ECLI:NL:RBROT:2026:3437

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/6597
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:4 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 2.3.8 Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing urgentieverklaring doorstroming vanuit opvanginstellingen

Eiser diende een aanvraag in voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond 'doorstroming vanuit opvanginstellingen'. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af, stellende dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden, zoals het ontbreken van een aansluitend woonverleden in de regio en het feit dat eiser niet in een instelling verbleef.

De rechtbank oordeelt dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende onderzoek te doen naar de feitelijke verblijfplaats van eiser, die tijdens de bezwaarprocedure verhuisde naar een opvanglocatie van de CVD, een instelling zoals bedoeld in de beleidsregels. Tevens is het college tekortgeschoten in de motivering, met name door het hanteren van een niet-onderbouwde maatstaf van twee jaar voor het woonverleden en het onvoldoende betrekken van relevante feiten.

Daarnaast acht de rechtbank het college in redelijkheid bevoegd om aan te nemen dat terugkeer naar Tilburg mogelijk is, maar benadrukt dat de gevolgen voor eiser's sociaal en economisch functioneren en zijn resocialisatietraject zwaarwegend zijn en meegewogen moeten worden in het kader van het evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6597

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Rotterdam, eiser

(gemachtigde: mr. J.J.A. Bosch),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een afwijzing van eisers aanvraag om een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘Doorstroming vanuit opvanginstellingen’. [1] Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. De rechtbank draagt het college op om een nieuw besluit te nemen
.Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft de aanvraag met het primaire besluit van 28 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft aanvullende stukken ingediend op 4 februari 2026. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en door [naam 1] en [naam 2] (ambulante begeleiders van eiser), en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 15 januari 2025 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘doorstroming vanuit opvanginstellingen’. Eiser heeft in de aanvraag aangegeven dat hij vlak voor het hulpverleningstraject bij het Leger des Heils startte in Tilburg woonde. Aan de afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat eiser niet direct voorafgaand aan het traject in het werkgebied van SUWR [2] woonde. Ook verbleef eiser niet in een instelling [3] . Verder is er volgens het college geen sprake van contra-indicaties waaruit blijkt dat eiser niet terug kan naar Tilburg.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de vereisten van de urgentiegrond ‘doorstroming vanuit opvanginstellingen’?
5. Eiser voert aan dat hij wel voldoet aan de vereisten voor de urgentiegrond ‘doorstroming vanuit opvanginstellingen’. Ten tijde van het bestreden besluit verbleef eiser al in een opvanglocatie van de Stichting Centrum voor Vrijwillige en Professionele Maatschappelijke Dienstverlening (de CVD). Het college had dit kunnen en ook moeten weten. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij wel voorafgaand aan het resocialisatietraject een aansluitend woonverleden heeft in één van de gemeenten binnen de woningmarktregio. Ook zijn er contra-indicaties op basis waarvan kan worden aangenomen dat het voor eiser niet mogelijk is om terug te keren naar Tilburg. Eiser is daar uit zijn woning gezet vanwege geldproblemen. Eiser heeft inmiddels zijn hele sociale netwerk hier, zijn familie woont hier, hij heeft werk hier, hij sport hier en zijn vrienden wonen in de omgeving. Volgens eiser mag de gemeente geen schade toebrengen aan zijn situatie en resocialisatietraject. Door hem nu uit deze omgeving te halen – doordat hij na opvang en hulp door de gemeente geen urgentie krijgt voor een woning in Rotterdam – wordt eiser zowel op sociaal, als economisch vlak schade toegebracht. Ook komt zijn traject in het kader van de schuldhulpverlening in gevaar.