ECLI:NL:RBROT:2026:3525

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2604663:R-RK en NL:TZ:2604664:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 48 Wet op het Consumentenkrediet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium voor zes maanden ter voorkoming ontruiming en uitvoering schuldregeling

Verzoekster heeft een moratoriumverzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van haar huurwoning te voorkomen. Zij ontvangt een Participatiewet-uitkering en heeft een schuldregelingsovereenkomst gesloten die door een beschermingsbewindvoerder wordt uitgevoerd.

Verweerster, Stichting Havensteder, verzet zich tegen het moratorium en stelt dat het verzoek misbruik van recht is, mede omdat er al een eerdere moratoriumaanvraag was en de beschermingsbewindvoerder al negen maanden de tijd heeft gehad voor een regeling.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en weegt het belang van verzoekster om in de woning te blijven en de schuldregeling te doorlopen zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De huur wordt tijdig betaald en de schuldregeling wordt adequaat uitgevoerd.

De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden onder de voorwaarde dat de huurbetalingen tijdig blijven plaatsvinden. Tevens verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.

De uitspraak is gedaan door rechter E.A. Vroom op 26 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden en schort de ontruiming op onder de voorwaarde dat de huur tijdig wordt voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
Uitspraak van 26 maart 2026
In de zaak van
[verzoekster],
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 23 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 24 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 maart 2026.
Ter zitting van 19 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoekster;
  • mw. R. van Soest en mw. J. de Bruin, beschermingsbewindvoerders.
De heer/mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Huisvestings Advocaten heeft namens Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen. Aan het verzoek is het volgende ten grondslag gelegd.
Verzoekster heeft een inkomen uit een Participatiewet-uitkering van € 1.331,42 en daarnaast ontvangt zij toeslagen. Haar inkomen is voldoende om de huur van € 775,13 te betalen. De huur is tijdig en volledig betaald vanaf de maand november 2025. Enkele maanden is zelfs (drie)dubbel betaald ter aflossing van de vordering. Er zal nu gestopt worden met dubbele betalingen vanwege de start van de schuldenregeling. De lopende huur zal door de beschermingsbewindvoerder nog steeds tijdig en volledig voldaan worden.
De advocaat heeft een schuldregelingsovereenkomst aan de rechtbank doen toekomen waaruit blijkt dat Stichting Nieuw Vaarwater, de beschermingsbewindvoerder, de schuldenregeling gaat starten. Deze overeenkomst is getekend op 16 maart 2026. Met schuldhulpverlening wordt gekeken welk bedrag aan de schuldeisers aangeboden kan worden. Normaal gesproken zou sprake zijn van een saneringskrediet dat verzoekster dan aan de schuldhulpverlening moet terugbetalen. In dit geval zal Stichting Fonds de Loods het saneringskrediet afbetalen, maar Stichting Fonds de Loods is niet de schuldhulpverlener.
Ter zitting heeft de advocaat gereageerd op het verweer. De advocaat benadrukt dat het hoger beroep tegen het vonnis van 26 september 2025 niet bedoeld was om de zaak te traineren. Indien er nog een hoger beroep zou lopen in deze zaak, zou de schuldregeling starten met een variabele vordering. Dit leek de advocaat een ongewenste situatie en daarom heeft hij het hoger beroep ingetrokken.

3.Het verweer

Verweerster verzoekt de rechtbank het verzoek tot een voorlopige voorziening af te wijzen en verzoekster te veroordelen in de kosten van de procedure. Verweerster heeft een tijdlijn meegestuurd waaruit volgt dat op 16 januari 2025 tegen verzoekster een verstekvonnis is gewezen. Verweerster heeft vervolgens de ontruiming aangezegd. Verzoekster heeft vervolgens verzet ingesteld en verweerster had toegezegd om de ontruiming op te schorten in afwachting van het verzet. Op 26 september 2025 is het verstekvonnis bekrachtigd na verzet. Verweerster heeft opnieuw de ontruiming aangezegd en verzoekster heeft haar eerste moratoriumverzoek ingediend op 21 oktober 2025. Verzoekster is tegen het vonnis van
26 september 2025 in hoger beroep gegaan, waarna verweerster heeft toegezegd de ontruiming niet door te zetten in afwachting van het beroep. Verzoekster heeft daarop haar verzoek moratorium van 21 oktober 2025 ingetrokken. Verzoekster heeft in hoger beroep het nemen van een memorie van grieven uitgesteld tot 3 februari 2026 (totdat geen uitstel meer mogelijk was) en heeft toen het hoger beroep laten doorhalen. Verweerster heeft daarop voor de derde maal de ontruiming aangezegd. Verzoekster is op 3 juni 2025 onder bewind gesteld en de beschermingsbewindvoerder heeft dus al negen maanden de tijd gehad voor een minnelijke regeling. Het aanvragen van een moratorium in dit stadium is misbruik van recht. Bovendien is dit de tweede moratoriumaanvraag en daar moet terughoudend mee omgegaan worden. Er zijn al zes maanden verstreken sinds het eerste moratoriumverzoek van 21 oktober 2025. In feite is de maximumperiode van zes maanden dus al bijna verstreken.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 13 februari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 3 maart 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 26 september 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt een Participatiewet-uitkering van € 1.331,42 per maand met toeslagen. Dit inkomen is voldoende om de huur van € 774,33 te voldoen. De huur vanaf november 2025 is tijdig en volledig voldaan en de beschermingsbewindvoerder draagt zorg voor de toekomstige betalingen. De schuldregelingsovereenkomst is inmiddels getekend en zal worden uitgevoerd door een bevoegde partij op grond van art. 48 Wet Pro op het Consumentenkrediet, namelijk de beschermingsbewindvoerder. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank merkt op dat, nu het eerste moratoriumverzoek van 21 oktober 2025 is ingetrokken, de rechtbank het onderhavige verzoek behandelt als een regulier (eerste) moratoriumverzoek. Er is immers geen uitspraak gedaan op het eerdere verzoek van
21 oktober 2025, waardoor het de rechtbank thans vrij staat om dit verzoek voor zes maanden toe te wijzen conform art. 287b lid 5 Fw.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 26 september 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
24 februari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van
mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.