Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3646

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/10/685636 / HA ZA 24-776
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 843a RvArt. 1059 RvArt. 236 lid 2 RvArt. 612 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige toegangsontzegging kaakchirurg door ziekenhuis en gevolgen samenwerkingsovereenkomst

Deze civiele procedure betreft een geschil tussen een kaakchirurg en een ziekenhuis over de beëindiging van een samenwerkingsovereenkomst en de toegangsontzegging tot het ziekenhuis.

De samenwerkingsovereenkomst tussen het ziekenhuis en het samenwerkingsverband van kaakchirurgen werd opgezegd door het ziekenhuis. Een arbitraal vonnis met gezag van gewijsde staat een inhoudelijke beoordeling van deze opzegging in de weg. De rechtbank oordeelt dat het ziekenhuis onrechtmatig heeft gehandeld door de toegang tot het ziekenhuis aan de kaakchirurg te ontzeggen van 25 september 2017 tot 1 april 2018 en veroordeelt het ziekenhuis tot schadevergoeding, die nog moet worden vastgesteld.

De vorderingen gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking door verkoop van de kaakchirurgiepraktijk aan een derde worden afgewezen, omdat onvoldoende is gesteld dat sprake was van overdracht van goodwill. Ook de incidentele vordering op grond van artikel 843a (oud) Rv wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. De rechtbank veroordeelt de kaakchirurg in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Ziekenhuis handelde onrechtmatig door toegangsontzegging kaakchirurg en wordt veroordeeld tot schadevergoeding, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/685636 / HA ZA 24-776
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] B.V.,

gevestigd te Rotterdam,
2.
[eiser 2],
wonende te [woonplaats],
eisers in de hoofdzaak en in het artikel 843a (oud) Rv-incident,
advocaat: mr. M.J. Draaisma,
tegen
STICHTING SINT FRANCISCUS VLIETLAND GROEP,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde in de hoofdzaak en verweerster in het artikel 843a (oud) Rv-incident,
advocaat: mr. E.J.C. de Jong.
Eisers worden hierna gezamenlijk [eiser 3] genoemd en afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] . Gedaagde wordt hierna SFVG genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Deze zaak gaat over een geschil tussen een kaakchirurg ( [eiser 2] ) en een ziekenhuis (SFVG). De kaakchirurg maakte via [eiser 1] deel uit van een samenwerkingsverband van drie kaakchirurgen ( [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] heeft haar vorderingen op SFVG gecedeerd aan [eiser 1] (de praktijkvennootschap van [eiser 2] ).
1.2.
Tussen SFVG en [bedrijf 1] bestond een samenwerkingsovereenkomst. SFVG heeft deze overeenkomst opgezegd. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de vorderingen die verband houden met de opzegging. Een arbitraal vonnis van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg, dat gezag van gewijsde heeft tussen de partijen in deze procedure, staat daaraan in de weg.
1.3.
SFVG heeft [eiser 2] de toegang tot het ziekenhuis ontzegd in de periode van 25 september 2017 tot 1 april 2018. Daarmee heeft SFVG onrechtmatig gehandeld jegens [eiser 1] . SFVG wordt veroordeeld tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade, op te maken bij staat.
1.4.
De vorderingen die zijn gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking in verband met de verkoop van de kaakchirurgiepraktijk door SFVG aan een derde zijn niet toewijsbaar. Omdat die vorderingen worden afgewezen, hebben [eiser 3] geen belang bij de incidentele vordering gebaseerd op artikel 843a (oud) Rv.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis in incident van 8 januari 2025 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
  • de conclusie van antwoord;
  • de brief van de rechtbank van 14 maart 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
  • de akte wijziging van eis;
  • de brief van [eiser 3] van 19 juni 2025, waarbij producties 36 tot en met 39 in het geding zijn gebracht;
  • de spreekaantekeningen van [eiser 3] en SFVG voor de mondelinge behandeling op 18 juli 2025.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen aangehouden. Op 17 september 2025 hebben [eiser 3] een akte genomen, waarin zij vonnis hebben gevraagd. De zaak is vervolgens naar de rol verwezen voor vonnis.

3.De feiten

3.1.
[bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) is een samenwerkingsverband tussen (de holding- en praktijkvennootschappen van) drie kaakchirurgen: [eiser 2] middels [eiser 1] , [naam 1] middels [bedrijf 2] B.V. en [naam 2] middels [bedrijf 3] B.V. De kaakchirurgen waren via hun persoonlijke holdings bestuurder en voor gelijke delen aandeelhouder in [bedrijf 1] .
3.2.
SFVG is een ziekenhuis met vestigingen in Rotterdam en Schiedam.
3.3.
[bedrijf 1] had een samenwerkingsovereenkomst met SFVG vanaf 1 januari
2015. Op basis van deze samenwerkingsovereenkomst zijn [eiser 2] , [naam 1] en [naam 2]
werkzaam geweest als kaakchirurg in het ziekenhuis.
3.4.
De samenwerkingsovereenkomst luidt, voor zover van belang:
“11
Beëindiging
11.1
Elke Partij kan deze Overeenkomst door opzegging beëindigen:
11.1.1
Indien de andere Partij ondanks waarschuwing ernstig in verzuim blijft met de nakoming van deze Overeenkomst;
11.1.2
Indien wegens gebrek aan samenwerking door de andere Partij voortzetting van deze Overeenkomst redelijkerwijs niet kan worden gevergd van deze Partij;
11.1.3
Op grond van (overige) omstandigheden, welke van dien aard zijn dat redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat deze Partij de Overeenkomst in stand houdt;
(…).
11.2
De opzegging als bedoeld in dit artikel dient bij aangetekend schrijven te geschieden
met vermelding van de gronden waarop zij berust, met inachtneming van een opzegtermijn
van een halfjaar en tegen het einde van een kalenderjaar. (...)
11.4
De Partij tegen wie een opzegging is gericht kan uiterlijk binnen dertig dagen na
verzending van de opzegging beroep instellen bij het Scheidsgerecht Gezondheidszorg.
Artikel 12.1 en 12.2 zijn op een geschil over opzegging niet van toepassing.
(…)

12.Geschilbeslechting

12.1
Alle geschillen tussen het Ziekenhuis en [bedrijf 1] B.V. die voortvloeien uit de onderhavige overeenkomst worden in eerste instantie geagendeerd voor een op het bereiken van overeenstemming gericht overleg tussen Raad van Bestuur en [bedrijf 1] BV-Bestuur.
12.2
Indien vorenbedoeld overleg niet tot een oplossing leidt wordt het geschil voorgelegd aan een geregistreerd en gecertificeerd mediator.
12.3
Indien mediation niet binnen een termijn van 3 maanden na de datum van het gesprek als bedoeld in lid 1 van dit artikel tot een oplossing leidt, kan ieder van Partijen het geschil naar keuze voorleggen ter beslechting aan de bevoegde rechter.
(…)”
3.5.
In bijlage 2 bij de samenwerkingsovereenkomst staat onder meer het volgende:

Bijlage 2 Overige algemene verplichtingen
(…)

13.Toegang ontzegging

13.1
De Raad van Bestuur kan, na overleg met [bedrijf 1] B.V.-bestuur, een Medisch Specialist, of een andere natuurlijke persoon die door [bedrijf 1] B.V. wordt ingezet, de toegang tot het Ziekenhuis ontzeggen, op grond van omstandigheden van zo ernstige aard of een gegrond vermoeden van zodanige aard dat aanwezigheid van die Medisch Specialist of andere natuurlijke persoon in het Ziekenhuis niet langer kan worden geaccepteerd. (…)
13.2
Indien het besluit tot ontzegging van de toegang achteraf ongegrond blijkt treden de Instelling en [bedrijf 1] B.V. bestuur in overleg over vergoeding van de schade als gevolg van toegangsontzegging.”
3.6.
[naam 2] heeft gefraudeerd met declaraties en patiëntendossiers. [naam 2] enerzijds en [eiser 2] en [naam 1] anderzijds hebben als gevolg daarvan een geschil met elkaar gekregen. Vervolgens is er ook een geschil ontstaan tussen SFVG enerzijds en [bedrijf 1] en de kaakchirurgen anderzijds. Een en ander is als volgt geëscaleerd.
3.7.
Op verzoek van [eiser 2] en [naam 1] heeft de financieel adviseur van [bedrijf 1] de Raad van Bestuur van SFVG (hierna: de RvB) op 19 juni 2017 geïnformeerd over de fraude door [naam 2] .
3.8.
De RvB heeft [naam 2] in een aan hem gerichte brief van 31 juli 2017 een formele waarschuwing gegeven. In de brief heeft de RvB aanvullend onderzoek aangekondigd naar de declaraties en administratie van [naam 2] en aan [bedrijf 1] gevraagd om binnen twee weken aan te geven welke maatregelen zij neemt om te borgen dat de administratie en de daarop gebaseerde declaraties voldoen aan wet- en regelgeving.
3.9.
Op 3 augustus 2017 hebben twee van de bestuurders namens [bedrijf 1] aan [naam 2] meegedeeld dat [bedrijf 1] niet langer gebruik zal maken van zijn diensten als kaakchirurg (hierna ook: de schorsing).
3.10.
Op 7 augustus 2017 heeft in het ziekenhuis een confrontatie plaatsgevonden tussen [eiser 2] en [naam 2] , omdat [naam 2] ondanks deze mededeling spreekuur wilde houden. De RvB heeft die dag een tijdelijke voorziening getroffen, onder meer inhoudende de instructie aan [naam 2] om voorlopig geen patiëntenzorg uit te voeren. Aan [bedrijf 1] is gelijktijdig de opdracht gegeven om tot een structurele oplossing te komen en te voorzien in de continuïteit van patiëntenzorg. Op 15 augustus 2017 heeft de RvB de tijdelijke voorziening opgeheven en [bedrijf 1] (nogmaals) opgedragen om het interne conflict op te lossen en gezamenlijk een protocol op te stellen waarin de dossiervoering en administratie geborgd worden.
3.11.
[naam 1] en [eiser 2] hebben de RvB op 28 augustus 2017 aan de hand van patiëntengegevens geïnformeerd over het onderzoek dat zij hebben ingesteld naar de fraude. Zij hebben de RvB verzocht om een toegangsontzegging te geven aan [naam 2] .
3.12.
In een brief van 4 september 2017 heeft de RvB een formele waarschuwing gegeven aan [naam 1] en [eiser 2] wegens het actief benaderen van patiënten en het ongeoorloofd inzien en gebruiken van patiëntengegevens in hun onderzoek naar de door [naam 2] gepleegde fraude.
3.13.
Op 12 september 2017 heeft de RvB een laatste kans aan [bedrijf 1] gegeven om een door de drie kaakchirurgen ondertekend protocol aan te leveren. In de brief staat onder meer:
“Wij hebben inmiddels te maken met drie kaakchirurgen die op voet van oorlog met elkaar verkeren, die niet met elkaar overleggen, die in elkaars patiëntendossiers kijken en patiënten inschakelen in hun strijd, die een van hen het werken verhinderen en daardoor inkomsten ontzeggen, die twee juridische procedures tegen elkaar voeren, die inmiddels alle drie een waarschuwing hebben gekregen, die niet in staat zijn hun BV te besturen en die niet voldoen aan de alleszins redelijke eisen die de Raad van Bestuur aan hen stelt. Die situatie mag niet blijven bestaan.”
3.14.
[naam 2] heeft in een kortgedingprocedure onder meer opheffing van zijn schorsing door [bedrijf 1] gevorderd. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft alle vorderingen van [naam 2] bij vonnis van 14 september 2017 afgewezen.
3.15.
Op 20 september 2017 vond bij de Ondernemingskamer van het hof Amsterdam de mondelinge behandeling plaats in een door [naam 2] gestarte enquêteprocedure. Tijdens deze mondelinge behandeling hebben [eiser 2] en [naam 1] zich uitgelaten over het handelen van de RvB.
3.16.
Op 25 september 2017 vond een gesprek plaats waarbij onder meer de RvB, [eiser 2] , [naam 1] en [naam 2] aanwezig waren. [eiser 2] en [naam 1] , die werden bijgestaan door een advocaat, hebben het gesprek voortijdig verlaten.
3.17.
Bij brieven van 25 september 2017 heeft de RvB aan [eiser 2] en [naam 1] met onmiddellijke ingang de toegang tot het ziekenhuis ontzegd. Ook heeft de RvB aangekondigd de samenwerkingsovereenkomst met [bedrijf 1] te zullen opzeggen. In de brief aan [eiser 2] staat onder meer het volgende:
“(…) Hedenavond vond op verzoek van de Raad van bestuur van SFVG een overleg plaats met u en de overige bestuurders/aandeelhouders van [bedrijf 1] BV. Bij dit overleg was ook het bestuur van de VMS aanwezig.
De Raad van Bestuur wilde met de bestuurders van [bedrijf 1] spreken over de recente ontwikkelingen sinds is komen vast te staan dat er door uw collega [naam 2] met opzet onjuist is gedeclareerd. Wij wilden u voorhouden dat ons is gebleken dat de samenwerking tussen de bestuurders van [bedrijf 1] dermate slecht is dat van samenwerking feitelijk geen sprake is.
Wij wilden u tevens voorhouden dat [bedrijf 1] niet in staat is gebleken om met de Raad van Bestuur vruchtbaar overleg te voeren over de toekomst van [bedrijf 1] binnen ons ziekenhuis.
Voorts wilden wij met u bespreken dat u en uw collega [naam 1] tijdens de zitting bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam op woensdag 20 september jl ernstige beschuldigingen jegens de Raad van Bestuur hebben geuit, uit welke opmerkingen is gebleken dat u en uw collega [naam 1] kennelijk geen vertrouwen hebben in de Raad van Bestuur en dat u de Raad van Bestuur bijvoorbeeld beschuldigt van het onder de pet houden van fraude.
Ook waren wij van plan u te laten weten dat de Raad van Bestuur gezien voornoemde en ook andere ontwikkelingen de samenwerkingsovereenkomst met [bedrijf 1] op zal zeggen.
U, uw collega [naam 1] en uw advocaat zijn echter kort na aanvang van dit gesprek en nog voordat de Raad van Bestuur haar opmerkingen had kunnen maken weggelopen. Uw advocaat - die zonder overleg het gesprek heeft opgenomen met zijn mobiele telefoon - heeft daarbij nog wel opgemerkt dat u en uw collega zich door de Raad van Bestuur onhoffelijk behandeld voelen, dat DSW was geïnformeerd en dat u en uw collega een goede staat van dienst hebben. Vervolgens verliet u de kamer, ondanks dat de Raad van Bestuur u diverse malen heeft geadviseerd om eerst aan te horen wat de Raad van Bestuur te zeggen had.
Dit is een voorlopig dieptepunt in de samenwerking tussen u en de Raad van Bestuur. Uw gedrag is onacceptabel en wordt ook niet geaccepteerd. Er is thans sprake van omstandigheden van zo ernstige aard dat de aanwezigheid van u als persoon/kaakchirurg in ons ziekenhuis niet langer kan worden geaccepteerd.
Zodoende wordt aan u per direct en tot nader order de toegang tot ons ziekenhuis ontzegd.
Dat betekent dat u vanaf dit moment geen werkzaamheden als arts/kaakchirurg in ons
ziekenhuis mag verrichten. (…)”
3.18.
SFVG heeft de samenwerkingsovereenkomst met [bedrijf 1] in een brief van 29 september 2017 opgezegd tegen 1 april 2018. In de brief staat dat van SFVG redelijkerwijs niet kan worden gevergd of verlangd dat de overeenkomst met [bedrijf 1] wordt voortgezet.
3.19.
Op 9 oktober 2017 vond een gesprek plaats tussen de RvB en [bedrijf 1] . [eiser 2] was daarbij niet aanwezig.
3.20.
Op 23 oktober 2017 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken binnen [bedrijf 1] over de periode vanaf maart 2017. Ook heeft de Ondernemingskamer bij wijze van onmiddellijke voorziening een extra bestuurder benoemd met beslissende stem.
3.21.
De toegangsontzegging van [naam 1] is op 18 december 2017 ingetrokken.
3.22.
Op 16 maart 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam SFVG veroordeeld om [eiser 3] met ingang van 19 maart 2018 weer toegang te verlenen tot het ziekenhuis teneinde de werkzaamheden van [eiser 2] als medisch specialist te kunnen hervatten. Ook is SFVG veroordeeld tot nakoming van de samenwerkingsovereenkomst totdat het Scheidsgerecht Gezondheidszorg bij arbitraal vonnis heeft beslist op een door [bedrijf 1] binnen dertig dagen na de datum van het kortgedingvonnis ingesteld beroep tegen de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door SFVG.
3.23.
Vanaf begin april 2018 heeft [eiser 2] zijn werkzaamheden in het ziekenhuis hervat.
3.24.
[bedrijf 1] heeft op 9 mei 2018 beroep ingesteld bij het Scheidsgerecht Gezondheidszorg tegen de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door SFVG.
3.25.
SFVG heeft op 26 juni 2018 per brief opnieuw de samenwerking met [bedrijf 1] opgezegd tegen 1 januari 2019. [bedrijf 1] heeft ook tegen deze opzegging beroep ingesteld bij het Scheidsgerecht Gezondheidszorg.
3.26.
Het Scheidsgerecht Gezondheidszorg heeft op 17 september 2018 geoordeeld dat het beroep van [bedrijf 1] op grond van artikel 11.4 van de samenwerkingsovereenkomst te laat was ingesteld. Verder heeft het beslist dat de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst geldt als een opzegging per 1 januari 2019 en dat de overeenkomst met ingang van die datum eindigt. Voor het overige is [bedrijf 1] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. Een inhoudelijke beoordeling van de opzeggingsgronden heeft niet plaatsgevonden. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel ingesteld.
3.27.
Op 1 januari 2019 is de samenwerkingsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en SFVG geëindigd.
3.28.
Vanaf medio 2020 wordt de kaakchirurgische zorg in SFVG verleend door [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ), althans een tot deze groep behorende vennootschap ( [bedrijf 5] B.V.).
3.29.
Bij aktes van cessie van 3 februari 2022 en 4 oktober 2023 heeft [bedrijf 1] haar vorderingen op SFVG gecedeerd aan [eiser 1] .