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van het college ter voorbereiding van het bestreden besluit onzorgvuldig geweest. In bezwaar is eiser bijgestaan door zijn begeleiders van het Leger des Heils, niet door een juridisch vertegenwoordiger. Tijdens de hoorzitting in bezwaar hebben deze begeleiders verklaard dat zij niet weten waar eiser feitelijk verbleef omdat eisers opvang niet door het Leger des Heils maar door een andere instantie wordt geregeld. Het college heeft deze informatie niet gecontroleerd en is teruggevallen op de informatie die eiser bij de aanvraag heeft verstrekt, namelijk zijn verblijf in nachtopvang. Ter zitting in de beroepsprocedure is besproken dat eiser tijdens de bezwaarprocedure is verhuisd vanuit de nachtopvang naar de opvanglocatie Noorderkanaal van de CVD en dat dit ook het geval was vóór de hoorzitting. Verder heeft de gemachtigde van het college ter zitting verklaard dat het Noorderkanaal een ander soort opvang is dan de nachtopvang waarin eiser eerder verbleef. Deze locatie is wel een instelling zoals bedoeld in de Bijlage. Het had op de weg gelegen van het college om nader onderzoek te doen naar de verblijfplaats van eiser nu het college een volledige heroverweging dient uit te voeren in bezwaar. De bezwaarfase is bij uitstek ook bedoeld om tot een juiste feitenvaststelling te komen. Het college had kunnen vaststellen wat de verblijfplaats van eiser was door hem in de gelegenheid te stellen dit nader toe te lichten en/of daar zelf nader onderzoek naar te doen. Zulk feitenonderzoek was in dit geval aangewezen, gelet op wat er op de hoorzitting is gezegd, omdat eisers opvang liep via de Wet maatschappelijke ondersteuning. Door dit niet te doen heeft het college gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu tijdens de zitting is gebleken dat de opvanglocatie Noorderkanaal van de CVD geen nachtopvang is – en de afwijzing van de aanvraag (mede) gebaseerd is op het standpunt van het college dat eiser niet in een instelling heeft gewoond waarbij hij een resocialisatietraject doorloopt dat is gericht op zelfstandig wonen – ziet de rechtbank aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college het bestreden besluit ook overigens onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft geen inzicht gekregen in hoe het college invulling heeft gegeven aan het vereiste dat de aanvrager direct voorafgaand aan het resocialisatietraject een aansluitend woonverleden heeft in één van de gemeenten binnen de woningmarktregio. [4] Het college heeft hierbij in het bestreden besluit de maatstaf gehanteerd dat wordt gekeken naar de twee jaren voor de aanvraag. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van het college desgevraagd niet kunnen verklaren waar deze maatstaf op is gebaseerd. De gemachtigde heeft verklaard dat het bestreden besluit is opgesteld door een medewerker die niet meer werkzaam is bij het college. Ook heeft de gemachtigde de maatstaf niet kunnen herleiden naar de Verordening, rechtspraak of enige beleidsregel.
5.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college niet zonder meer heeft kunnen aannemen dat eiser geen aansluitend woonverleden heeft binnen de woningmarktregio. In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat eiser met het overleggen van bankafschriften niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een aansluitend woonverleden in Rotterdam heeft. Uit de bankafschriften blijkt dat hij in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag in 2023 meermaals in Tilburg heeft gepind. De gemachtigde van het college heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat eiser bij de aanvraag zelf heeft aangegeven geen aansluitend woonverleden te hebben en dat uit zijn inschrijvingen in de Basisregistratie Personen (BRP) volgt dat hij tot 5 april 2024 in Tilburg stond ingeschreven. Vanaf 30 mei 2024 stond hij in de BRP ingeschreven in Rotterdam. Het college heeft nagelaten om te motiveren waarom de enkele aanwezigheid van pintransacties in Tilburg tot de conclusie leiden dat eiser geen aansluitend woonverleden heeft. De rechtbank benadrukt dat ook hierbij het college de maatstaf heeft toegepast dat is gekeken naar de twee jaren voor de aanvraag. Uit overweging 5.2 hierboven volgt dat het college deze maatstaf ten onrechte heeft toegepast. Verder volgt uit de toelichtingen die door eiser zijn ingevuld op het aanvraagformulier dat hij vanaf november 2023 bij een vriend in Rotterdam verbleef nadat hij uit zijn woning is gezet in Tilburg. Eiser heeft verklaard dat het voor hem niet mogelijk was om zich bij die vriend in te laten schrijven. Het college heeft zich niet op het standpunt gesteld dat deze informatie feitelijk niet juist is en heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe dit woonverleden is meegewogen in de besluitvorming. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 van Pro de Awb.
