Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3644

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/10/703192 / HA ZA 25-586
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:194 lid 2 BWArt. 6:81 BWArt. 6:83 sub b BWArt. 6:96 lid 2 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling waarde verbeurdverklaarde woning na heimelijke verkoop door ex-echtgenoot

De vrouw en de man zijn ex-echtgenoten die in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Tijdens de echtscheidingsprocedure verzweeg de man het bestaan van een woning in Marokko, waarop het hof oordeelde dat hij zijn aandeel in die woning had verbeurd en dat deze volledig aan de vrouw toekwam. Later bleek dat de man de woning al vóór de uitspraak van het hof aan een derde had verkocht en de opbrengst niet aan de vrouw had betaald.

De vrouw vorderde betaling van de waarde van de woning en de inboedel, terwijl de man tegenvorderingen stelde. De rechtbank oordeelde dat de man onrechtmatig had gehandeld door de woning te verkopen vóór de uitspraak en veroordeelde hem tot betaling van de waarde van de woning, gesteld op de verkoopsom in de koopakte. De man kon zijn stelling dat hij een lening had afgelost met de verkoopopbrengst onvoldoende onderbouwen.

De rechtbank wees de tegenvorderingen van de man af, waaronder betaling van een bedrag voor de kinderen, een dwangsom en afgifte van foto’s. De man werd veroordeeld in de proceskosten. De veroordelingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot betaling van € 28.863,08 plus wettelijke rente aan de vrouw wegens onrechtmatige verkoop van de woning.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/703192 / HA ZA 25-586
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. D. Brouwer,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. P.K. de Blieck-Willemsen.

1.De zaak in het kort

1.1.
De vrouw en de man zijn ex-echtgenoten. Zij waren in gemeenschap van goederen gehuwd. In het kader van de echtscheiding en verdeling heeft de man opzettelijk verzwegen dat er een gemeenschappelijke woning in Marokko was, waarop het hof heeft beslist dat de man zijn aandeel in die woning en de bijbehorende inboedel heeft verbeurd en dat die zaken voor 100% aan de vrouw toekomen. Later is echter gebleken dat de man deze woning al vóór de uitspraak van het hof aan een derde had verkocht. Hij heeft de verkoopopbrengst niet aan de vrouw afgedragen. De vrouw vordert in deze procedure veroordeling van de man tot betaling aan haar van de waarde van die woning en de inboedel. De man stelt ook een aantal vorderingen op de vrouw te hebben.
1.2.
De rechtbank beslist dat de man de waarde van de verbeurdverklaarde zaken aan de vrouw moet betalen. Die waarde wordt gesteld op de verkoopsom, zoals die in de koopakte staat. Niet is komen vast te staan dat daarop nog de terugbetaling van een lening in mindering moet worden gebracht, zoals de man stelt. De vorderingen van de man worden afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding, met producties 1 tot en met 6;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 23;
  • de akte vermindering van eis in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie van de vrouw, met producties 7 tot en met 15;
  • het bericht van de rechtbank van 8 december 2025 met daarin een zittingsagenda;
  • de akte aanvullende producties met toelichting van de man, met producties 24 tot en met 35;
  • de mondelinge behandeling op 8 januari 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn op 17 mei 2013 in Marokko gehuwd. Partijen hebben (en hadden ten tijde van het sluiten van het huwelijk) beiden zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit.
3.2.
De man en de vrouw hebben samen twee minderjarige kinderen, [naam 1] en [naam 2] .
3.3.
Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 26 maart 2021 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is beslist over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De rechtbank heeft hierin – onder andere – bepaald dat de vrouw de foto’s van [naam 1] en van het huwelijk van partijen aan de man moet afgeven en dat de vrouw een bedrag van € 2.853,88 moet storten op een gezamenlijke spaarrekening ten behoeve van de kinderen.
3.4.
Daarna is de man een kort geding procedure gestart bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, over afgifte van de paspoorten van de kinderen door de vrouw aan de man. De voorzieningenrechter heeft op 11 oktober 2021 geoordeeld dat de vrouw vóór 13 oktober 12.00 uur de paspoorten van de kinderen aan de man moet afgeven voor een reis van een week naar Spanje, op straffe van een dwangsom.
3.5.
De vrouw is in hoger beroep gekomen van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in hoger beroep bij beschikking van 10 februari 2022 uitspraak gedaan. In die beschikking heeft het hof – anders dan de rechtbank – vastgesteld dat de man op de peildatum van 5 juni 2020 eigenaar was van een woning aan de [naam 2] , (etc.) in [plaats] , Marokko (hierna: de woning). Die woning behoort dus (ook) tot het te verdelen gemeenschappelijk vermogen van de man en de vrouw, aldus het hof. Het hof heeft verder geoordeeld dat, omdat de man steeds heeft ontkend dat hij eigenaar is van die woning, de man deze woning en de daarbij behorende inboedel voor de vrouw opzettelijk heeft verzwegen. De sanctie daarop is dat de man zijn aandeel daarin heeft verbeurd, wat betekent dat deze zaken geheel aan de vrouw toekomen, aldus het hof. Het hof heeft geoordeeld dat het aan partijen is om de wijze van verdeling in Marokko te effectueren. Het hof heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.6.
De man heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof. In cassatie is het oordeel van het hof over de woning in stand gelaten.
3.7.
De advocaat van de vrouw heeft op 27 mei 2025 de man schriftelijk gesommeerd om een bedrag van € 85.000,- ter zake van de waarde van de woning en de inboedel aan de vrouw te betalen.

