De huurder huurt sinds 3 december 2020 een woning van de verhuurder tegen een maandelijkse huurprijs van €1.210,-. De huurder heeft op 30 mei 2023 een verzoek ingediend bij de Huurcommissie om de aanvangshuurprijs te toetsen, maar de Huurcommissie oordeelde dat dit verzoek te laat was. De verhuurder startte daarop een procedure om de niet-ontvankelijkheid van het verzoek te laten vaststellen.
De kern van het geschil betreft de duur van de huurovereenkomst. De verhuurder stelt dat de overeenkomst voor een bepaalde tijd van één jaar was, die op 30 november 2021 is geëindigd. De huurder betwist dit en stelt dat de overeenkomst tot 30 november 2022 liep. De kantonrechter oordeelt dat de huurder onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd tegen de schriftelijke overeenkomst waarin één jaar is overeengekomen.
Getuigenverklaringen en overgelegde stukken ondersteunen het standpunt van de verhuurder. De huurder kon niet aantonen dat een langere duur was afgesproken. Hierdoor is het verzoek tot toetsing van de aanvangshuurprijs te laat ingediend, omdat dit uiterlijk zes maanden na afloop van de tijdelijke huurovereenkomst had moeten gebeuren.
De kantonrechter wijst het verzoek van de huurder af en stelt de overeengekomen huurprijs van €1.150,- per maand vast. Ook wordt geoordeeld dat een eventuele splitsing van een all-in huurprijs geen effect meer heeft vanwege de ontbinding van de huurovereenkomst in een andere procedure. De huurder wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.