AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzoek om inzage en afschriften van dossiers uit afgesloten civiele familie- en jeugdprocedures afgewezen behalve afschriften beschikkingen
De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van een betrokkene die inzage en afschriften van alle dossiers wilde ontvangen die betrekking hebben op zijn afgesloten civiele familie- en jeugdprocedures. Dit verzoek volgde op prejudiciële vragen die de rechtbank in februari 2024 aan de Hoge Raad had gesteld.
De Hoge Raad oordeelde in mei 2025 dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het verstrekken van volledige inzage of afschriften van stukken uit afgesloten civiele dossiers door de gerechten, behalve voor afschriften van vonnissen, arresten en beschikkingen op grond van art. 29 lid 2 RvPro. Daarnaast is inzage in persoonsgegevens mogelijk binnen de kaders van de AVG. De Hoge Raad benadrukte dat de Staat op grond van art. 8 EVRMPro een positieve verplichting heeft om een effectieve procedure te bieden voor toegang tot relevante informatie over kinderbeschermingsmaatregelen, maar dat het aan de wetgever is om een algemene oplossing te bieden voor eventuele lacunes.
De rechtbank concludeert dat het verzoek om volledige inzage niet kan worden toegewezen vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag. Wel verstrekt de rechtbank afschriften van de beschikkingen uit de betreffende dossiers. Tevens wijst de rechtbank erop dat de betrokkene een beroep kan doen op de inzageregeling van art. 7.3.10 Jeugdwet, waarbij jeugdhulpverleners inzage en afschriften kunnen verstrekken, met inachtneming van de privacy van derden.
De rechtbank wijst het verzoek voor meer of anders gevraagde inzage af en benadrukt dat de wetgever aan zet is om een algemene oplossing te bieden voor het rechtstekort dat de Hoge Raad heeft gesignaleerd.
Uitkomst: Verzoek om volledige inzage in dossiers afgewezen, wel afschriften van beschikkingen verstrekt.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Zaaksgegevens: C/10/219467 / J2 RK 04-611
C/10/242164 / J2 RK 05-714
C/10/263740 / J2 RK 06-655
C/10/287870 / J2 RK 07-866
C/10/311612 / J2 RK 08-1006
C/10/316199 / F2 RK 08-2557
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Beschikking
in vervolg op de beschikking van 5 februari 2024 naar aanleiding van het op 6 januari 2023 ingekomen verzoek van:
[verzoeker] , roepnaam [roepnaam verzoeker] ,
voorheen genaamd
[voormalige naam verzoeker] , hierna te noemen [roepnaam verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] .
1.Het verdere procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
de beschikking van 5 februari 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de e-mail van [roepnaam verzoeker] van 3 december 2025.
2.Het aangehouden verzoek
[roepnaam verzoeker] heeft middels een e-mailbericht van 6 januari 2023 verzocht om – kort gezegd - alle dossiers die betrekking op hem hebben, thuis gestuurd te krijgen.
3.De verdere beoordeling
Beantwoording prejudiciële vragen
3.1.
De rechtbank heeft hierover bij beschikking van 5 februari 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:1916 )prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. De Procureur-Generaal heeft op 10 juli 2024 geconcludeerd
Samengevat komen de antwoorden van de Hoge Raad op de gestelde prejudiciële vragen er op neer dat er geen wettelijke grondslag bestaat (ook niet naar analogie) voor het verstrekken van inzage in of afschrift van stukken door de gerechten uit het dossier van een afgesloten civiele procedure. Dit is anders voor zover het gaat om het verstrekken (door de griffier) van afschriften van vonnissen, arresten en beschikkingen op grond van art. 29 lid 2 vanPro Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en om het verstrekken (door het gerechtsbestuur) van inzage in en informatie over de door de gerechten verwerkte persoonsgegevens binnen de kaders van art. 15 dePro Algemene verordening gegevensbescherming. De Hoge Raad concludeert dat ingevolge art. 8 EuropeesPro verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) op de Staat een positieve verplichting rust om te voorzien in een effectieve en toegankelijke procedure waarmee de betrokkene ten aanzien van wie in het verleden kinderbeschermingsmaatregelen zijn getroffen toegang kan verkrijgen tot alle relevante en passende informatie met betrekking tot die maatregelen om zijn kindertijd en vroege ontwikkeling te kennen en te begrijpen. Met de inzageregeling van art. 7.3.10 Jeugdwet is in beginsel in een dergelijke procedure voorzien. Niet verzekerd is echter dat de betrokkene via die procedure steeds alle relevante en passende informatie zal kunnen verkrijgen, zoals vereist door art. 8 EVRMPro. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om te voorzien in een algemene oplossing voor dit mogelijke rechtstekort, gelet op de in dat verband te maken keuzes, die aan de wetgever zijn.
3.3.
Middels zijn e-mailbericht van 3 december 2025 heeft [roepnaam verzoeker] opnieuw laten weten dat hij een wezenlijk belang heeft bij het achterhalen wat er in zijn kindertijd is gebeurd. Hij wil daarom graag een afschrift van zijn dossiers om over zijn verleden duidelijkheid te krijgen.
3.4.
Op grond van de uitspraak van de Hoge Raad constateert de rechtbank dat er op dit moment geen wettelijke grondslag bestaat voor integrale toewijzing van het verzoek van [roepnaam verzoeker] .
3.5.
De rechtbank zal [roepnaam verzoeker] op grond van de antwoorden van de Hoge Raad onder verwijzing naar artikel 29 lid 2 RvPro (geanonimiseerde) afschriften verstrekken van de beschikkingen die zich in de dossiers met de hiervoor genoemde zaaknummers bevinden.
3.6.
[roepnaam verzoeker] kan indien hij dat wenst, een beroep doen op de inzageregeling van art. 7.3.10 van de Jeugdwet, die inhoudt dat de jeugdhulpverlener aan een betrokkene op verzoek inzage en afschrift verstrekt van de gegevens uit zijn dossier. De verstrekking blijft achterwege voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander.
3.7.
Indien uitvoering is gegeven aan de in de hiervoor genoemde punten 3.5. en 3.6. vermelde regelingen, is – aldus de Hoge Raad – voor eventuele nog ontbrekende informatie die voor [roepnaam verzoeker] relevant en passend is (zoals vereist door art. 8 EVRMPro) de wetgever aan zet. De wetgever behoort te voorzien in een algemene oplossing voor dit mogelijke rechtstekort.
4.Beslissing
De rechtbank:
4.1.
verstrekt aan [roepnaam verzoeker] afschriften van de (tussen)beschikkingen van de dossiers met de zaaknummers:
C/10/219467 / J2 RK 04-611
C/10/242164 / J2 RK 05-714
C/10/263740 / J2 RK 06-655
C/10/287870 / J2 RK 07-866
C/10/311612 / J2 RK 08-1006
C/10/316199 / F2 RK 08-2557
4.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot als griffier.