ECLI:NL:RBROT:2026:352

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/10/677246 / HA ZA 24-305
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor verlies van zonnepanelen tijdens internationaal vervoer

In deze zaak gaat het om de aansprakelijkheid van Bricotir Transportes S.A. en een onderaannemer voor het verlies van een zending zonnepanelen tijdens het vervoer van Rotterdam naar Albufeira, Portugal. VDH Company B.V. en VDH Warehousing & Logistics B.V. hebben Bricotir opdracht gegeven voor het vervoer, dat vervolgens is uitbesteed aan een derde partij. De zending is verloren gegaan, en VDH c.s. stelt dat Bricotir en de onderaannemer aansprakelijk zijn. Bricotir betwist de aansprakelijkheid en stelt dat VDH eigen schuld heeft aan het verlies. De rechtbank oordeelt dat Bricotir en de onderaannemer hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het verlies van de zonnepanelen, omdat de chauffeur die de zending in ontvangst nam onder de verantwoordelijkheid van Bricotir valt. De rechtbank concludeert dat er sprake is van opzet van de chauffeur, waardoor Bricotir zich niet kan beroepen op uitsluiting of beperking van aansprakelijkheid op grond van de CMR. Daarnaast wordt een beroep op eigen schuld en rechterlijke matiging afgewezen, omdat de CMR dwingendrechtelijk is en geen ruimte laat voor dergelijke verweren. De rechtbank wijst de vorderingen van VDH c.s. toe, inclusief schadevergoeding en expertisekosten, en veroordeelt Bricotir en de onderaannemer in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel en Haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/677246 / HA ZA 24-305
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VDH COMPANY B.V.,
gevestigd te Goeree-Overflakkee,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VDH WAREHOUSING & LOGISTICS B.V.,
gevestigd te Goeree-Overflakkee,
3. de naamloze vennootschap
TVM VERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Hoogeveen,
eiseressen,
advocaat mr. J. Mulder te Hoogeveen,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRICOTIR TRANSPORTES S.A.,
gevestigd te Mangualde (Portugal),
gedaagde,
advocaat mr. T. Meevis te Eindhoven,
3.
[gedaagde],
wonende te Wenen (Oostenrijk),
gedaagde,
niet verschenen.
Eiseressen worden hierna afzonderlijk genoemd VDH Company, VDH W&L en TVM, en gezamenlijk VDH c.s. VDH Company en VDH W&L worden gezamenlijk ook VDH genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk genoemd Bricotir en [gedaagde].

1.De kern van het geschil

VDH verzorgt voor een klant het vervoer van zonnepanelen. Daartoe heeft zij aan Bricotir opdracht gegeven het vervoer uit te voeren. Bricotir heeft het vervoer weer uitbesteed aan [gedaagde]. Eén van de zendingen is verloren gegaan. VDH c.s. stelt dat Bricotir en [gedaagde] hiervoor aansprakelijk zijn. Bricotir betwist dat zij het vervoer van die zending heeft uitgevoerd dan wel heeft doen uitvoeren, en stelt subsidiair dat VDH daaraan eigen schuld heeft. De rechtbank oordeelt dat Bricotir en [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk zijn. De rechtbank komt als volgt tot dat oordeel.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 12 juni 2025, en de daarin genoemde stukken en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mrs. Mulder en Meevis;
  • de akte uitlating na comparitie en overlegging producties van VDH c.s. van 30 juli 2025, met producties 1 tot en met 5;
  • de akte uitlating na comparitie van Bricotir van 10 september 2025.
2.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
VDH verzorgt voor een Chinese klant het lossen vanuit zeeschepen, de opslag, het laden en het vervoer van zonnepanelen. In 2022 heeft deze klant verzocht dertig zendingen met zonnepanelen te (laten) vervoeren van het bedrijfsadres van VDH te Rotterdam-Maasvlakte naar Albufeira (Portugal).
3.2.