4.Het geschil in de hoofdzaak

4.1.
[eiser 3] vorderen, na wijziging van eis, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
“I. te verklaren voor recht dat
o de opzegging door SFVG van de Samenwerkingsovereenkomst tussen partijen bij brief van 29 september 2017 tegen 1 april 2018 en/of een andere datum en ook latere opzeggingen tegen 1 januari 2019 - of een eerder datum - van de Samenwerkingsovereenkomst geen redelijke grond had;
o en/of dat SFVG jegens [eiser 1] (en ook jegens [bedrijf 1] ) dan wel jegens [eiser 2] wanprestatie heeft gepleegd (toerekenbaar tekort is gekomen) dan wel onrechtmatig heeft gehandeld door de ontzegging van de toegang van [eiser 2] tot het ziekenhuis van SFVG dan wel de kaakchirurgie praktijk van [bedrijf 1] , althans van [eiser 2] Praktijk en/of daarna - toen vaststond dat de toegangsontzegging door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam bij voorlopige voorziening diende te worden opgeheven - niet in overleg is getreden met het bestuur van [bedrijf 1] en/of eiser [eiser 2] over een schadevergoeding op grond van artikel 13.2 van de Overige algemene verplichtingen (bijlage 2 bij de Samenwerkingsovereenkomst);
o en/of dat SFVG jegens eisers (en ook jegens [bedrijf 1] ) wanprestatie heeft gepleegd (toerekenbaar tekort is gekomen) door nadat SFVG meende dat er een geschil was met [bedrijf 1] en/of [eiser 2] dan wel [eiser 1] , niet het geschil voor te leggen aan betrokkenen, zoals [bedrijf 1] dan wel [eiser 1] dan wel de heer [eiser 2] , en met (één van) hen te overleggen over een oplossing en indien dat niet mogelijk zou blijken, het geschil voor te leggen aan een geregistreerd en gecertificeerd mediator, een en ander zoals is overeengekomen en als verplichtingen van partijen moet worden gezien in artikel 12.1 en artikel 12.2 van de Samenwerkingsovereenkomst;
o en/of het SFVG, daartoe vertegenwoordigd door de toenmalige Raad van Bestuur, in strijd met goed bestuur en/of artikel 13.1 van de Overige algemene verplichtingen (bijlage 2) behorende bij de Samenwerkingsovereenkomst in de periode vanaf het moment dat de Raad van Bestuur bekend was met de fraude gepleegd door de heer [naam 2] dan wel vanaf 5 juli 2017 heeft nagelaten de heer [naam 2] (vanwege de vastgestelde fraude door hem gepleegd) definitief de toegang tot het ziekenhuis van SFVG te ontzeggen;
o en/of dat SFVG aan [bedrijf 1] en/of [eiser 1] geen dan wel onvoldoende gelegenheid heeft geboden om de praktijk van [bedrijf 1] over te dragen aan een derde tegen goodwill betaling ten gunste van [bedrijf 1] dan wel [eiser 1] en dat nu SFVG de kaakchirurgie praktijk die [bedrijf 1] dan wel [eiser 1] binnen de muren van SFVG verzorgde aan [bedrijf 4] heeft verkocht en overgedragen tegen een bedrag van EUR 2.200.000,00 dan wel een ander vast te stellen bedrag, SFVG met dit bedrag hierdoor is verrijkt en [bedrijf 1] dan wel [eiser 1] met dit bedrag hierdoor is verarmd;
II. SFVG te veroordelen om binnen drie (3) werkdagen na betekening van het vonnis te betalen:
III. Aan [eiser 1] dan wel [eiser 2] een schadevergoeding ter vergoeding van de schade die SFVG aan [eiser 1] dan wel [eiser 2] dan wel [bedrijf 1] heeft veroorzaakt door de toegangsontzegging gedurende de periode vanaf 25 september 2017 tot 1 april 2018 vast te stellen op EUR 350.000,00, althans een in goede justitie te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 april 2018 dan wel in goede justitie te bepalen redelijke andere datum;
IV. Aan [eiser 1] (mede als cessionaris) een schadevergoeding ter vergoeding van de schade die SFVG aan [bedrijf 1] en/of [eiser 1] en/of [eiser 2] heeft veroorzaakt door de onrechtmatige opzegging van de Samenwerkingsovereenkomst ter hoogte van een bedrag van EUR 8.925.000,00 ter zake van 4,25 jaren omzetderving vanaf 1 januari 2019 tot einde registratie van [eiser 2] 21 maart 2023: 4,25 x EUR 2.100.000,00 (afgesproken vastgelegde omzet in de Dienstverleningsovereenkomst - DVO), althans een in goede justitie te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 januari 2019 dan wel een in goede justitie te bepalen redelijke andere datum;
V. Aan [eiser 1] (mede als cessionaris) een vergoeding van EUR 2.200.000,00 ter zake van goodwill, althans schadevergoeding ter compensatie van te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro te berekenen vanaf 1 januari 2019 dan wel een in goede justitie te bepalen redelijke andere datum;
VI. Aan [eiser 1] dan wel [eiser 2] een bedrag van EUR 6.775,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
VII. SFVG te veroordelen in de kosten van dit geding, het salaris van de advocaat van [eiser 1] en [eiser 2] daaronder begrepen.”
4.2.
SFVG concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser 3] in hun vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van [eiser 3] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proces- en nakosten, te vermeerderen met rente.
4.3.
Op de relevante stellingen van partijen wordt bij de beoordeling ingegaan.

5.Het geschil in het artikel 843a (oud) Rv-incident

5.1.
[eiser 3] vorderen in het incident, na wijziging van eis, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
“I. SFVG te veroordelen om [eiser 1] afschrift te verstrekken van dan wel inzage te
verschaffen in de bij randnummer 132 genoemde bescheiden, een en ander op verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000,-, per dag of gedeelte van een dag dat SFVG in gebreke blijft hieraan te voldoen tot een maximum van EUR 1.000.000,- is bereikt dan wel in goede justitie te bepalen ander maximum.
II. SFVG te veroordelen in de kosten van dit incident, het salaris van de advocaat van [eiser 1] en [eiser 2] daaronder begrepen.”
5.2.
SFVG concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser 3] in hun vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiser 3] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, te vermeerderen met rente.
5.3.
Op de relevante stellingen van partijen wordt bij de beoordeling ingegaan.

