Verzoekster heeft een moratoriumverzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van haar huurwoning te voorkomen. Zij ontvangt een Participatiewet-uitkering en heeft een schuldregelingsovereenkomst gesloten die door een beschermingsbewindvoerder wordt uitgevoerd.
Verweerster, Stichting Havensteder, verzet zich tegen het moratorium en stelt dat het verzoek misbruik van recht is, mede omdat er al een eerdere moratoriumaanvraag was en de beschermingsbewindvoerder al negen maanden de tijd heeft gehad voor een regeling.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en weegt het belang van verzoekster om in de woning te blijven en de schuldregeling te doorlopen zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De huur wordt tijdig betaald en de schuldregeling wordt adequaat uitgevoerd.
De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden onder de voorwaarde dat de huurbetalingen tijdig blijven plaatsvinden. Tevens verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.
De uitspraak is gedaan door rechter E.A. Vroom op 26 maart 2026.