5.4.
Ten behoeve van de nadere besluitvorming door het college, overweegt de rechtbank nog als volgt over de tweede grondslag van het bestreden besluit. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat het voor eiser op grond van een indicatie niet onmogelijk is om terug te keren naar Tilburg. Het college heeft tijdens de zitting als voorbeeld gegeven dat een betrokkene die vanuit een andere stad naar deze regio komt om uit een drugsomgeving te vertrekken na een traject om af te kicken niet zal worden teruggestuurd naar de andere stad. Daarin is het gevaar gelegen dat de betrokkene opnieuw met drugs in aanraking komt in zijn oude kennisgroepen. In het geval van eiser is er geen vergelijkbare situatie waardoor het voor eiser mogelijk is om terug te keren. De rechtbank is het met het college eens dat dit gevaar niet bestaat bij financiële problemen. Dat eiser zijn leven nu in de woningmarktregio heeft opgebouwd is geen indicatie die het voor eiser onmogelijk maakt om terug te keren naar Tilburg. Of het een situatie is die het voor hem onwenselijk maakt, staat niet ter beoordeling bij toepassing van dit criterium uit de Verordening [5] . Deze omstandigheden moeten echter wel worden betrokken bij de beoordeling van het evenredigheidsbeginsel.
5.5.
Ter zitting heeft eiser een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel en de Harderwijk uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [6] . De rechtbank is van oordeel dat het college bij nadere besluitvorming rekening moet houden met de volgende omstandigheden in het kader van de evenredigheid van de afwijzing van de urgentieverklaring. Eiser is in 2024 naar Rotterdam verhuisd nadat hij zijn huis is kwijtgeraakt vanwege huurachterstanden en onbetaalde energiekosten. Eiser had in Tilburg geen sociaal netwerk, geen duurzaam bestaan en geen werk of opleiding. Eiser ontvangt sinds zijn verblijf in Rotterdam hulp en begeleiding vanuit de gemeente op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Eiser verbleef eerst in de maatschappelijke opvang bij het Leger des Heils waarna hij in februari 2025 naar de opvang van de CVD is verhuisd. Het is aannemelijk dat het voor eiser niet mogelijk is om door te stromen naar een zelfstandige woonruimte zonder een urgentieverklaring. Eiser heeft sinds zijn verblijf in Rotterdam een sociaal netwerk opgebouwd. Het gevolg van een afgewezen urgentieverklaring zou op termijn betekenen dat hij uit de opvanglocatie van de CVD wordt geplaatst waarna hij feitelijk dakloos is. Ook zal eiser in dat geval waarschijnlijk het schuldsaneringstraject niet kunnen afronden. De rechtbank acht het aannemelijk dat de ingezette hulp van de zijde van de gemeente daarmee in wezen teniet wordt gedaan. Dit maakt de afwijzing van de urgentieverklaring op de grondslag van de motivering van het bestreden besluit zoals het ter toetsing voorligt in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van Pro de Awb, het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 van Pro de Awb en het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen. Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor vier weken.
8. Omdat het beroep gegrond krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 juli 2025;
- draagt het college op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. […]
[…]
Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024
Artikel 2.3.8. Voorrang voor bezitters van een urgentie- of herhuisvestingsverklaring
1. Een huishouden dat wegens een persoonlijke noodsituatie of wegens sloop of ingrijpende verbetering van zijn woonruimte een (andere) woonruimte nodig heeft en geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, kan in aanmerking komen voor een urgentieverklaring, dan wel een herhuisvestingsverklaring.