6.De beoordeling in de hoofdzaak

6.1.
[eiser 3] hebben hun eis gewijzigd. SFVG heeft daartegen geen bezwaar gemaakt en de rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de eiswijziging in strijd zou zijn met de eisen van een goede procesorde. Uitgegaan wordt daarom van de gewijzigde eis, zoals hiervoor weergegeven onder 4.1.
6.2.
Aan de vorderingen van [eiser 3] liggen – kort samengevat – de volgende stellingen ten grondslag:
SFVG had de samenwerkingsovereenkomst met [bedrijf 1] niet mogen opzeggen;
SFVG had [eiser 2] niet de toegang tot het ziekenhuis mogen ontzeggen en
SFVG is ongerechtvaardigd verrijkt door de verkoop van de kaakchirurgiepraktijk aan [bedrijf 4] .
De rechtbank zal deze stellingen en de daarop gebaseerde vorderingen hierna bespreken.
Ad a) de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst
6.3.
De vorderingen van [eiser 3] die verband houden met de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door SFVG zijn niet toewijsbaar. De rechtbank licht dat hierna toe.
6.4.
[eiser 3] stellen dat SFVG de samenwerkingsovereenkomst met [bedrijf 1] zonder grond, althans schadeplichtig heeft opgezegd. Zij stellen dat SFVG na de ontdekking van de fraude de samenwerking met [naam 2] had moeten beëindigen. SFVG heeft dat niet gedaan. Integendeel, zij heeft [eiser 2] en [naam 1] gedwongen om met [naam 2] te blijven samenwerken. Dat heeft geleid tot een escalatie, waarna uiteindelijk de samenwerkingsovereenkomst werd opgezegd. [bedrijf 1] en de kaakchirurgen hebben daardoor aanzienlijke schade geleden, aldus [eiser 3]
6.5.
SFVG voert daartegenover aan dat de rechtbank niet aan een beoordeling van de opzegging kan toekomen, omdat het Scheidsgerecht Gezondheidszorg hierover reeds een arbitraal vonnis heeft gewezen. Verder voert SFVG aan dat [eiser 2] en [naam 1] in ieder geval een belangrijke rol hebben gespeeld bij de escalatie van het conflict. Door hun handelen was er geen vertrouwen meer in een verdere samenwerking. [bedrijf 1] bleek een volstrekt disfunctionele vennootschap waarmee in redelijkheid niet langer samen te werken viel. Van SFVG kon daarom redelijkerwijs niet worden gevergd of verlangd de overeenkomst met [bedrijf 1] voort te zetten, aldus SFVG.
6.6.
De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil op dit punt. De uitspraak van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg van 17 september 2018 staat daaraan in de weg, zoals hierna wordt toegelicht.
Het arbitraal vonnis heeft gezag van gewijsde
6.7.
Artikel 1059 Rv Pro bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen gezag van gewijsde hebben met ingang van de dag waarop zij zijn gegeven. Een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis heeft bindende kracht tussen dezelfde partijen in een ander geding met ingang van de dag waarop het is gewezen. Artikel 236 lid 2 Rv Pro is van overeenkomstige toepassing en bepaalt dat onder partijen mede worden begrepen de rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel, tenzij uit de wet anders voortvloeit.
6.8.
Het arbitraal vonnis van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg van 17 september 2018 is gewezen tussen [bedrijf 1] en SFVG. Niet in geschil is dat tegen het arbitraal vonnis geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en dat het vonnis dus in kracht van gewijsde is gegaan. Ook niet in geschil is dat [eiser 1] als gevolg van een cessie de rechtsopvolger onder bijzondere titel van [bedrijf 1] is (zie hiervoor onder 3.29). Een en ander betekent dat het arbitraal vonnis ook in deze procedure bindende kracht heeft tussen [eiser 1] (als rechtsopvolger van [bedrijf 1] ) en SFVG.
6.9.
De opzegging van de samenwerkingsovereenkomst is onderdeel geweest van het geschil dat [bedrijf 1] aanhangig heeft gemaakt bij het Scheidsgerecht Gezondheidszorg. In het arbitraal vonnis heeft het Scheidsgerecht Gezondheidszorg overwogen dat de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst een gegeven is en dat [bedrijf 1] – in beginsel – maar één mogelijkheid had om daartegen op te komen, te weten door een beroep binnen dertig dagen bij het Scheidsgerecht. Verder is overwogen dat [bedrijf 1] het beroep tegen de opzegging te laat heeft ingesteld. Het Scheidsgerecht Gezondheidszorg heeft voor recht verklaard dat de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst heeft te gelden als een opzegging per 1 januari 2019 en dat de overeenkomst met ingang van die datum eindigt. Voor het overige is [bedrijf 1] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.
6.10.
De beslissing van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg ziet dus op de rechtsbetrekking die in de onderhavige rechtbankprocedure onderwerp van beoordeling is. Wat in het arbitraal vonnis is overwogen en geoordeeld, bindt partijen in deze procedure. Dit staat aan een inhoudelijke beoordeling van de opzegging door de rechtbank in de weg. De opzegging van de samenwerkingsovereenkomst staat dus juridisch vast.
6.11.
Dat het Scheidsgerecht Gezondheidszorg geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over (de rechtmatigheid van) de opzegging, maakt het voorgaande niet anders. Het Scheidsgerecht Gezondheidszorg is niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling, omdat het beroep van [bedrijf 1] te laat was ingesteld. Als het beroep tijdig zou zijn ingesteld, zou wel een inhoudelijke toetsing van de opzegging en de gevolgen daarvan hebben plaatsgevonden. Partijen hebben op de zitting desgevraagd bevestigd dat [bedrijf 1] in de arbitrageprocedure ook een vordering tot vergoeding van de door haar gestelde schade had kunnen instellen.
6.12.
[eiser 3] stellen verder nog dat het arbitragebeding in artikel 11.4 van de samenwerkingsovereenkomst niet exclusief is. In artikel 12.3 is bepaald dat partijen het geschil naar keuze kunnen voorleggen aan de bevoegde rechter. [eiser 3] leiden daaruit af dat, naast het Scheidsgerecht Gezondheidszorg, ook de rechtbank bevoegd is om over (de gevolgen van) de opzegging te oordelen. De rechtbank acht dat standpunt van [eiser 3] niet juist. [bedrijf 1] heeft de keuze gemaakt om de opzeggingen (van 29 september 2017 en van 26 juni 2018) voor te leggen aan het Scheidsgerecht Gezondheidszorg. Daarmee is een keuze gemaakt voor arbitrage. Dat er een keuzemogelijkheid bestond, betekent niet dat beide wegen parallel of na elkaar gevolgd kunnen worden.
Vordering I eerste, derde en vierde bullet en vordering IV zijn niet toewijsbaar
6.13.
