Verzoekster heeft op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen bij vonnis van 27 maart 2025 en stond gepland voor 19 februari 2026.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie nu het vonnis en het exploot tot ontruiming zijn overgelegd. Verzoekster heeft aangetoond dat de huurtermijnen van februari en maart 2026 zijn voldaan en dat zij een voorschot op een PW-uitkering ontvangt, waardoor de huur vanaf april 2026 verzekerd is. Tevens ontvangt zij huur- en zorgtoeslag.
Verweerster stelde dat een eerder moratorium voor de huisgenoot van verzoekster al een laatste kans bood, maar de rechtbank overweegt dat afzonderlijke schuldenaren, ook bij hetzelfde adres en ontruimingsvonnis, apart een moratorium kunnen aanvragen.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder dan het belang van verweerster bij uitvoering van het vonnis. De voorziening wordt daarom voor zes maanden toegekend onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, gezien het lopende minnelijk traject. De beschikking is uitgesproken op 26 maart 2026.