ECLI:NL:RBROT:2026:3484

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
ROT 24/677
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WhtArt. 2.21 WhtArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College moet aanvraag vergoeding reeds aangeschafte inboedel opnieuw beoordelen

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, vroeg brede ondersteuning op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht wees de aanvraag gedeeltelijk af omdat de inboedel was aangeschaft voordat eiseres zich bij het college had gemeld. De rechtbank stelt vast dat eiseres zich al in 2021 bij de gemeente Rotterdam had aangemeld, voordat zij in januari 2022 naar Barendrecht verhuisde.

De rechtbank oordeelt dat het college de aanvraag niet had mogen afwijzen op de grond dat de vergoeding met terugwerkende kracht zou worden gevraagd. De aanmelding bij Rotterdam geldt als startmoment, waardoor de aanschaf van de inboedel in januari 2022 niet als terugwerkend kan worden beschouwd. Het college had bovendien contact kunnen opnemen met Rotterdam om informatie over eerdere ondersteuning te verkrijgen.

De rechtbank geeft het college zes weken de tijd om het besluit te herzien en de aanvraag opnieuw te beoordelen op basis van artikel 2.21, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht. De procedure wordt voorlopig aangehouden en partijen worden aangemoedigd om de zaak praktisch op te lossen, bijvoorbeeld via mediation. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst erop dat tegen deze tussenuitspraak nog geen hoger beroep openstaat.

Uitkomst: Het college moet de aanvraag voor vergoeding van reeds aangeschafte inboedel opnieuw beoordelen en het beroep wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/677

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.B. Visser),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht(het college)
(gemachtigde: [persoon A] ).