De vorderingen die betrekking hebben op de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst betreffen uitsluitend de positie van [eiser 1] (als rechtsopvolger van [bedrijf 1] ). Omdat het arbitraal vonnis ook ten aanzien van [eiser 1] bindende kracht heeft, zijn deze vorderingen van [eiser 1] niet toewijsbaar. Dat [eiser 2] zelf een vorderingsrecht heeft op dit punt, is niet onderbouwd gesteld en ook niet gebleken.
6.14.
Meer concreet betekent dit dat de gevorderde verklaring voor recht onder I, eerste bullet (kort gezegd dat de opzegging geen redelijke grond had) wordt afgewezen. Ook vordering IV (een schadevergoeding van € 8.925.000,00 wegens onrechtmatige opzegging) wordt afgewezen.
6.15.
De gevorderde verklaring van recht onder I, derde bullet (kort gezegd dat sprake is van wanprestatie omdat SFVG niet de route van artikel 12.1 en 12.2 van de samenwerkingsovereenkomst heeft gevolgd) is evenmin toewijsbaar. Volgens [eiser 3] had de opzegging niet mogen plaatsvinden zonder eerst te overleggen en het geschil aan een mediator voor te leggen. De rechtbank begrijpt hieruit dat deze vordering ziet op het geschil over de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst. Aan een inhoudelijke beoordeling daarvan komt de rechtbank niet toe. Daarbij komt dat artikel 11.4 van de samenwerkingsovereenkomst bepaalt dat artikel 12.1 en 12.2 niet van toepassing zijn op een geschil over opzegging. Gelet op de afwijzing van de schadevordering bestaat er bovendien geen voldoende zelfstandig belang bij deze verklaring voor recht.
6.16.
Gelet op de overige beslissingen bestaat er ook geen voldoende zelfstandig belang bij de verklaring voor recht onder I, vierde bullet (kort gezegd dat aan [naam 2] de toegang tot het ziekenhuis had moeten worden ontzegd). Volgens [eiser 3] zou een toegangsontzegging van [naam 2] ertoe hebben geleid dat de samenwerking tussen [bedrijf 1] en SFVG ongestoord zou zijn voortgezet. Omdat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van de opzegging niet toekomt, valt niet in te zien welk afzonderlijk belang [eiser 1] zou kunnen hebben bij deze verklaring voor recht.
Ad b) de toegangsontzegging
6.17.
De rechtbank is van oordeel dat de ontzegging van de toegang van [eiser 2] tot het ziekenhuis onrechtmatig was jegens [eiser 1] . SFVG zal worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die [eiser 1] als gevolg van de toegangsontzegging heeft geleden. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de schadestaatprocedure. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.
De toegangsontzegging is niet gerechtvaardigd
6.18.
De mogelijkheid om een medisch specialist de toegang tot het ziekenhuis te ontzeggen is geregeld in artikel 13 van Pro bijlage 2 bij de samenwerkingsovereenkomst (zie hiervoor onder 3.5). Criterium voor een toegangsontzegging is dat sprake is van omstandigheden van zo ernstige aard, of een gegrond vermoeden van zodanige aard, dat aanwezigheid van de medisch specialist in het ziekenhuis niet langer kan worden geaccepteerd.
6.19.
Volgens SFVG is voldaan aan dit criterium. De directe aanleiding voor de toegangsontzegging was dat [eiser 2] (samen met [naam 1] ) kort na aanvang is weggelopen uit het gesprek op 25 september 2017. [eiser 2] en [naam 1] waren niet bereid om de RvB en het bestuur van de Vereniging Medische Staf (VMS) aan te horen. Uit hun gedrag bleek een dermate grote minachting voor en een gebrek aan vertrouwen in de RvB en het bestuur van de VMS, dat het (tijdelijk) ontzeggen van de toegang tot het ziekenhuis de enige optie was. [eiser 2] en [naam 1] onttrokken zich feitelijk aan het gezag van de RvB, op een moment dat er grote problemen speelden. Gelet daarop kon de RvB eenvoudigweg niet anders. [eiser 2] en [naam 1] waren op geen enkele wijze meer aan te sturen door de RvB, terwijl de RvB de eindverantwoordelijke is voor de goede gang van zaken en de zorgverlening binnen het ziekenhuis. In de samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat er een wederzijdse basis van respect en vertrouwen dient te zijn. Omdat daarvan bij [eiser 2] en [naam 1] geen sprake was, moest ingegrepen worden, aldus SFVG.
6.20.
[eiser 3] betwisten gemotiveerd dat is voldaan aan het criterium van artikel 13 van Pro bijlage 2 bij de samenwerkingsovereenkomst. Zij voeren aan dat een toegangsontzegging een uiterste remedie moet zijn, als er bijvoorbeeld sprake is van gevaar voor de kwaliteit of veiligheid van de patiëntenzorg. Zo’n situatie was niet aan de orde, aldus [eiser 3]
6.21.
De rechtbank stelt voorop dat het ontstane geschil tussen [bedrijf 1] en SFVG reden voor SFVG was om de samenwerkingsovereenkomst met [bedrijf 1] op te zeggen. Zoals eerder al is overwogen, komt de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van die opzegging niet toe. Wel moet de rechtbank beoordelen of het gerechtvaardigd was dat [eiser 2] op 25 september 2017 per direct de toegang tot het ziekenhuis werd ontzegd. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval was.
6.22.
Partijen zijn het er over eens dat de medische kwaliteiten van [eiser 2] en zijn medisch functioneren als kaakchirurg niet ter discussie stonden. De rechtbank gaat voorbij aan de algemene stelling van SFVG dat medisch specialisten die zich niet laten aansturen en zelfs niet bereid zijn om de RvB aan te horen per definitie een risico vormen voor de goede gang van zaken binnen een ziekenhuis en dus ook voor de patiëntveiligheid. Op geen enkele manier kan uit de stellingen van SFVG en de producties waar zij zich op beroept worden afgeleid dat het ontstane geschil ertoe heeft geleid dat patiënten van [eiser 2] in gevaar zijn gebracht, of dat daarop een concreet risico was ontstaan.
6.23.
Gelet op het voorgaande is het ontzeggen van toegang geen proportionele reactie op het weglopen van [eiser 2] uit het gesprek op 25 september 2017. Het had op de weg van SFVG gelegen om, zolang aan de samenwerkingsovereenkomst geen einde was gekomen, zich te blijven inspannen om een andere oplossing te zoeken, waardoor [eiser 2] zijn werkzaamheden als kaakchirurg in het ziekenhuis zou kunnen voortzetten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiser 2] al sinds 1984 als kaakchirurg aan SFVG verbonden was en evident is dat [eiser 2] een groot belang had bij voortzetting van zijn praktijk. Volgens SFVG was er sprake van onrust op de polikliniek, maar zij heeft niet concreet toegelicht en onderbouwd dat die onrust in de weg stond aan voortzetting van de werkzaamheden van [eiser 2] . Dat SFVG naar een andere oplossing heeft gezocht is niet gesteld en ook niet gebleken. Op de vraag van de rechtbank of op 25 september 2017 geen mediationtraject had kunnen worden gestart, heeft SFVG op de zitting geantwoord dat dat had gekund, maar niet aan de orde is gesteld.