4.Het geschil

In conventie
4.1.
Samengevat vordert de vrouw, na vermindering van eis, om de man, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 81.820,- en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.625,- , een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling in de proceskosten.
4.2.
De man voert verweer in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen, althans tot afwijzing.
In reconventie
4.3.
Samengevat vordert de man in reconventie om de vrouw te veroordelen tot:
betaling van de proceskosten van deze procedure;
betaling van een bedrag van € 2.853,88, te storten op de gezamenlijke spaarrekening ten behoeve van de kinderen, conform de beschikking van de rechtbank van 26 maart 2021, op straffe van een dwangsom;
betaling van de dwangsom die de voorzieningenrechter bij vonnis van 11 oktober 2021 heeft opgelegd;
afgifte van een kopie van de foto’s van [naam 1] en het huwelijk van partijen, conform de beschikking van de rechtbank van 26 maart 2021, op straffe van een dwangsom.
4.4.
De vrouw voert verweer in reconventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen, althans tot afwijzing, met veroordeling van de man in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.De beoordeling

In conventie en reconventie
Inleidende opmerking
5.1.
Tussen de man en de vrouw zijn heel veel procedures gevoerd. Dit begon al in 2020, vóór de echtscheiding, met een verzoek van de man aan de rechtbank om de vrouw te bevelen om terug te verhuizen naar de echtelijke woning, welk verzoek werd afgewezen. Daarna volgden vele procedures – in Nederland en Marokko – onder andere over de echtscheiding, de verdeling en andere nevenvoorzieningen zoals partneralimentatie, vakantieregelingen van de kinderen en verzoeken rondom de kosten en verdeling van taken van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
In conventie
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man de woning op 17 september 2021 heeft verkocht en geleverd aan een derde. In de koopakte is als koopsom van de woning een bedrag van 300.000,- Marokkaanse Dirham (MAD) genoemd.
5.3.
De vrouw legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Hangende de procedure bij het hof heeft de man de woning heimelijk verkocht. De vrouw heeft dit pas begin 2025 ontdekt, toen zij haar advocaat in Marokko had opgedragen om onderzoek naar de woning te doen. Nu de man niet meer in staat is om de woning met inboedel op naam van de vrouw te stellen, terwijl hij daartoe op grond van de beschikking van het hof wel is verplicht, is de man verplicht de waarde van het appartement en de inboedel aan haar te vergoeden. Zij stelt – na eisvermindering – dat die waarde € 81.820,- is. Dit is meer dan de prijs die in de koopakte van 17 september 2021 is genoemd; die prijs is niet reëel. Volgens de vrouw is het namelijk in Marokko – om fiscale redenen – gebruikelijk om bij de koop van een woning in Marokko een onwerkelijk lage prijs in de koopakte te vermelden.
5.4.
De man voert als meest verstrekkende verweren aan (i) dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is en dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering omdat het hof al over de woning heeft geoordeeld. Hij betwist verder (ii) dat hij verplicht is een bedrag ter zake van de woning en de inboedel aan de vrouw te betalen. De woning was volgens de man veel minder waard dan de vrouw stelt en bovendien heeft hij met de verkoopopbrengst een lening terugbetaald die hij was aangegaan ter financiering van de aanschaf van die woning in 2015, aldus de man.
5.5.
De rechtbank verwerpt de verweren onder (i). Zij is verder van oordeel (ii) dat de man onrechtmatig jegens de vrouw heeft gehandeld en dat hij de door haar geleden schade moet vergoeden. Die schade bedraagt € 28.863,08 Dit wordt hierna toegelicht.