Samenvatting

1. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om brede ondersteuning door de gemeente op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het college heeft de aanvraag (gedeeltelijk) afgewezen. In deze tussenuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat het college de aanvraag niet had mogen afwijzen op de grond dat de inboedel was aangeschaft vóórdat eiseres zich bij de gemeente had aangemeld. Eiseres had zich namelijk al eerder aangemeld bij de gemeente Rotterdam. De rechtbank stelt het college in de gelegenheid te beoordelen of de reeds aangeschafte inboedel op grond van artikel 2.21, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht voor vergoeding in aanmerking komt.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor brede ondersteuning op grond van artikel 2.21 van de Wht. Met het besluit van 13 juli 2023 heeft het college de aanvraag van eiseres gedeeltelijk afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 19 december 2023 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 13 juli 2023 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft drie kinderen en is in 2021 door de Dienst Toeslagen aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft zich in 2021 aangemeld voor brede ondersteuning bij de gemeente Rotterdam. In januari 2022 is zij verhuisd naar de gemeente Barendrecht.
3.1.
Het college heeft op 10 januari 2023 een ondersteuningsplan opgesteld. Met het besluit van 13 juli 2023 heeft het college de aanvraag van eiseres voor een vergoeding voor raamdecoratie, tapijt, keukeninboedel, beddengoed, een bankstel, witgoed, een kast, vier bedden en een vloer voor een bedrag van € 13.470,- afgewezen omdat het gaat om reeds aangeschafte spullen en het college geen vergoeding met terugwerkende kracht toekent.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 13 juli 2023 ongegrond verklaard omdat de spullen zijn aangeschaft vóórdat eiseres zich in januari 2023 heeft gemeld bij het college.
Standpunt van het college
3.3.
Omdat uit de stukken niet is gebleken dat eiseres zich eerder dan januari 2023 heeft gemeld, gaat het college uit van dit moment als aanmelddatum. Op dat moment waren de spullen al aangeschaft, en was er dus geen ondersteuning meer nodig om een nieuwe start te kunnen maken. Uit de wettekst van de Wht volgt niet dat reeds aangeschafte spullen met terugwerkende kracht moeten worden vergoed. Het college verwijst hierbij naar de toelichting op de Regeling van de Minister van Financiën tot wijziging van de Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021 (SPUK regeling). [1] Verder is niet vast komen te staan dat eiseres meerdere pogingen heeft ondernomen om in contact te komen met het college. Ook heeft eiseres bij de Commissie Bezwaarschriften verklaard dat zij op pas 19 september 2022 door de gemeente Rotterdam is doorverwezen naar de gemeente Barendrecht. Op de zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat niet bekend is welke ondersteuning er is geboden door de gemeente Rotterdam en dus niet kan worden vastgesteld waarvoor al een vergoeding is toegekend.
Standpunt van eiseres
3.4.
Eiseres voert aan dat het college ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de reeds aangeschafte inboedel. Zij heeft zich aangemeld voor brede ondersteuning bij de gemeente Rotterdam. Toen zij in januari 2022 naar de gemeente Barendrecht verhuisde, was zij in de veronderstelling dat haar aanvraag werd overgedragen van de gemeente Rotterdam naar de gemeente Barendrecht. De medewerker van de gemeente Rotterdam heeft dit ook toegezegd. Zij heeft geprobeerd telefonisch contact te krijgen met het college om akkoord te krijgen voor de aanschaf, maar dat is niet gelukt omdat zij niet werd teruggebeld. De ondersteuning in de vorm van een vergoeding voor de inboedel is noodzakelijk omdat de meubels die zij in haar woning in Rotterdam had, beschimmeld en kapot waren. Eiseres heeft foto’s van de oude meubels. Eiseres kon niet wachten met de aanschaf van de inboedel, omdat zij haar nieuwe woning leefbaar moest maken voor haar en haar kinderen. Zij heeft vervolgens de compensatie die zij van de Dienst Toeslagen heeft ontvangen, gebruikt om in januari 2022 de inboedel aan te schaffen. Eiseres doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en op het evenredigheidsbeginsel.
Wettelijk kader
4. Ingevolge artikel 2.21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht kan het college van burgemeester en wethouders van een gemeente brede ondersteuning bieden op de vijf leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg aan een ingezetene van die gemeente die een aanvrager van een kinderopvangtoeslag is en een aanvraag heeft ingediend tot toekenning van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht.
Brede ondersteuning van gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag is onderdeel van de hersteloperatie toeslagen. De brede ondersteuning is bedoeld voor het maken van een nieuwe start na de problemen die zijn ervaren door de toeslagenproblematiek.
4.1.
Op grond van het derde lid van artikel 2.21 van de Wht is het eerste lid in bijzondere omstandigheden van toepassing op een ingezetene van een andere gemeente, zo nodig in overleg met het college van die andere gemeente.
4.2.
