Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3707

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/10/715568 / JE RK 26-390
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarigen en afwijzing verzoek ongeboren kind

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen en een ongeboren kind vanwege ernstige zorgen over huiselijk geweld en onveilige opvoedsituatie. De moeder en de gecertificeerde instelling ondersteunden het verzoek voor de minderjarigen, terwijl de moeder wisselende gevoelens had over de maatregel.

De rechtbank constateerde dat de kinderen opgroeien in een onveilige situatie met huiselijk geweld en dat de moeder ondanks haar inzet onvoldoende draagkracht heeft om de kinderen de benodigde zorg te bieden. De hulpverlening verloopt moeizaam en een jeugdbeschermer is noodzakelijk om de regie te voeren en hulpverlening te versnellen.

De rechtbank stelde de twee minderjarigen onder toezicht voor zes maanden en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Het verzoek tot ondertoezichtstelling van het ongeboren kind werd afgewezen omdat de stress van de moeder onvoldoende aanleiding gaf om het ongeboren kind als geboren te beschouwen en onder toezicht te stellen. De rechtbank gaf aan dat de Raad na geboorte opnieuw een verzoek kan indienen indien nodig.

Een vervolgzitting is gepland om het resterende verzoek te behandelen en de Raad moet twee weken voor die datum rapporteren over de stand van zaken. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank stelt twee minderjarigen onder toezicht voor zes maanden en wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling van het ongeboren kind af.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/715568 / JE RK 26-390
Datum uitspraak: 9 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] ,
het ongeboren kind [achternaam],
hierna te noemen het ongeboren kind.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 26 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna te noemen de GI, [persoon B] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en het ongeboren kind onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De Raad heeft ernstige zorgen over de kinderen. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] worden opgevoed in een situatie waarin huiselijk geweld voorkomt. Ook heeft er een incident plaatsgevonden tussen de vader en [voornaam minderjarige 1] waarbij het Goofy-team betrokken is geweest. [voornaam minderjarige 1] laat ook signalen in zijn gedrag zien. De ouders zijn enige tijd uit elkaar geweest, maar sinds januari 2026 zijn zij weer bij elkaar. De dynamiek tussen de ouders is zorgelijk. Voorts is de moeder bekend met persoonlijke problematiek. De hulpverlening daarvoor komt onvoldoende van de grond. Er is intensieve gezinsbegeleiding en traumahulp voor de kinderen nodig. Het is belangrijk dat die hulpverlening binnen een ondertoezichtstelling van de grond komt.
De reden van het verzoek voor het ongeboren kind is dat er veel meldingen bij Veilig Thuis zijn gedaan en er zorgen zijn over de opvoedsituatie waarin het ongeboren kind terechtkomt. Het ongeboren kind ervaart veel spanningen. Ook omdat er onlangs weer een incident heeft plaatsgevonden. Dat heeft veel impact op de moeder en de kinderen gehad.