Op 7 december 2022 heeft VDH die opdracht uitbesteed aan Bricotir. Daarbij zijn VDH en Bricotir overeengekomen dat de chauffeur bij inontvangstneming het ticketnummer en het referentienummer van de zending moest vermelden, evenals de naam van de opdrachtgever van VDH, te weten de Chinese klant. In de op 7 december 2022 aan Bricotir verstrekte opdrachten staan in de afzonderlijke opdrachten de daarbij behorende container- en referentienummers. Op iedere opdracht afzonderlijk staat onder meer vermeld dat de laatste editie van de Fenex-voorwaarden [1] daarop van toepassing zijn, evenals de tekst “
Please Advise Truck Number before 07:00 on Day of Loading.
3.3.
Bricotir heeft op haar beurt in ieder geval het vervoer van de zending met opdrachtnummer 222012018/01 uitbesteed aan [gedaagde].
3.4.
Deze zending zou oorspronkelijk op 12 december 2022 op transport gaan. Omdat er voor dat transport zich een chauffeur meldde met een huiftrailer, heeft VDH de zonnepanelen niet afgegeven voor vervoer.
3.5.
Dezelfde dag heeft Bricotir [gedaagde] gevraagd een nieuw transport te regelen met een boxtrailer, met het verzoek om het kentekennummer van de nieuwe wagen door te geven. [gedaagde] heeft Bricotir niet meer geantwoord dat een vervangend transport was geregeld, ook niet na een herinnering van Bricotir op 16 december 2022.
3.6.
Op 19 december 2022 is de zending met opdrachtnummer 222012018/012 in ontvangst genomen door een chauffeur van een vrachtwagen met boxtrailer. Deze chauffeur kon de onder 3.2 genoemde gegevens behorende bij opdrachtnummer 222012018/012 vermelden.
3.7.
Op 29 december 2022 heeft Bricotir de vrachtprijs voor de zending met opdrachtnummer 222012018/012 aan VDH gefactureerd.
3.8.
De zonnepanelen van de zending met opdrachtnummer 222012018/012 zijn niet in Albufeira afgeleverd. In februari 2023 is VDH daarover geïnformeerd door de ladingbelanghebbende.
3.9.
VDH doet vervolgens navraag bij Bricotir. Bricotir antwoordt daarop op 10 februari 2023 aan VDH dat de zending is afgeleverd, en voegt een CMR-vrachtbrief bij die is getekend voor aflevering. Deze vrachtbrief blijkt later vervalst te zijn.
3.10.
Eind mei 2023 heeft Sedgwick in opdracht van VDH c.s. onderzoek gedaan naar het verlies van de zending met opdrachtnummer 222012018/012. De daaraan verbonden kosten van € 1.600,00 zijn aan Sedgwick voldaan door TVM.
3.11.
Op 13 oktober 2023 heeft Bricotir de vrachtprijs voor de zending met opdrachtnummer 222012018/012 aan VDH gecrediteerd.
3.12.
Op 14 december 2023 heeft VDH $ 121.186,13 als schadevergoeding aan haar Chinese klant overgemaakt. Daartoe is € 111.292,25 van haar eigen bankrekening afgeschreven.
3.13.
Op 14 december 2023 heeft TVM, verzekeraar van VDH, € 86.834,09 aan VDH overgemaakt.

4.Het geschil

4.1.
VDH c.s. vordert de rechtbank, na vermindering van eis, om gedaagden hoofdelijk, dan wel één van hen te veroordelen tot betaling van:
I. $ 121.186,13 aan schadevergoeding, dan wel een equivalent daarvan in euro’s op het moment van betaling, vermeerderd met de CMR-rente daarover vanaf 19 december 2022, 14 februari 2023 of 4 december 2023;
II. € 1.600,- aan deskundigenkosten;
III. de proceskosten, waaronder explootkosten, kosten betekening deurwaarder buitenland, vertaalkosten, portikosten en kosten formulieren EG-verordening 2020/1784, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dit vonnis.