6.24.
Ook de andere in de brief van 25 september 2017 genoemde omstandigheden rechtvaardigen de toegangsontzegging niet. In de brief staat dat de samenwerking tussen de bestuurders van [bedrijf 1] dermate slecht is dat van samenwerking feitelijk geen sprake is, dat [bedrijf 1] niet in staat is gebleken om met de RvB vruchtbaar overleg te voeren over de toekomst van [bedrijf 1] binnen het ziekenhuis, dat [eiser 2] en [naam 1] tijdens de zitting bij de Ondernemingskamer op 20 september 2017 ernstige beschuldigingen jegens de RvB hebben geuit en dat zij zorgverzekeraar DSW hebben geïnformeerd. Hieruit kan worden afgeleid dat (en waarom) SFVG de wens had om de samenwerkingsovereenkomst met [bedrijf 1] te beëindigen, maar niet dat aanwezigheid van [eiser 2] in het ziekenhuis niet langer kon worden geaccepteerd.
6.25.
SFVG wijst er verder nog op dat uit een brief van [eiser 2] van 3 januari 2017 al bleek dat hij geen enkel respect voor en vertrouwen in de RvB had. Het gebrek aan respect en vertrouwen blijkt volgens SFVG ook uit de omstandigheid dat [eiser 2] niet heeft deelgenomen aan het gesprek dat, op verzoek van [eiser 2] en [naam 1] , plaatsvond op 9 oktober 2017. Omdat op geen enkele manier bleek dat de vertrouwensbreuk met [eiser 2] kon worden hersteld, bestond er ook geen opening om zijn toegangsontzegging in te trekken, aldus SFVG. Deze stellingen kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Zij laten onverlet dat de toegangsontzegging in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd is opgelegd en gehandhaafd, omdat geen sprake was van omstandigheden van zo ernstige aard dat aanwezigheid van [eiser 2] in het ziekenhuis niet langer kon worden geaccepteerd.
Vordering I tweede bullet is deels toewijsbaar
6.26.
SFVG had [eiser 2] dus niet de toegang tot het ziekenhuis mogen ontzeggen. Vast staat dat [eiser 2] , naar aanleiding van het vonnis van de voorzieningenrechter van 16 maart 2018, per 1 april 2018 weer toegang tot het ziekenhuis heeft gekregen en zijn werkzaamheden als kaakchirurg heeft hervat. De toegangsontzegging betreft dus de periode van 25 september 2017 tot 1 april 2018.
6.27.
[eiser 1] is in dit kader vorderingsgerechtigd. Zij is immers de partij die minder omzet heeft gegenereerd omdat [eiser 2] zijn werkzaamheden als kaakchirurg in het ziekenhuis in de genoemde periode niet heeft kunnen verrichten. Voor zover de vorderingen op dit punt zijn ingesteld door [eiser 2] zelf, zijn zij niet toewijsbaar. Dat in dit kader (ook) sprake is van een vordering van [bedrijf 1] die aan [eiser 1] is gecedeerd, is niet gesteld en ook niet gebleken.
6.28.
Omdat tussen [eiser 1] en SFVG geen contractuele relatie bestaat, is er geen sprake van wanprestatie. Wel is sprake van onrechtmatig handelen van SFVG jegens [eiser 1] . De gevorderde verklaring voor recht onder I, tweede bullet, zal dan ook in zoverre worden toegewezen dat voor recht wordt verklaard dat SFVG onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] door de ontzegging van de toegang van [eiser 2] tot het ziekenhuis van SFVG in de periode van 25 september 2017 tot 1 april 2018.
6.29.
Voor zover de gevorderde verklaring voor recht onder I, tweede bullet betrekking heeft op het niet in overleg treden over een schadevergoeding nadat bleek dat de toegangsontzegging ongegrond was (zoals bedoeld in artikel 13.2 van bijlage 2 bij de samenwerkingsovereenkomst), zal deze worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is welk afzonderlijk belang [eiser 1] heeft bij dit deel van de vordering.
Vordering III wordt verwezen naar de schadestaatprocedure
6.30.
De gevorderde schadevergoeding van € 350.000,00 (vordering III) is onvoldoende onderbouwd en daarom niet toewijsbaar.
6.31.
[eiser 1] begroot haar schade op de omzet die zij is misgelopen in de periode van de toegangsontzegging van [eiser 2] , die een half jaar heeft geduurd. Daarbij is [eiser 1] uitgegaan van de afgesproken jaaromzet van [bedrijf 1] van € 2.100.000,00. Gedeeld door drie levert dat een omzet per kaakchirurg op van € 700.000,00 per jaar. Een half jaar misgelopen omzet bedraagt dus € 350.000,00, aldus [eiser 1] . SFVG betwist dat [eiser 1] de gestelde schade heeft geleden.
6.32.
Om de omvang van de schade te kunnen bepalen, moet een vergelijking worden gemaakt tussen de werkelijke situatie en de situatie zoals die zou zijn geweest zonder de toegangsontzegging. [eiser 1] heeft vooralsnog geen toereikende onderbouwing gegeven voor een verantwoorde begroting van de hoogte van de schade. Zij stelt slechts dat zij waarnemers heeft moeten inschakelen om de diensten van [eiser 2] in het ziekenhuis over te nemen. Volgens [eiser 1] konden de waarnemers niet de omzet van een zeer ervaren kaakchirurg als [eiser 2] realiseren en bleef er na aftrek van hun honorarium en kosten bijna niets over voor [eiser 1] . Hiermee is evenwel geen inzicht gegeven in de concrete omzetcijfers, de kosten en het effect van de inschakeling van waarnemers. SFVG heeft bovendien onweersproken gesteld dat een deel van de praktijk van [eiser 1] al voor de toegangsontzegging is verkocht aan een andere kaakchirurg. Ook daarmee is geen rekening gehouden. De voor de schadebegroting benodigde informatie kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet worden afgeleid uit de door [eiser 3] als productie 39 overgelegde berekening van teruggelopen inkomsten en de daarbij gevoegde jaarrekeningen.
6.33.
De schade kan dus niet worden begroot op het door [eiser 1] gestelde bedrag van € 350.000,00. Ook ontbreekt het de rechtbank aan aanknopingspunten om de omvang van de schade te kunnen schatten. De rechtbank zal de vordering tot schadevergoeding op de voet van artikel 612 Rv Pro verwijzen naar de schadestaatprocedure. Dat kan als (i) de grondslag van de aansprakelijkheid van de schuldenaar vast staat, (ii) de mogelijkheid van schade aannemelijk is en (iii) de begroting van de schade in de hoofdprocedure niet mogelijk is. Aan deze vereisten is in dit geval voldaan.
Ad c) de gestelde verkoop van de kaakchirurgiepraktijk
6.34.
De vorderingen van [eiser 3] die zijn gegrond op de stelling dat SFVG ongerechtvaardigd is verrijkt door de verkoop van de kaakchirurgiepraktijk aan [bedrijf 4] zonder afdracht van een vergoeding voor goodwill aan [bedrijf 1] , zijn niet toewijsbaar. De rechtbank licht dat hierna toe.