4.De standpunten

4.1.
Desgevraagd heeft de GI het verzoek van de Raad ter zitting ondersteund. Er zijn in het verleden veel zorgen geweest. De moeder heeft aangegeven dat zij en de vader openstaan voor relatietherapie of een andere therapie die hen kan helpen uit de vicieuze cirkel van huiselijk geweld te komen. Ook is het belangrijk dat de kinderen de hulp krijgen die zij nodig hebben. Het is van belang dat een jeugdbeschermer het proces gaat begeleiden. Waarschijnlijk zal er niet per direct een jeugdbeschermer beschikbaar zijn, maar er wordt op korte termijn wel een afspraak gemaakt met de ouders. De verwachting is dat binnen enkele maanden een jeugdbeschermer wordt aangewezen. Een ondertoezichtstelling voor het ongeboren kind kan wellicht in de beginfase worden meegenomen en indien het goed gaat kan die ondertoezichtstelling voortijdig worden afgesloten.
4.2.
De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij wisselende gevoelens heeft over het verzoek tot ondertoezichtstelling. De moeder is heel open geweest tegenover de raadsonderzoekers, maar leest vervolgens dat zij heel emotioneel is. Zoals het in het raadsrapport wordt neergezet voelt het alsof zij heeft gefaald als moeder. Ook het feit dat een ondertoezichtstelling nodig zou zijn, voelt voor haar als falen. De moeder werkt samen met IH (Intensieve Hulpverlening) en dat verloopt goed. Zij heeft een doorverwijzing voor een psycholoog geregeld en hoop daar binnenkort terecht te kunnen. Samen met IH en Filomena wordt gekeken naar hulp voor de kinderen, maar wachtlijsten en gedoe over de financiering stagneren de boel. De moeder heeft weer contact met de vader en hun intentie is om samen verder te gaan. De vader woont niet bij het gezin, maar is in de weekenden wel bij hen thuis. Dit is ook in samenspraak met IH.
Indien het nodig is dat zij en de vader in relatietherapie gaan, staan zij daarvoor open. De zwangerschap verloopt goed. Zij komt al haar afspraken bij de verloskundige na en is op 7 juli 2026 uitgerekend.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben in hun jonge leven al veel spanningen en onrust meegemaakt door de spanningen en het geweld in de relatie van de ouders. Zo heeft er op 7 februari jl. in de woning van de moeder en de kinderen een ernstig geweldsincident plaatsgevonden tegen de vader, waarbij ook de moeder betrokken is geraakt (op de grond is gegooid). De kinderen waren in de woning aanwezig. Bij de politie is het gezin bekend van meerdere meldingen van huiselijk geweld of ruzies, waarbij de kinderen aanwezig zijn. De moeder heeft persoonlijke problematiek, waardoor haar draagkracht beperkt lijkt te zijn. De kinderrechter ziet dat de moeder hard haar best doet en zelf hulp inschakelt en accepteert. Op de een of andere manier lukt het niet om een stabiele, veilige thuissituatie voor de kinderen te creëren. Door alle spanningen die de moeder ervaart, lukt het haar niet altijd om [voornaam minderjarige 1] naar school te laten gaan. Als [voornaam minderjarige 1] op school is, wordt daar een druk en impulsief jongetje gezien, dat zelfbepalend gedrag vertoont. De kinderrechter concludeert dat bij [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging door dat zij opgroeien in een onveilige opvoedsituatie, waar ze niet altijd de zorg en ondersteuning krijgen die ze nodig hebben.
5.3.
De kinderrechter ziet een jonge moeder die het moeilijk heeft, maar ook ontzettend haar best doet. De moeder heeft hulp voor zichzelf gezocht en is bezig met hulp zoeken voor de kinderen. Het is positief dat de moeder deze initiatieven neemt en wil meewerken aan hulpverlening. De inzet van hulpverlening gaat echter moeizaam en dat heeft onder andere te maken met hoe het in Nederland is geregeld. Een jeugdbeschermer kan bij het inzetten van de nodige hulpverlening de regie nemen en de nodige stappen zetten, samen met de moeder. Anders dan de moeder denkt, wordt zij er niet op afgerekend dat zij emotioneel kan zijn. Dit kan echter betekenen dat zij minder draagkracht heeft om de kinderen de juiste zorg en ondersteuning te geven en om alles wat voor het gezin nodig is, te regelen. Dit is geen verwijt, maar een constatering. Binnen het vrijwillig kader is al langere tijd geprobeerd om een verandering te bewerkstelligen in de dynamiek in het gezin. Dat is niet gelukt en de kinderen groeien nu al te lang op in een onrustige, onveilige opvoedomgeving. Met een ondertoezichtstelling moet deze situatie veranderen. De kinderrechter wil niet dat door het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer op korte termijn voor dit gezin, de inzet van hulpverlening daardoor stagneert. Een ondertoezichtstelling moet geen obstakel zijn, maar een versnelling en verbetering. De inzet van IH moet worden voortgezet, zo lang er geen meer passende en structurele hulp kan worden ingezet. De GI zal er ten minste voor moeten zorgen dat de trajecten die nu lopen niet stagneren en worden voortgezet. De GI zal ook duidelijkheid moeten krijgen over de rol van de vader in het gezin. Omdat onduidelijk en onzeker is wat de jeugdbescherming in het kader van een ondertoezichtstelling nu kan doen als er niet direct een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlenen voor de duur van zes maanden.
Het verzoek wordt voor het overig verzochte ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] aangehouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.
5.4.
De kinderrechter is daarnaast van oordeel dat een ondertoezichtstelling voor het ongeboren kind niet noodzakelijk is. Het feit dat de moeder stress ervaart, wat niet goed is voor het ongeboren kind, is onvoldoende om het kind als geboren te beschouwen en onder toezicht te stellen. Aan de stress van de moeder dient te worden gewerkt in het kader van de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . Hierbij komt dat de moeder naar de verloskundige gaat en haar afspraken in verband met haar zwangerschap nakomt. Er zijn, naast de stress van de moeder, geen andere zorgen over de zwangerschap. De kinderrechter zal het verzoek betreffende het ongeboren kind dan ook afwijzen. Indien na de geboorte van het nu nog ongeboren kind blijkt dat alsnog een ondertoezichtstelling nodig is, staat het de Raad vrij om nogmaals een verzoek voor dit kindje in te dienen. Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de Raad met betrekking tot het ongeboren kind worden afgewezen.
5.5.
De Raad wordt verzocht twee weken voor de hierna te noemen zittingsdatum schriftelijk te rapporteren over de laatste stand van zaken en aan te geven of het resterende verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 9 maart 2026 tot 9 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het verzoek van de Raad met betrekking tot het ongeboren kind;
6.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de Raad, de GI en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van mr. D.I. Hendriks-van Wel van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op
27 augustus 2026 te 09:30 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
6.5.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
6.6.
verzoekt de Raad
uiterlijk twee wekenvoor de genoemde zittingsdatum, met afschrift daarvan aan de moeder en de GI, de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van M.L.G. van Mourik als griffier, en op schrift gesteld op 18 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.