4.2.
Bricotir voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van VDH c.s. in haar vordering dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dit vonnis, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

5.De beoordeling

De rechtbank Rotterdam is (internationaal) bevoegd

5.1.
De zaak heeft een internationaal karakter omdat Bricotir en [gedaagde] buiten Nederland zijn gevestigd respectievelijk woonachtig zijn. De rechtbank beoordeelt daarom ambtshalve of zij internationaal bevoegd is en, zo ja, welk recht toepasselijk is.
5.2.
In deze zaak is sprake van een overeenkomst voor het vervoer van zonnepanelen over de weg van Rotterdam naar Albufeira. Hierop is de CMR [2] van toepassing (artikel 1 CMR). De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om van deze vorderingen kennis te nemen omdat de plaats van inontvangstneming van de goederen in Nederland is gelegen (artikel 31 lid 1 sub b CMR), en de rechtbank Rotterdam is op grond van artikel 630 Rv relatief bevoegd omdat de plaats van inontvangstneming binnen het arrondissement Rotterdam is gelegen.
CMR en aanvullend Nederlands recht van toepassing
5.3.
Zoals hierboven is geoordeeld, is de CMR in deze zaak van toepassing. Op grond van artikel 3 lid 1 Rome I [3] is Nederlands recht (aanvullend) van toepassing op de aspecten van de rechtsverhouding tussen VDH en Bricotir voor zover die niet door de CMR worden geregeld. Op de vervoersovereenkomsten zijn, zoals onweersproken door VDH c.s. is gesteld, de Fenex-voorwaarden van toepassing. Daarin is bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op de vervoersovereenkomst voor zover deze niet reeds zijn onderworpen aan dwingend recht (artikel 21 lid 1 en artikel 2 lid 1 Fenex-voorwaarden). Ten aanzien van TVM geldt hetzelfde als gesubrogeerd verzekeraar. Ten aanzien van [gedaagde] is op grond van artikel 5 Rome I daarop Portugees recht (aanvullend) van toepassing, omdat de voor VDH vervoerde goederen in Portugal hadden moeten worden afgeleverd.
Bricotir is aansprakelijk voor het verlies van de zonnepanelen
5.4.
Op grond van artikel 17 lid 1 CMR is de vervoerder aansprakelijk voor, onder meer, het verlies van goederen, wanneer dat verlies is ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering.
5.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat de zonnepanelen verloren zijn geraakt tijdens het vervoer ervan, verricht door de chauffeur die de zonnepanelen op 19 december 2022 bij VDH in ontvangst heeft genomen.
5.6.
Tussen partijen is wel in geschil of die chauffeur onder de verantwoordelijkheid van Bricotir valt op grond van artikel 3 CMR en of Bricotir daarom aansprakelijk is voor het verlies van de zonnepanelen.
5.7.
In artikel 3 CMR is bepaald dat de vervoerder, als ware het voor zijn eigen daden en nalatigheden, aansprakelijk is voor de daden en nalatigheden van zijn ongeschikten en van alle andere personen van wie hij zich voor de bewerkstelliging van het vervoer bedient, wanneer deze ondergeschikten of deze personen handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden.
5.8.
VDH c.s. stelt dat de betreffende chauffeur die de zonnepanelen bij haar heeft opgehaald moet worden aangemerkt als een ondervervoerder van Bricotir. Die chauffeur kon namelijk het containernummer, het referentienummer en de naam van de Chinese opdrachtgever noemen. Die gegevens moet de chauffeur via Bricotir en [gedaagde] hebben ontvangen. VDH c.s. overlegt ook een afzendersexemplaar van de CMR-vrachtbrief (die nog – met voorgedrukte tekst – is gedateerd op 12 december 2022) waarop is getekend voor inontvangstneming namens de vervoerder van de zonnepanelen, en waarbij Bricotir – eveneens met voorgedrukte tekst – staat vermeld als vervoerder. Bricotir heeft VDH de vrachtprijs van het betreffende transport gefactureerd. Bricotir heeft ook een – wat later bleek vervalst – CMR-afleverbewijs afgegeven aan VDH, waarop door de ladingbelanghebbende zou zijn getekend voor aflevering van de zonnepanelen. Tussen partijen was er geen harde afspraak dat Bricotir voorafgaand een kentekennummer van de vrachtwagen moest doorgeven aan VDH ter controle bij afgifte aan de chauffeur. Op de opdrachten stond het ook alleen als een verzoek vermeld: “
Please Advise”. VDH waardeerde het wel als dit werd doorgegeven, maar geregeld werd het niet gedaan of pas achteraf, aldus VDH.