Ad (i): De meest verstrekkende verweren van de man worden verworpen
5.6.
De Nederlandse rechter is bevoegd kennis te nemen van dit geschil, omdat beide partijen in Nederland wonen. Dat het onderwerp van geschil (de waarde van) een woning in Marokko is, doet hier, anders dan de man stelt, niet aan af.
5.7.
Verder stelt de man dat het hof in zijn beschikking van 10 februari 2022 heeft geoordeeld dat partijen in Marokko de wijze van verdeling van de woning moesten effectueren, in de zin dat aldaar overdracht van het aandeel in de woning door de man aan de vrouw moest plaatsvinden. Om die reden zou de Marokkaanse rechter bevoegd zijn, en niet de Nederlandse rechter, aldus de man. De rechtbank volgt de man hierin niet en verwijst naar wat zij hiervoor heeft overwogen over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De man miskent hiermee ook dat het in de onderhavige procedure niet gaat om de vraag hoe de overdracht van het aandeel van de man in de woning aan de vrouw moet worden geëffectueerd. Die woning heeft hij immers al verkocht aan een derde en kan hij dus niet meer aan de vrouw overdragen. Het gaat in deze procedure om de vraag of de man onrechtmatig jegens de vrouw heeft gehandeld door de gemeenschappelijke woning al te verkopen vóór de beslissing van het hof daarover, gegeven de omstandigheid dat hij het bezit van die woning eerder opzettelijk heeft verzwegen.
5.8.
De rechtbank verwerpt ook het verweer van de man dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. De man stelt in dit verband dat het hof al over deze kwestie heeft geoordeeld en dat het voor hem onduidelijk is waarom de vrouw dit onderwerp weer aanvoert. Zij heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een nieuwe procedure in Nederland rechtvaardigen, aldus de man.
5.9.
De rechtbank neemt aan dat de man bedoeld heeft een beroep te doen op het gezag van gewijsde van de uitspraak van het hof (artikel 236 Rv Pro). Dit beroep slaagt niet. Het hof heeft beslist op de vordering van de vrouw ex artikel 3:194 lid 2 BW Pro. In de huidige procedure is de vordering van de vrouw gebaseerd op een andere grondslag – onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW Pro – en ook deels op andere feiten, namelijk het feit dat de man de woning al had verkocht vóór de uitspraak van het hof. Hierop heeft het hof niet beslist. Het is dus niet juist dat het gezag van gewijsde van de uitspraak van het hof in de weg staat aan de huidige procedure.
Ad (ii): De man moet de waarde van de woning aan de vrouw vergoeden.
5.10.
Vraag is of de handelwijze van de man een onrechtmatige daad jegens de vrouw oplevert. De rechtbank oordeelt van wel. De man heeft tijdens de gehele echtscheidingsprocedure – zoals het hof heeft geoordeeld – opzettelijk verzwegen dat hij eigenaar was van de woning. Dit terwijl hij wist dat die woning behoorde tot het te verdelen vermogen van de man én de vrouw. Hij wist verder dat juist die woning onderwerp van geschil was bij de procedure die op dat moment bij het hof aanhangig was en wist dus ook dat hij door de woning te verkopen aan een derde een – voor hem ongunstig en voor de vrouw gunstig – oordeel van het hof op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro zou frustreren en daarmee de woning aan de vrouw zou onttrekken. Ondanks dit alles heeft hij toch die woning, voorafgaand aan het oordeel van het hof, in september 2021 tussentijds verkocht, ook nog zonder instemming van de vrouw en zonder haar daarover destijds te informeren. Door aldus te handelen heeft hij onrechtmatig jegens de vrouw gehandeld (artikel 6:162 BW Pro).
5.11.
Dat van onrechtmatig handelen slechts sprake zou kunnen zijn als de man de woning ná de uitspraak van het hof zou hebben verkocht, zoals de man aanvoert, is dus niet juist. Ook door de woning voorafgaand aan het oordeel van het hof te verkopen, heeft hij het oordeel van het hof gefrustreerd. Dat het hof ermee bekend was dat de woning reeds voor de uitspraak van 10 februari 2022 niet meer op zijn naam stond, volgt de rechtbank ook niet. Dit blijkt niet uit de beschikking van het hof. Dit strookt bovendien ook niet met de procespositie van de man in die procedure waarin hij steevast heeft ontkend dat hij eigenaar was van deze woning.
5.12.
Als uitgangspunt geldt dat de schade van de vrouw gesteld wordt op de waarde van de zaken die op deze manier wederrechtelijk aan haar zijn ontnomen.
5.13.
De vrouw stelt dat de waarde van de ontnomen zaken in totaal € 81.820,- bedraagt. Zij stelt dat de woning een waarde had van € 71.820,- en dat de inboedel € 10.000,- waard was.
5.14.
De man betwist dit. De woning is volgens de man op 17 september 2021 verkocht voor 300.000,- MAD, zoals in de koopakte staat. Er is niets onder de tafel betaald. De woning maakte onderdeel uit van een sociaal woonprogramma in Marokko. Hij heeft die woning in 2015 gekocht voor een bedrag van 250.000,- MAD. De verkoopprijs van deze woningen ligt onder de marktwaarde en is gebonden aan strikte regelgeving.
5.15.
Op de vrouw rust de stelplicht ten aanzien van de waarde van de woning en de inboedel, nu zij zich op de rechtsgevolgen beroept van de door haar gestelde feiten. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw haar stelling over de waarde van de woning onvoldoende onderbouwd. Zij heeft alleen verkoopadvertenties uit 2025 overgelegd met daarin vraagprijzen van woningen in de buurt van de woning in kwestie. Zij heeft niet uitgelegd waarom en in hoeverre de waarde van die woningen vergelijkbaar is met de waarde van deze woning. Daarnaast zijn dit advertenties uit 2025, terwijl de woning in 2021 al is verkocht. Het had voor de hand gelegen dat de vrouw bijvoorbeeld een taxatierapport van de woning had overgelegd of een verklaring van een makelaar over de waarde, wat zij niet heeft gedaan. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw desgevraagd verklaard dat er geen (ander) bewijs voorhanden is waaruit de waarde van de woning blijkt. De vrouw heeft niet betwist dat de woning onderdeel uitmaakte van een sociaal woonprogramma, wat een waardedrukkend effect zou hebben volgens de man.
5.16.
Niet is dus komen vast te staan dat de woning een waarde had van € 71.820,-. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van de waarde zoals is vermeld in de koopakte d.d. 17 september 2021 (300.000,- MAD). Tussen partijen is niet in geschil dat dit omgerekend € 28.863,08 is.
5.17.
Ook is niet komen vast te staan dat de inboedel van de woning € 10.000,- waard was, zoals de vrouw stelt. De vrouw heeft haar stelling op dit punt niet onderbouwd. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw geantwoord dat de vrouw eigenlijk helemaal niet zeker weet of er inboedel in de woning stond. In de dagvaarding heeft de vrouw volstaan met een verwijzing naar een stelling van de man in de procedure bij het hof, waaruit volgens haar zou volgen dat de man van mening was dat deze inboedel € 10.000,- waard was. Die stelling van de man zag echter op een andere woning in [plaats] , waarover een geschil bestond. Gelet op de betwisting door de man dat er sprake was van een inboedel van enige waarde, wordt de waarde van de inboedel, als die er al was, dus gesteld op nihil.
5.18.
De vraag is vervolgens of op dit bedrag nog een bedrag in mindering moet worden gebracht in verband met een eerdere lening die zou zijn terugbetaald uit de verkoopopbrengst van de woning, zoals de man stelt. De vrouw betwist het bestaan van een eerdere lening. De rechtbank oordeelt dat het bestaan van een eerdere lening niet is komen vast te staan.
5.19.
De man heeft pas ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gesteld en stukken overgelegd waaruit zou volgen dat hij een lening van 250.000,- MAD was aangegaan voor de aankoop van de woning. Hij stelt dat hij in september 2021 de verkoopopbrengst van de woning in contanten heeft ontvangen en dat hij met die contanten deze lening heeft afgelost. De netto-verkoopopbrengst was dus nihil en daarom is hij niet verplicht de vrouw enig bedrag te betalen, aldus de man. De rechtbank acht de stellingen van de man op dit punt onvoldoende onderbouwd. In zijn conclusie van antwoord heeft hij deze “lening” van 250.000,- MAD helemaal niet genoemd. Ook in de eerdere echtscheidingsprocedure bij de rechtbank en het hof heeft de man deze lening op geen enkel moment genoemd, terwijl dit wel voor de hand gelegen had als er daadwerkelijk sprake was geweest van een lening. Die had dan namelijk ook in zijn voordeel bij de verdeling van de gemeenschap kunnen worden betrokken. Andere schulden zijn wel ter gelegenheid van de verdeling meegenomen. In het licht van het voorgaande had het voor de hand gelegen dat de man een (aannemelijke) verklaring had gegeven voor het feit dat hij het bestaan van deze lening eerder nooit heeft genoemd. Ook dat heeft hij niet gedaan, ondanks het feit dat hij daarop ter zitting specifiek is bevraagd.
5.20.
Het voorgaande wordt niet anders door het stuk dat de man ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in deze procedure heeft overgelegd. Dit betreft een document in de Marokkaanse taal waarin blijkens de – onofficiële – Nederlandse vertaling staat dat de man en een daarin genoemde leninggever op 7 oktober 2025 verklaren dat de man op 17 september 2021 in contanten een lening van 250.000,- MAD voor de woning heeft afbetaald. Dat dit Marokkaanse stuk is voorzien van een apostille, maakt dit ook niet anders omdat een apostille niets zegt over de juistheid van de inhoud van het document zelf. Dit stuk biedt niet alsnog de verklaring voor de hiervoor beschreven ongerijmdheden.
De gevorderde wettelijke rente
5.21.
De vrouw vordert wettelijke rente over de toegewezen hoofdsom vanaf 10 februari 2022, de datum van de beschikking van het hof. De man heeft dit niet betwist. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe, zoals is gevorderd, omdat de man in elk geval vanaf de datum van de beschikking van het hof in verzuim was met vergoeding van de schade aan de vrouw (artikel 6:81 jo Pro. 6:83 sub b BW).
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten
5.22.
De vrouw vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Die vordering wordt afgewezen, omdat niet aan de wettelijke eisen is voldaan. Op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder c BW komen buitengerechtelijke incassokosten als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking, onder meer als het gaat om redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens ingeval krachtens artikel 241 Rv Pro de regels omtrent proceskosten van toepassing zijn. De vrouw heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een aanmaning. De advocaat van de vrouw heeft voor het eerst bij brief van 27 mei 2025 de man gesommeerd tot betaling over te gaan. De kosten waarvan de vrouw vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskosten – in de regel – een vergoeding inhouden.
In reconventie
5.23.
In reconventie gaat het om vorderingen van de man, waarover in eerdere procedures al is beslist, maar waar de vrouw volgens de man niet aan heeft voldaan.
