De zaak betreft een geschil tussen Stichting Woningmaatschap en een huurder over een huurachterstand en de rechtmatigheid van huurverhogingen. De huurder huurt sinds 1 februari 2022 een woning en er is een huurachterstand ontstaan die door de verhuurder werd berekend op € 2.904,20 tot oktober 2025, later opgevoerd tot € 6.975,53. De kantonrechter oordeelt dat de gevorderde ontbinding en ontruiming niet aan de orde zijn omdat deze niet in de dagvaarding zijn opgenomen.
De huurovereenkomst bevat een opslagbeding dat een jaarlijkse huurverhoging van maximaal 5% bovenop de CPI-indexering toestaat. De kantonrechter vernietigt dit beding omdat het oneerlijk is en niet binnen aanvaardbare grenzen blijft. Hierdoor vervallen alle huurverhogingen die op dit beding zijn gebaseerd. Uit de stukken blijkt dat de verhuurder in 2024 en 2025 de huurprijs met percentages heeft verhoogd die hoger zijn dan de toegestane CPI-indexering.
De huurachterstand wordt herberekend op basis van de correcte indexering, waardoor de huurder een lagere achterstand heeft van € 2.574,87. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten van € 244,48 en wettelijke rente toegewezen. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van deze bedragen en de proceskosten van € 1.039,64. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.