5.9.
Bricotir voert aan dat zij de betreffende chauffeur niet heeft ingeschakeld. Nadat het vervoer van de betreffende zending zonnepanelen door VDH was geannuleerd, heeft Bricotir [gedaagde] gevraagd een vervoer te organiseren en om het kentekennummer van de vrachtwagen aan Bricotir door te geven, zodat Bricotir dat aan VDH kon doorgeven. Onderdeel van de controle voor afgifte van de zonnepanelen aan de chauffeur was ook het controleren van de kentekennummers. Op de door VDH in het geding gebrachte
outtake ordervan het transport van 19 december 2022 valt te lezen dat deze nog op 12 december 2022 is gedateerd en dat daarop het kentekennummer van de op die oorspronkelijke dag geweigerde vrachtwagen stond vermeld. Dat kentekennummer is doorgehaald en vervangen door het kentekennummer aanwezig op de vrachtwagen waarmee op 19 december 2022 de zonnepanelen zijn opgehaald. Het CMR-afleverbewijs heeft Bricotir van [gedaagde] ontvangen
5.10.
De rechtbank oordeelt dat de chauffeur die de zonnepanelen in ontvangst heeft genomen wel onder de juridische verantwoordelijkheid van Bricotir valt, en daarmee dat Bricotir aansprakelijk is voor het verlies van de zonnepanelen. Daartoe is het volgende redengevend.
5.11.
Bricotir heeft aan VDH geschreven de zonnepanelen te hebben afgeleverd en heeft dat bericht ondersteund met een CMR-afleverbewijs. Dat dit afleverbewijs later – tussen partijen onbetwist – vervalst is gebleken, maakt dit voor de rechtbank niet anders. Bricotir heeft zich hierbij laten bedienen door haar ondervervoerder [gedaagde]. Aangaande het vervoer moet het handelen van [gedaagde] in de verhouding tussen VDH en Bricotir worden aangemerkt als een handelen van Bricotir (artikel 3 CMR), waardoor Bricotir zichzelf met verwijzing naar [gedaagde] niet kan vrijpleiten. Het overleggen van een CMR-afleverbewijs, impliceert ook dat de goederen waarop het afleverbewijs ziet, eerder door de vervoerder in ontvangst zijn genomen. Daarbij komt dat de ondertekening van de chauffeur namens Bricotir als – voorgedrukte – vervoerder op het CMR-afleverbewijs overeenkomt met de betreffende handtekening op het door VDH in het geding gebrachte afzendersexemplaar van de CMR-vrachtbrief. Bricotir voert nog aan dat die ondertekening niet kan zijn gezet door een via haar ingeschakelde vervoerder, omdat bij de andere 29 zendingen bij die ondertekening een stempel is gebruikt die bij het transport van 19 december 2022 niet is gebruikt. De rechtbank gaat daaraan voorbij omdat Bricotir eerder zelf het CMR-afleverbewijs, met dezelfde volgens haar onjuiste handtekening voor ontvangst namens Bricotir, aan VDH heeft doen toekomen. In het internationale vrachtvervoer over de weg zijn CMR-vrachtpapieren immers van groot en vaak leidend belang. In artikel 9 CMR is niet voor niets onder meer bepaald dat de vrachtbrief volledig bewijs levert van de ontvangst van de goederen door de vervoerder, behoudens tegenbewijs.