5.24.
De vorderingen onder ii. en iv. (betaling van € 2.853,88 en afgifte van bepaalde foto’s) houden verband met de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap. In die eerdere procedures is beslist dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank ziet geen reden om daarover anders te oordelen.
5.25.
De rechtbank wijst de vorderingen in reconventie af. Zij licht dat hierna toe.
Spaargeld van de kinderen
5.26.
De rechtbank heeft in haar beschikking van 21 maart 2021 – op verzoek van de man – bepaald dat de vrouw een bedrag van € 2.853,88 moet storten op een gezamenlijke spaarrekening ten behoeve van de kinderen. Deze beslissing is in de procedure bij het hof in stand gelaten.
5.27.
De man vordert in deze procedure dat de vrouw, conform de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank, wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag, te storten op een gezamenlijke spaarrekening ten behoeve van de kinderen, omdat de vrouw niet aan de beslissing van de rechtbank heeft voldaan. Ditmaal op straffe van een dwangsom. De vrouw doet bij wijze van verweer een beroep op het gezag van gewijsde van de eerdere beslissing.
5.28.
Op grond van artikel 236 Rv Pro hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht (het gezag van gewijsde). Een beroep op het gezag van gewijsde van een beslissing dient er mede toe om een hernieuwd debat over al besliste geschilpunten te voorkomen. Een geslaagd beroep op het gezag van gewijsde leidt tot afwijzing van de vordering. Artikel 236 Rv Pro leent zich overigens voor analogische toepassing op beschikkingen op verzoekschrift waarin beslissingen zijn gegeven over een rechtsbetrekking in geschil tussen partijen. [1]
5.29.
Gelet op dat wat hiervoor is overwogen, heeft de beslissing van de rechtbank van 21 maart 2021 die inhield dat de vrouw het spaargeld van de kinderen op een gezamenlijke spaarrekening moet storten gezag van gewijsde. Dit leidt ertoe dat de vordering wordt afgewezen.
5.30.
Ook de gevorderde dwangsom wordt afgewezen. De rechter heeft een discretionaire bevoegdheid om al dan niet een gevorderde dwangsom toe te wijzen, nu in artikel 611a Rv is bepaald dat de rechter een dwangsom
kanverbinden aan een hoofdveroordeling. Los van artikel 611a lid 1 Rv waarin staat dat aan een veroordeling tot betaling van een geldsom geen dwangsom kan worden verbonden en de man ook niet duidelijk heeft gemaakt waarom hij niet uit de voeten kan met de eerdere beslissing van de rechtbank van 21 maart 2021, ziet de rechtbank in dit geval, gezien het feit dat oplegging van een dwangsom waarschijnlijk tot meer escalatie en dus meer procedures zal leiden, ook geen aanleiding om alsnog een dwangsom te verbinden aan de eerdere beslissing.
Betaling dwangsom
5.31.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft op 11 oktober 2021 geoordeeld dat de vrouw vóór 13 oktober 2021 12.00 uur de paspoorten van de kinderen aan de man moet afgeven voor een reis van een week naar Spanje, op straffe van een dwangsom.
5.32.
De man vordert nu betaling van de opgelegde dwangsom, omdat de vrouw de paspoorten niet heeft afgegeven conform het in het vonnis genoemde tijdstip. Die vordering wordt afgewezen, omdat de vrouw heeft gesteld dat het vonnis van de voorzieningenrechter niet aan haar is betekend, wat de man niet gemotiveerd heeft weersproken. Op grond van artikel 611a lid 3 Rv kan om die reden geen dwangsom worden verbeurd.
5.33.
Los daarvan: vast staat dat de man en de vrouw na het vonnis van de voorzieningenrechter hierover met elkaar hebben gemaild en een ander tijdstip dan het in de veroordeling genoemde tijdstip zijn overeengekomen. De man heeft aan de vrouw gemaild: “