SFVG is niet ongerechtvaardigd verrijkt
6.35.
Volgens [eiser 3] is SFVG ongerechtvaardigd verrijkt door de overdracht van de door [bedrijf 1] opgebouwde kaakchirurgiepraktijk aan [bedrijf 4] voor een bedrag van tenminste € 2.200.000,00. Dit bedrag is kennelijk de waarde van de goodwill op het moment dat [bedrijf 4] de kaakchirurgie binnen SFVG ging verzorgen. SFVG had [bedrijf 1] in de gelegenheid moeten stellen om na beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst zelf (de goodwill van) de kaakchirurgiepraktijk te verkopen. SFVG heeft dat niet gedaan en heeft ten koste van [bedrijf 1] geprofiteerd van de door [bedrijf 1] opgebouwde goodwill, aldus [eiser 3]
6.36.
SFVG betwist dat zij de kaakchirurgiepraktijk heeft verkocht aan [bedrijf 4] . Zij voert aan dat zij een overeenkomst heeft gesloten met [bedrijf 4] , die ertoe strekt dat [bedrijf 4] binnen het ziekenhuis zelfstandig (en dus niet namens of in samenwerking met SFVG) kaakchirurgie aanbiedt. In dat kader zijn volgens SFVG afspraken gemaakt over de overname van apparatuur, het gebruik van ruimten en het overnemen van personeel. Er zijn geen patiënten of behandelingsovereenkomsten overgedragen, want die waren er niet meer. [bedrijf 4] is helemaal opnieuw begonnen en heeft dus ook geen goodwill betaald, aldus SFVG.
6.37.
Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf 4] sinds medio 2020 de kaakchirurgie in SFVG verzorgt. [eiser 3] betwisten op zichzelf niet dat de polikliniek kaakchirurgie leegstond sinds de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst met [bedrijf 1] (per 1 januari 2019). Ook betwisten zij niet dat tussen 1 januari 2019 en medio 2020 geen kaakchirurgie werd aangeboden binnen SFVG. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [eiser 3] dat dit het gevolg is van de onrechtmatige opzegging van de samenwerkingsovereenkomst. Zoals eerder is toegelicht, komt de rechtbank aan de vraag of de opzegging (on)rechtmatig was niet toe.
6.38.
De rechtbank gaat er dus van uit dat, toen SFVG een overeenkomst sloot met [bedrijf 4] , er al anderhalf jaar lang geen lopende kaakchirurgiepraktijk meer was in het ziekenhuis. Gelet daarop lag het op de weg van [eiser 3] om nader te stellen en te onderbouwen dat SFVG niet alleen apparatuur en personeel aan [bedrijf 4] heeft overgedragen, maar ook goodwill. [eiser 3] hebben dat niet gedaan. De stelling dat vergoeding van goodwill ook bij vrijgevestigde medisch specialisten een gangbare praktijk is, is daartoe niet voldoende. Dat geldt ook voor de stelling dat goodwill vaak een jaaromzet bedraagt en dat het door [bedrijf 4] betaalde bedrag (van € 2.200.000,00) in dit geval nagenoeg gelijk is aan de jaaromzet van [bedrijf 1] (van € 2.100.000,00). Daarmee blijft onverlet dat onvoldoende is gesteld en ook niet is gebleken dat medio 2020 (nog) sprake was van goodwill die aan [bedrijf 1] toebehoorde en aan [bedrijf 4] is overgedragen.
Vordering I vijfde bullet en vordering V zijn niet toewijsbaar
6.39.
Van ongerechtvaardigde verrijking is dus geen sprake. De daarop gebaseerde verklaring voor recht (het tweede deel van vordering I, vijfde bullet) en de vordering tot betaling van € 2.200.000,00 (vordering V) zijn daarom niet toewijsbaar.
6.40.
Ook het eerste deel van de gevorderde verklaring voor recht (dat aan [bedrijf 1] geen of onvoldoende gelegenheid is geboden om haar praktijk aan een derde over te dragen) is niet toewijsbaar. SFVG betwist dat zij gehouden was om [bedrijf 1] of haar aandeelhouders in de gelegenheid te stellen om de praktijk te verkopen. Ook stelt SFVG dat [bedrijf 1] of de individuele kaakchirurgen er nooit blijk van hebben gegeven dat zij met SFVG in gesprek wilden over de situatie na 1 januari 2019. [bedrijf 1] is gewoon vertrokken zonder enig bericht en zonder enige overdracht, aldus SFVG. Volgens SFVG stond het [bedrijf 1] vrij om (pogingen te ondernemen om) de praktijk te verkopen, maar heeft zij daartoe geen enkel initiatief genomen. Een gemotiveerde betwisting van deze stellingen door [eiser 3] is uitgebleven. Alleen daarom al ontbreekt een grondslag voor toewijzing van de vordering op dit punt. Bovendien is het standpunt van [eiser 3] , dat [bedrijf 1] de praktijk niet heeft kunnen overdragen als gevolg van de onregelmatige opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door SFVG, achterhaald door het oordeel dat de opzegging vast staat en daar geen toetsing van plaatsvindt. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat, aangezien er na 1 januari 2019 geen kaakchirurgische zorg meer werd aangeboden binnen SFVG, er op enig moment geen over te dragen praktijk meer bestond.
Conclusie en nevenvorderingen
6.41.
Conclusie van het voorgaande is dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat SFVG onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] door de ontzegging van de toegang van [eiser 2] tot het ziekenhuis van SFVG in de periode van 25 september 2017 tot 1 april 2018. SFVG zal in dat kader worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser 1] , op te maken bij staat. Alle andere hoofdvorderingen van [eiser 3] worden afgewezen.
6.42.
De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,00 (vordering VI) wordt ook afgewezen. SFVG betwist dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die vergoeding rechtvaardigen. Omdat de vordering op dit punt in het geheel niet is onderbouwd, is er voor toewijzing daarvan geen plaats.
6.43.
De rechtbank zal SFVG veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser 1] . Hoewel maar een betrekkelijk klein deel van de vorderingen van [eiser 1] wordt toegewezen, heeft zij de procedure niet zonder grond gestart en voortgezet. De rechtbank ziet aanleiding om bij de bepaling van het toepasselijke liquidatietarief uit te gaan van uitsluitend de toegewezen vorderingen.
6.44.
De proceskosten van [eiser 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
112,37
- griffierecht
6.617,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.224,37
6.45.
Alle vorderingen van [eiser 2] worden afgewezen. Voor zover de procedure door hem is ingesteld, is hij dus de partij die in het ongelijk wordt gesteld en moet hij worden veroordeeld in de proceskosten. Omdat niet gebleken is dat SFVG afzonderlijke kosten heeft gemaakt om zich te verweren tegen de vorderingen van [eiser 2] , worden de kosten van SFVG begroot op nihil.
6.46.
De vordering het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is gegrond op de wet en niet weersproken, zodat deze wordt toegewezen.