2. In Bijlage I bij deze verordening is aangegeven:
a. door wie, bij wie en de wijze waarop de in het vorige lid bedoelde verklaringen kunnen worden aangevraagd,
b. door wie en de gronden waarop deze verklaringen worden verstrekt,
c. de inhoud van deze verklaringen en
d. de gevolgen die deze verklaringen hebben voor de positie op de woningmarkt van de bezitter ervan.
Bijlage I bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024
Artikel 1.1. Definities
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
o) instelling: een partij die door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen voor het verzorgen van een traject, gericht op resocialisatie van de aanvrager;
[…]
Artikel 5.7. Doorstroming vanuit opvanginstellingen
1. De in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond doet zich voor indien:
a. aanvrager woont in een instelling en daar een resocialisatietraject doorloopt of direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag om een urgentieverklaring heeft doorlopen;
b. naar het oordeel van het bestuursorgaan in voldoende mate in staat is om zelfstandig te kunnen wonen;
c. aanvrager direct voorafgaand aan het resocialisatietraject een aansluitend woonverleden heeft in één van de gemeenten binnen de woningmarktregio; en
d. er sprake was van zelfstandige woonruimte die door of tijdens de problematiek, die leidde tot het resocialisatietraject, verloren is gegaan, of terugkeer naar het laatste woon- of inwoonadres op basis van een indicatie niet mogelijk is.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b, kan een aanvrager met aansluitend woonverleden in een gemeente buiten de regio ook voor een urgentieverklaring in aanmerking komen indien:
a. het door de instelling verzorgde traject binnen de regio doorlopen is; en,
b. terugkeer naar de desbetreffende gemeente buiten de regio op grond van een indicatie niet mogelijk is; en,
c. aan de overige voorwaarden genoemd in het eerste lid is voldaan.
3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde resocialisatietraject:
a. is afgerond en er is geen zorg of nazorg nodig. Aanvrager is in dit geval in staat zelfstandig een huishouden te voeren; of,
b. bestaat uit het verlenen van zorg of nazorg. Aanvrager is in dit geval wel in staat zelfstandig een huishouden te voeren, maar met begeleiding.
4. De in het eerste en tweede lid bedoelde instelling stelt een rapportage op waarin een beschrijving wordt gegeven van het doorlopen of door te lopen resocialisatietraject en, voor zover de zorg of nazorg nog voortduurt, waaruit blijkt waaruit de te verlenen zorg of nazorg bestaat. Indien er sprake is van [niet-SUWR gemeenten: schuldenproblematiek] [SUWR-gemeenten: schuldenproblematiek als bedoeld in Bijlage III], dan moeten er regelingen zijn getroffen met de gemeente in de vorm van budgetbeheer of schulddienstverlening of er moet sprake zijn van bewindvoering. Het bestuursorgaan kent bij zijn beslissing op de aanvraag om urgentieverklaring zwaarwegend gewicht toe aan de rapportage.
5. De indicatie als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt afgegeven door de in het eerste of tweede lid bedoelde instelling of door een adviseur als bedoeld in artikel 2.4, vijfde lid, van deze Bijlage.
6. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.2, zesde lid, van deze Bijlage kan het in de urgentieverklaring op te nemen zoekgebied beperkt worden tot de herkomstgemeente.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 5.7 van Bijlage 1 van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (de Bijlage).
2.Te weten: Rotterdam, Maassluis, Vlaardingen, Schiedam of Capelle aan den IJssel.
3.Zoals bedoeld in artikel 1.1., onder o, van de Bijlage.
4.Zoals bedoeld in artikel 5.7., eerste lid, onder c, van de Bijlage.
5.Artikel 5.7, tweede lid, van de Bijlage.
6.ABRvS van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.