ECLI:NL:RBROT:2026:3512

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2603963:R-RK en NL:TZ:2603964:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium tegen ontruiming huurwoning

Verzoekster heeft op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen bij vonnis van 27 maart 2025 en stond gepland voor 19 februari 2026.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie nu het vonnis en het exploot tot ontruiming zijn overgelegd. Verzoekster heeft aangetoond dat de huurtermijnen van februari en maart 2026 zijn voldaan en dat zij een voorschot op een PW-uitkering ontvangt, waardoor de huur vanaf april 2026 verzekerd is. Tevens ontvangt zij huur- en zorgtoeslag.

Verweerster stelde dat een eerder moratorium voor de huisgenoot van verzoekster al een laatste kans bood, maar de rechtbank overweegt dat afzonderlijke schuldenaren, ook bij hetzelfde adres en ontruimingsvonnis, apart een moratorium kunnen aanvragen.

De rechtbank weegt het belang van verzoekster om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder dan het belang van verweerster bij uitvoering van het vonnis. De voorziening wordt daarom voor zes maanden toegekend onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, gezien het lopende minnelijk traject. De beschikking is uitgesproken op 26 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
Uitspraak van 26 maart 2026
In de zaak van
[verzoekster],
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 16 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 17 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 maart 2026.
Ter zitting van 19 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer [persoon A] , huisgenoot van verzoekster;
  • mevrouw [persoon B] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw [persoon C] , namens Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft voorheen haar huisgenoot geholpen met zijn bedrijf. De inkomsten uit dat bedrijf vielen echter tegen, vanwege een tegenvallend markt. De huur kon daardoor niet worden betaald. Inmiddels zijn door haar huisgenoot de werkzaamheden vanuit de onderneming hervat en is het wachten op het eerste geld dat daaruit voortvloeit. Verzoekster heeft zelf inmiddels een PW-uitkering aangevraagd. De PW-uitkering is nog niet toegekend, maar er is wel al een voorschot toegekend. De huur van april 2026 is daarmee verzekerd. Zodra de PW-uitkering is toegekend, dan kunnen ook de huurtermijnen vanaf mei 2026 worden voldaan, aldus schuldhulpverlening. Verder is, naast de huur van februari 2026, de huur van maart 2026 inmiddels ook betaald.
3.
Het verweer
Verweerster stelt dat er al een eerder moratoriumverzoek voor de huisgenoot van verzoekster is toegewezen. Daarmee is al een laatste kans geboden. Nu het moratoriumverzoek voor de huisgenoot van verzoekster al een keer is toegewezen, dient dit verzoek te worden afgewezen. Verzoekster mag namelijk geacht worden op te hoogte te zijn geweest van het eerder afgekondigde moratorium. Zij hebben op die manier allebei een laatste kans gekregen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 23 december 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 19 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 27 maart 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft aangetoond dat de huurtermijnen van februari 2026 en maart 2026 zijn voldaan. Daarnaast heeft verzoekster een PW-uitkering aangevraagd. In dat kader is al een voorschot toegekend. Bovendien volgt uit het dossier dat huur- en zorgtoeslag wordt ontvangen. Daarmee zijn er voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank is verder van oordeel dat het enkele feit dat de huisgenoot van verzoekster al eerder een moratorium voor de duur van zes maanden toegewezen heeft gekregen, niet aan toewijzing van dit verzoek in de weg staat. Op grond van artikel 287b Fw kan namelijk ‘de schuldenaar’ aan de rechtbank verzoeken een voorlopige voorziening te geven. Daarnaast heeft artikel 287b Fw tot doel om een schuldenaar de kans te geven om tot een schuldregeling te komen ten aanzien van haar schuldeisers. Dat betekent dat afzonderlijke schuldenaren apart van elkaar een moratorium kunnen verzoeken. Ook als zij op hetzelfde adres wonen en partij zijn bij hetzelfde ontruimingsvonnis.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 27 maart 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] te [woonplaats] ( [postcode] ), voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
17 februari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.