5.12.
Voorts overweegt de rechtbank dat Bricotir VDH op 29 december 2022 al had gefactureerd voor de zending met opdrachtnummer 222012018/012. Het is ook niet tussen partijen in geschil dat de chauffeur bij het ophalen van de zending de overeengekomen gegevens kon noemen aan VDH, te weten het containernummer en het referentienummer van de zending en de naam van de Chinese klant van VDH. Dit zijn gegevens die VDH eerder aan Bricotir heeft gegeven en Bricotir op haar beurt aan [gedaagde]. Als het bij of na [gedaagde] mis is gegaan doordat deze gegevens bij verkeerde personen terecht zijn gekomen, dan valt dat evengoed nog onder de juridische verantwoordelijkheid van Bricotir (artikel 3 CMR).
5.13.
Bricotir heeft verder onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd dat tussen VDH en Bricotir is afgesproken dat Bricotir het kentekennummer van de vrachtwagen moest doorgeven en dat VDH deze zou controleren voorafgaand aan afgifte van de zonnepanelen. Bricotir wordt daarom niet gevolgd in haar standpunt dat het transport van 19 december 2022 – en daarmee het verlies van de zonnepanelen – niet kan worden aangemerkt als verricht door of onder verantwoordelijkheid van Bricotir als vervoerder, omdat zij geen kentekennummer heeft doorgegeven voor dat transport. VDH heeft het door Bricotir gevoerde verweer namelijk herhaald en gemotiveerd betwist, te weten dat niet is afgesproken dat het kentekennummer van de vrachtwagen onderdeel is van de controlewerkzaamheden voorafgaand aan het afgeven van de zonnepanelen voor vervoer. Op de opdrachten staat hierover alleen een verzoek vermeld – “
Please Advise” – om de kentekennummers voor 7.00 uur van de dag van transport door te geven. Bricotir geeft daarbij aan dat als Bricotir kentekennummers doorgaf, dat dat vaak achteraf was. Dit is door Bricotir niet betwist. De e-mail van Bricotir van 12 december 2022 om 14.41 uur, door Bricotir in het geding gebracht, waarin zij kentekennummers heeft doorgegeven van de vrachtwagens die voor de zendingen van die dag zouden worden ingezet, lijkt bij die betwisting van VDH aan te sluiten.
5.14.
De rechtbank oordeelt dus dat het vervoer wel onder de verantwoordelijkheid van en (in de zin van artikel 3 CMR) wel door Bricotir is uitgevoerd. Bricotir is daarom in beginsel ook aansprakelijk voor het verlies van de zonnepanelen van de zending met opdrachtnummer 222012018/012 (artikel 17 CMR).
Er is sprake van opzet (van de chauffeur), waardoor Bricotir zich niet kan beroepen op de uitsluiting of de beperking van haar aansprakelijkheid op grond van de CMR
5.15.
VDH c.s. stelt – zonder dat Bricotir dit heeft weersproken – dat de chauffeur die de zending met opdrachtnummer 222012018/012 in ontvangst heeft genomen, de zonnepanelen nooit heeft willen afleveren en voor zichzelf heeft willen houden. Deze chauffeur valt onder de juridische verantwoordelijkheid van Bricotir (zie 5.6 tot en met 5.14). Dat maakt dat – juridisch gezien – sprake is van opzet van Bricotir in de zin van artikel 29 CMR. Zodoende komt Bricotir geen beroep toe op (gedeeltelijke) uitsluiting van haar aansprakelijkheid op grond van artikel 17 lid 2, 4 en 5 CMR en de beperking daarvan op grond van artikel 23 lid 3 CMR).
5.16.