Op grond van het vierde lid verleent het college de brede ondersteuning op basis van een plan van aanpak dat ziet op het kunnen maken van een nieuwe start in het kader van herstel dat is opgesteld met een persoon die in aanmerking komt voor brede ondersteuning. Het plan van aanpak wordt opgesteld binnen acht weken na het eerste gesprek waarin de hulpvraag voor brede ondersteuning is vastgesteld. Indien de hulpvraag één of meer materiële voorzieningen betreft, worden die voorzieningen uitsluitend toegekend indien die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor het maken van een nieuwe start in het kader van herstel.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat het college bij het toekennen van brede ondersteuning beoordelings- en beleidsruimte toekomt. Dat heeft tot gevolg dat de rechtbank zal beoordelen of zij de redenering van het college, zoals die volgt uit het bestreden besluit en de toelichting op de zitting, over de afwijzing van de door eiseres gevraagde voorziening kan volgen.
Recht op vergoeding voor reeds aangeschafte inboedel
5. Naar het oordeel van de rechtbank had het college de aanvraag voor een vergoeding voor de reeds aangeschafte inboedel niet mogen afwijzen op de grond dat de vergoeding met terugwerkende kracht is aangevraagd.
5.1.
In de memorie van toelichting bij de Wet hersteloperatie toeslagen [2] staat omtrent de brede ondersteuning vermeld: ‘Indien een ouder bij aanmelding als (mogelijk) gedupeerde bij de UHT kenbaar maakt dat een hulpaanbod door de gemeente gewenst is, verstrekt de UHT het Burgerservicenummer (BSN), de aanmelddatum en de contactgegevens van deze ouder aan de gemeente waar de ouder woonachtig is. De gemeente gebruikt deze gegevens om contact te leggen met de ouder, zodat aan de ouder een hulpaanbod kan worden gedaan.’
5.2.
Eiseres heeft in 2021 het forfaitaire bedrag van € 30.000,- ontvangen van de Dienst Toeslagen, waardoor zij zich vanaf dat moment kon aanmelden voor brede ondersteuning. Omdat zij toen nog in de gemeente Rotterdam woonde, heeft zij zich daar aangemeld. De rechtbank acht het aannemelijk dat zij in de veronderstelling was dat haar aanmelding na haar verhuizing zou worden overgedragen aan de gemeente Barendrecht. Te meer nu het gaat om brede ondersteuning binnen de hersteloperatie waarbij ouders met verschillende regelingen te maken hebben en van gemeenten mag worden verwacht dat zij zo nodig zorgdragen voor een overdracht of voor onderlinge afspraken. Het in 4.1 aangehaalde derde lid van artikel 2.21 van de Wht duidt daar ook op. Dat het is misgelopen met de overdracht van de gemeente Rotterdam naar de gemeente Barendrecht, kan eiseres niet worden aangerekend. De rechtbank is van oordeel dat het college het moment van de aanmelding van eiseres bij de gemeente Rotterdam in 2021 had moeten aanmerken als het startmoment van de aanmelding voor brede ondersteuning.
5.3.
Dat heeft ook tot gevolg dat een vergoeding voor de inboedel die eiseres in januari 2022 heeft aangeschaft, niet kan worden aangemerkt een vergoeding die met terugwerkende kracht wordt verzocht. Dit was immers na het moment waarop eiseres haar aanmelding voor brede ondersteuning heeft gedaan. Uit de door het college aangehaalde toelichting op de SPUK regeling kan worden opgemaakt dat het toekennen van voorzieningen met terugwerkende kracht ziet op de periode voorafgaand aan de aanmelding voor brede ondersteuning. Er staat immers dat de gemeente de ondersteuningsvragen inventariseert vanaf het moment van de melding. Dat het college niet weet welke ondersteuning de gemeente Rotterdam heeft geboden, doet hieraan niet af. Het college had ook, juist in het kader van de hersteloperatie, contact met de gemeente Rotterdam kunnen opnemen om deze informatie, én informatie over de aanmelding, te achterhalen. Tot slot kan de rechtbank het college niet volgen in het standpunt dat de voorzieningen niet meer noodzakelijk zijn omdat eiseres deze al heeft aangeschaft. [3] Het college had moeten beoordelen of de voorziening noodzakelijk was op het moment waarop eiseres de inboedel heeft aangeschaft.
5.4.
De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

6. Zoals hiervoor is overwogen onder 7 en 7.1 is het bestreden besluit in strijd met artikel 2:21, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan uitsluitend met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het college de aanvraag van eiseres om vergoeding voor de reeds aangeschafte inboedel opnieuw beoordelen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
6.1.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
6.2.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).
6.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
7. Ten overvloede roept de rechtbank partijen op te proberen de zaak zo praktisch mogelijk op te lossen, nu het hier gaat om al in januari 2022 aangeschafte inboedel. De rechtbank wijst partijen erop dat het college open stond voor mediation toen eiseres nog werd bijgestaan door een andere gemachtigde. Die gemachtigde heeft, zonder overleg met eiseres, van mediation afgezien. Op de zitting heeft eiseres aangegeven dat zij over foto’s beschikt van de oude inboedel, waarop de staat ervan zichtbaar is. Deze kan zij overleggen aan het college.

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
-draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
griffier
rechter
De rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Regeling van de Minister van Financiën van 11 november 2021 (nr. 2021-024089) houdende regels voor de verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten voor verlening van hulp aan gedupeerde rechthebbenden op kinderopvangtoeslag.
3.Op grond van artikel 2.21, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht.