor het eerst bezocht. Hoewel [minderjarige] nog veel moet leren en de afgelopen periode incidenten hebben plaatsgevonden, moet hieraan geen al te zware betekenis worden gehecht, omdat dit mogelijk samenhangt met de spanning in de aanloop naar de zitting. Het verlenen van de machtiging voor de duur van een maand kan fungeren als stok achter de deur. In de beschikking van 21 oktober 2025 is aangegeven dat bij het zich voordoen van een andere mogelijkheid moet worden bezien of doorplaatsing mogelijk is. Het is mogelijk dat [minderjarige] wordt geplaatst bij De Sloep in Den Haag, een groep gericht op jonge kinderen en LVB-problematiek. Deze groep is veel dichter bij de woning van moeder gelegen, waardoor zij beter kan worden betrokken. De huidige groep is passend, maar is niet op deze doelgroep gespecialiseerd. Het doel van een gesloten plaatsing was om [minderjarige] te stabiliseren, zodat behandeling kon starten. Behandeling kan ook op de open groep De Sloep worden ingezet. De benodigde vaardigheden moet [minderjarige] bovendien in een andere setting ontwikkelen. Hoe langer [minderjarige] gewend raakt aan de huidige plek, des te lastiger wordt een latere doorplaatsing. Subsidiair wordt verzocht een trajectmachtiging te verlenen. Dit biedt meer flexibiliteit dan wanneer de GI een nieuw verzoek moet indienen, waardoor het traject langer zou duren.

5.Het standpunt van de moeder

5.1.
De moeder stemt in met het verzoek. [minderjarige] is veranderd, maar een omgeving zoals Rotterdam heeft veel negatieve invloed op hem. Tijdens de kerstvakantie, toen [minderjarige] bij de moeder verbleef, heeft hij goed geluisterd en geen agressief gedrag laten zien. Wel bleef hij aandringen om naar buiten te willen en bleef hij proberen zijn zin door te drijven. Er is een significant verschil ten opzichte van de periode waarin [minderjarige] bij de moeder uit huis werd geplaatst. Indien [minderjarige] destijds direct op zijn huidige plek was geplaatst, was de situatie niet zo ver gekomen. Op de gesloten groep wordt meer toezicht gehouden. Op eerdere plekken kreeg [minderjarige] te veel vrijheid. Plaatsing op een open groep zou een gevaar voor [minderjarige] vormen. Een korte verlenging van één maand zou ertoe leiden dat [minderjarige] zich gedurende die maand zou inspannen en daarna zou terugvallen in zijn oude gedrag, zodra hij heeft bereikt wat hij wil.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1]
6.2.
[minderjarige] kampt met complexe gedrags- en psychiatrische problemen en beschikt over beperkte cognitieve vaardigheden. In verband hiermee heeft hij op meerdere, zowel gesloten als open, groepen verbleven. Deze plaatsingen zijn alle binnen korte tijd mislukt door extreem agressief gedrag. Op 2 oktober 2025 is hij geplaatst bij [naam instelling] in [plaatsnaam] . In de beschikking van 21 oktober 2025 werd gesproken over een positieve, maar nog prille ontwikkeling. [minderjarige] verbleef daar toen enkele weken en er hadden zich geen grote incidenten voorgedaan. Sinds de afgelopen weken is sprake van een toename van incidenten. Ter zitting is naar voren gebracht dat dit mogelijk samenhangt met het feit dat [minderjarige] inmiddels gewend is op de groep en daardoor terugvalt in zijn oude gedrag, dan wel met de spanningen in de aanloop naar de zitting. Wat hier ook van zij, dit is wel de eerste plek waar [minderjarige] vooruitgang laat zien. De groep is van plan [minderjarige] te laten starten met agressieregulatietraining. Daarnaast moet [minderjarige] vaardigheden aanleren om spanningsvolle situaties zelfstandig te hanteren voordat plaatsing in een open groep mogelijk is, om een terugval te voorkomen.
6.3.
Gelet op voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een gesloten machtiging voor de duur van drie maanden noodzakelijk is.
6.4.
De kinderrechter houdt de beslissing op het resterende verzoek aan. [minderjarige] is nog zeer jong en een gesloten plaatsing moet als ultimum remedium worden beschouwd. Voor doorplaatsing naar een geschikte vervolgplek zoals De Sloep is verdere stabilisatie en het aanleren van de benodigde vaardigheden noodzakelijk. Het is van belang om in deze kwetsbare situatie een vinger aan de pols te houden, maar de door de advocaat van [minderjarige] verzochte duur van een maand acht de kinderrechter te kort. De beslissing op het resterende deel van het verzoek van de GI wordt aangehouden tot de hierna te noemen zittingsdatum. Deze datum is ter zitting in overleg met partijen bepaald.
6.5.
De kinderrechter verzoekt de GI om
uiterlijk twee wekenvóór de hierna vermelde zittingsdatum een briefrapportage (met een afschrift daarvan aan de moeder en mr. N.S. van der Vliet) te overleggen over de op dat moment aanwezige stand van zaken en aan te geven of het verzoek voor het overig verzochte wordt gehandhaafd.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 14 januari 2026 tot 14 april 2026;
7.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de moeder, [minderjarige] en zijn advocaat op te verschijnen tijdens de zitting van mr. S. Riege van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein
100 / 125 te Rotterdam,
op 10 april 2026 te 10:15 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
7.3.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
7.4.
verzoekt de GI om
uiterlijk twee wekenvóór de genoemde zittingsdatum de door de kinderrechter verzochte rapportage te doen toekomen;
7.5.
verzoekt de GI een tolk Spaans te regelen voor de moeder.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026 door
mr. M.C. Woudstra, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 19 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).