Voor zover Bricotir wel een beroep zou toekomen daarop, zou dat Bricotir ook niets opleveren. Allereerst is niet gebleken dat Bricotir alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van haar te vergen maatregelen heeft genomen om het verlies te voorkomen. Het tegendeel is wel gebleken omdat Bricotir het vervoer niet zelf heeft uitgevoerd en zij niet stelt in hoeverre zij de betrouwbaarheid van [gedaagde] heeft getoetst (artikel 17 lid 2 BW). Ten tweede, dat VDH de vrachtwagen met huiftrailer heeft afgewezen – terecht of onterecht – staat niet in causaal verband met het verlies van de zonnepanelen. Deze afwijzing zou Bricotir dan ook niet (gedeeltelijk) ontheffen van haar aansprakelijkheid (artikel 17 lid 4 en 5 CMR). Ten slotte is in dit geval de beperkingslimiet van artikel 23 lid 3 CMR hoger dan de door VDH c.s. gevorderde schade.
Een afzonderlijk beroep op eigen schuld zoals bepaald in artikel 6:101 BW en rechterlijke matiging op grond van artikel 6:109 BW is niet mogelijk
5.17.
Bricotir doet bij conclusie van antwoord een beroep op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW. De rechtbank heeft partijen toegelaten zich bij akte na mondelinge behandeling uit te laten over de juridische (on)mogelijkheid van een beroep op eigen schuld op grond van het CMR-verdrag en/of via het aanvullend toepasselijke recht.
5.18.
Bij akte na mondelinge behandeling heeft VDH c.s. geschreven dat (alleen) artikel 17 lid 2 of 5 CMR grondslag kan bieden voor een eigen schuld verweer, maar dat dat in casu geen soelaas biedt. Bricotir schrijft eveneens dat artikel 17 lid 2 en 5 CMR grondslag bieden voor een eigen schuld verweer, als ook dat in het – volgens haar – aanvullend toepasselijke Portugese recht een grondslag is te vinden hiervoor, te weten in artikel 570 van de Portugese Código Civil. Enige motivering waarom ten aanzien van het eigen schuld-leerstuk (ook) aanvullend recht van toepassing is, is door Bricotir niet gegeven.
5.19.
De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De CMR is dwingendrechtelijk van toepassing (artikel 41 CMR). Nederlands recht (of ingeval van [gedaagde] Portugees recht) is daarop alleen aanvullend van toepassing (zie 5.3). In hoofdstuk IV CMR (en specifiek in artikel 17 leden 2, 4 en 5 en artikel 23 lid 3 CMR) zijn verschillende bepalingen opgenomen over de toerekenbaarheid, beperking van aansprakelijkheid en het mitigeren van aansprakelijkheid naar rato van (eigen) schuld van de afzender en/of geadresseerde of personen die voor rekening van de afzender of geadresseerde handelen. Dat brengt met zich mee dat bepalingen daarover uit het Nederlandse BW (of het Portugese civiele recht), waaronder artikel 6:101 BW, niet van toepassing zijn, omdat dit dwingendrechtelijk door het CMR wordt geregeld.
5.20.
Het beroep van Bricotir op eigen schuld, gebaseerd op artikel 6:101 BW (of een equivalent daarvan in het Portugese civiele recht), slaagt zodoende niet.
5.21.
Ten aanzien van het beroep van Bricotir op rechterlijke matiging van de toe te wijzen schadevergoeding op grond van artikel 6:109 BW (gedaan bij conclusie van antwoord) geldt hetzelfde.
De schade van VDH c.s. bedraagt € 111.292,25
5.22.
VDH c.s. vordert $ 121.186,13 aan schadevergoeding. Aanvankelijk stelde zij daartoe alleen dat een Europese verkoper van de Chinese klant VDH aansprakelijk had gesteld voor dat bedrag. Bricotir heeft daarop de schade betwist en gemotiveerd dat niet is gesteld en onderbouwd door VDH c.s. dat zij werkelijk dit bedrag aan schadevergoeding heeft betaald. VDH c.s. heeft tijdens de mondelinge behandeling nader gesteld dat VDH dit bedrag aan schadevergoeding heeft betaald en dat TVM een deel daarvan aan VDH heeft vergoed. Bij haar akte van 30 juli 2025 heeft VDH c.s. stukken ter onderbouwing hiervan overgelegd. Bricotir heeft daarop geen verweer meer gevoerd en zodoende haar betwisting van de schade onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd.
5.23.
Uit productie 4 bij haar akte van 30 juli 2025 blijkt voorts dat VDH € 111.292,25 heeft betaald aan schadevergoeding (en dat dit met de door haar bank gehanteerde koers op de dag van betaling converteert tot de gevorderde $ 121.186,13). De rechtbank wijst de gevorderde schadevergoeding daarom toe voor het bedrag van € 111.292,25.
De CMR-rente is verschuldigd vanaf 4 december 2023
5.24.
Over de schadevergoeding kan VDH c.s. de CMR-rente van 5% per jaar vorderen, vanaf de dag waarop de vordering schriftelijk bij de vervoerder is ingediend of, indien dat niet is gedaan, vanaf de dag waarop de vordering in rechte aanhangig is gemaakt.
5.25.
VDH c.s. heeft niet gesteld en onderbouwd op welke dag zij haar vordering bij Bricotir heeft ingediend. De dagvaarding is van 4 december 2023. Daarom wijst de rechtbank de CMR-rente over de schadevergoeding toe vanaf die dag.
De expertisekosten van € 1.600,00 worden toegewezen
5.26.
De gevorderde expertisekosten van € 1.600,00 worden als niet betwist toegewezen.
Veroordeling van Bricotir en [gedaagde]
5.27.
Ten aanzien van [gedaagde] zijn de vorderingen toewijsbaar als niet weersproken en op de wet gegrond. De rechtbank wijst de vorderingen van VDH c.s. daarom toe jegens zowel Bricotir als haar.
Proceskosten
5.28.
Bricotir en [gedaagde] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen (artikel 237 Rv). De proceskosten van VDH c.s. ten aanzien van Bricotir worden begroot op:
- dagvaarding € 173,32
- griffierecht € 3.308,50 (de helft)
- salaris advocaat € 3.858,00 (2 punten (0,5 + 1 + 0,5) × tarief V € 1.929,00)
- nakosten €
89,00(plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Totaal € 7.428,82
De proceskosten van VDH c.s. ten aanzien van [gedaagde] worden begroot op:
- dagvaarding € 173,32
- griffierecht € 3.308,50 (de helft)
- salaris advocaat € 964,50 (0,5 punt × tarief V € 1.929,00)
- nakosten €
89,00(plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.535,32
De gevorderde vertaalkosten en kosten voor betekening in het buitenland zijn alleen P.M. gesteld en later niet aangevuld en worden daarom afgewezen.
5.29.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.30.
De rechtbank verklaart het vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad (artikel 233 Rv).

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt Bricotir en [gedaagde] hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander bevrijd zal zijn, om aan VDH c.s. te betalen € 111.292,25 aan schadevergoeding, vermeerderd met de CMR-rente als bedoeld in artikel 27 CMR daarover vanaf 4 december 2023;
6.2.
veroordeelt Bricotir en [gedaagde] hoofdelijk om aan VDH c.s. te betalen € 1.600,00 aan expertisekosten;
6.3.
veroordeelt Bricotir in de proceskosten, aan de zijde van VDH c.s. tot op heden begroot op € 7.428,82, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Bricotir niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Bricotir € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.4.
veroordeelt Bricotir in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan;
6.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van VDH c.s. tot op heden begroot op € 4.535.32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.6.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan;
6.7.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 14 januari 2026.
[3718/32]

Voetnoten

1.Nederlandse Expeditievoorwaarden 1 mei 2018, zoals gedeponeerd bij de rechtbank te Amsterdam onder nummer 23/2018 en bij de rechtbank te Rotterdam onder nummer 16/2018.
2.Het verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR).
3.Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.