(…) op donderdag 14 okt breng jij de paspoorten naar [woonplaats]. De paspoorten heb ik op donderdag 14 okt voor 12 uur nodig.” Niet is in geschil dat de vrouw op 14 oktober 2021 de paspoorten aan de man heeft overhandigd. Dus, zelfs al zou het vonnis zijn betekend, dan staat deze nadere afspraak aan verbeurte van een dwangsom in de weg.
Afgifte kopieën foto’s
5.34.
De rechtbank heeft in haar beschikking van 21 maart 2021 – op het verzoek van de man – beslist dat de vrouw de digitale foto’s van [naam 1] en van het huwelijk van partijen moet afgeven. Deze beslissing is in de procedure bij het hof in stand gelaten.
5.35.
De man vordert in deze procedure dat de vrouw wordt veroordeeld tot afgifte van deze foto’s, omdat de vrouw niet aan de beslissing van de rechtbank heeft voldaan. Ditmaal op straffe van een dwangsom. De vrouw doet een beroep op het gezag van gewijsde van de eerdere beslissing. Zij voert tevens aan dat de man al over de foto’s beschikt, nu die foto’s zich nog bevinden (op de computer) in de woning van de man en de vrouw die niet heeft meegenomen toen zij daaruit is weggevlucht.
5.36.
De vordering tot afgifte wordt afgewezen, op grond van het gezag van gewijsde van de eerdere beslissing van de rechtbank over de foto’s. Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar dat wat zij in 5.28 over het gezag van gewijsde heeft overwogen.
5.37.
Ook de gevorderde dwangsom wordt afgewezen. De rechtbank ziet ook hier geen aanleiding om alsnog een dwangsom te verbinden aan de eerdere beslissing. De rechtbank verwijst op dit punt naar wat zij in 5.30 heeft overwogen over de reden om geen dwangsom op te leggen.
De proceskosten in conventie en in reconventie
5.38.
Op grond van de hoofdregel van artikel 237 Rv Pro wordt de partij die in het ongelijk is gesteld, in de kosten veroordeeld. Gezien de grondslag van de toegewezen vordering van de vrouw in conventie (onrechtmatige daad) en de gronden voor de afwijzing in reconventie, ziet de rechtbank geen reden voor toepassing van de uitzondering op die hoofdregel welke uitzondering inhoudt dat tussen ex-partners de proceskosten worden gecompenseerd.
5.39.
De man is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de vrouw heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal de man niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van de vrouw worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × tarief III € 836,-)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.951,00
5.40.
De man is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de vrouw worden begroot op:
- salaris advocaat
653,00
(1 punt × tarief II € 653,00)
- nakosten
107,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
760,00
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.41.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat de daartoe strekkende vorderingen op de wet zijn gegrond en er geen afzonderlijk verweer tegen is gevoerd.

6.De beslissing

De rechtbank
In conventie
6.1.
veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 28.863,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag vanaf 10 februari 2022 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
verklaart dit vonnis onder 6.1 uitvoerbaar bij voorraad,
6.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
In reconventie
6.4.
wijst de vorderingen af;
In conventie en reconventie
6.5.
veroordeelt de man in de proceskosten van € 2.711,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van betekening als de man niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
verklaart dit vonnis onder 6.5 uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
2334/1980

Voetnoten

1.Zie HR 30 oktober 1998, ECLI:HR:1998:ZC2759.