7.De beoordeling in het artikel 843a (oud) Rv-incident

7.1.
In het incident vorderen [eiser 3] afschrift van of inzage in stukken. Doel daarvan is het onderbouwen van (de hoogte van) de vordering tot schadevergoeding in verband met misgelopen goodwill.
7.2.
In de hoofdzaak is geoordeeld dat de vorderingen in verband met misgelopen goodwill niet toewijsbaar zijn. [eiser 3] hebben daarom geen belang bij de incidentele vordering op grond van artikel 843a (oud) Rv. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.
7.3.
Omdat [eiser 3] ongelijk krijgen, worden zij (hoofdelijk) veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van SFVG in het incident. Deze kosten worden begroot op:
- salaris advocaat
653,00
(1 punt × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
842,00
7.4.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
7.5.
Het vonnis wordt, zoals gevraagd door SFVG, uitvoerbaar bij voorraad verklaard ten aanzien van de proceskostenveroordeling.

8.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak
8.1.
verklaart voor recht dat SFVG jegens [eiser 1] aansprakelijk is voor de schade die door [eiser 1] is geleden als gevolg van de onrechtmatige ontzegging van de toegang van [eiser 2] tot het ziekenhuis van SFVG in de periode van 25 september 2017 tot 1 april 2018,
8.2.
veroordeelt SFVG tot vergoeding aan [eiser 1] van die schade, op te maken bij staat,
8.3.
veroordeelt SFVG in de proceskosten van [eiser 1] van € 8.224,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SFVG niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
8.4.
wijst het meer of anders gevorderde, waaronder de vorderingen van [eiser 2] , af,
8.5.
veroordeelt [eiser 2] in de proceskosten van SFVG, tot op heden begroot op nihil,
8.6.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
in het artikel 843a (oud) Rv-incident
8.7.
wijst de vorderingen van [eiser 3] af,
8.8.
veroordeelt [eiser 3] hoofdelijk in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser 3] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
8.9.
veroordeelt [eiser 3] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
8.10.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans, mr. D.L. Spierings en mr. S.V. Hardonk en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
1977/1694/2459/3407