Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3429

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
11072122 CV EXPL 24-11361
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 RvArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering wegens tijdelijke werktijdregeling vervallen

De werknemer vorderde loonbetaling omdat hij het niet eens was met een salariskorting van 5% die zijn voormalige werkgever had toegepast vanaf 1 januari 2018. De werknemer stelde dat de afspraak over aangepaste werktijden (dinsdagmiddag vrij na 14:30 uur en woensdag later beginnen) niet tijdelijk was en dat hij de gemiste uren had ingehaald.

De werkgever voerde aan dat de regeling tijdelijk was en alleen gold zolang de kinderen van de werknemer op de basisschool zaten. Ter bewijs leverde zij schriftelijke verklaringen en getuigenverklaringen van directieleden en collega’s, die bevestigden dat de regeling specifiek en tijdelijk was vanwege de zorg voor de jonge kinderen.

De kantonrechter oordeelde dat de werkgever voldoende bewijs had geleverd, mede door steunbewijs van een niet-bestuurscollega, en dat de regeling in 2018 niet meer van toepassing was omdat de kinderen toen niet meer op de basisschool zaten. De werknemer werd geacht in te stemmen met de loonverlaging. De loonvordering werd afgewezen en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen omdat de tijdelijke werktijdregeling was vervallen en de loonverlaging terecht was.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11072122 CV EXPL 24-11361
datum uitspraak: 6 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. J.C. Hennipman,
tegen
[naam gedaagde] Export B.V.,
vestigingsplaats: Barendrecht,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Thielen.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [naam gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het tussenvonnis van 4 april 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • de mail namens de gemachtigde van [naam gedaagde] van 16 april 2025, met een bijlage;
  • de akte na tussenvonnis van [eiser] , met bijlagen;
  • het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 25 november 2025;
  • het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 16 december 2025;
  • de akte na enquête van [eiser] ;
  • de conclusie na enquête van [naam gedaagde] .

2.De verdere beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser] is deze procedure gestart, omdat hij vindt dat [naam gedaagde] (zijn voormalige werkgever) hem te weinig salaris heeft betaald. [eiser] is het niet eens met de salariskorting van 5% die [naam gedaagde] per 1 januari 2018 heeft toegepast en verwijst in dat kader naar de afspraak die de partijen hebben gemaakt dat hij op de dinsdagmiddagen na 14:30 uur was vrijgesteld van zijn werkzaamheden en dat hij op de woensdagen pas om 9:00 uur hoefde te beginnen. Volgens [naam gedaagde] was de salariskorting terecht, omdat de afspraak slechts tijdelijk was en niet meer gold. [naam gedaagde] vindt daarom dat zij niets aan [eiser] hoeft te betalen.
(Voorwaardelijke) bewijsopdrachten
2.2.
Aan [naam gedaagde] is opgedragen om te bewijzen dat de afspraak over de werktijden van [eiser] (op de dinsdagen na 14:30 uur vrijgesteld van werkzaamheden en op de woensdagen om 9:00 uur beginnen) tijdelijk was en slechts gold voor de periode dat de kinderen van [eiser] op de basisschool zaten.
2.3.
Voor het geval [naam gedaagde] niet in haar bewijsopdracht slaagt, is (gelijktijdig) aan [eiser] alvast opgedragen om te bewijzen dat hij in de periode vanaf 1 januari 2018 tot aan zijn ziekmelding de op de dinsdagmiddagen na 14:30 uur en woensdagochtenden voor 9:00 uur gemiste uren buiten kantoortijd heeft ingehaald.
Invulling bewijsopdracht [naam gedaagde]
2.4.
[naam gedaagde] heeft in het kader van de bewijslevering verwezen naar de schriftelijke verklaringen van de heer [naam 1] (hierna: ‘ [naam 1] ) en de heer [naam 2] (hierna: ‘ [naam 2] ’) zoals door [eiser] overgelegd als productie 8 bij dagvaarding. Verder heeft [naam gedaagde] een schriftelijke verklaring van de heer [naam 3] (hierna: ‘ [naam 3] ’) overgelegd en drie getuigen doen horen.
2.5.
[naam 1] heeft, voor zover van belang, als volgt schriftelijk verklaard:
“(…) [eiser] gaf aan dat hij op dinsdag de kinderen van school moest halen en woensdag naar school moest brengen en daarom wat vroeger weg moest en wat later op kantoor kwam. Voor ons, [naam 2] en ik, akkoord. Hij zou bereikbaar zijn voor zijn klanten en we vonden dat we op dit gebied [eiser] tegemoet moesten komen. Rust aan het thuisfront in een voor hem lastige tijd.
Als het druk was en hij de kinderen niet had, gebeurde het regelmatig dat hij door bleef werken op de dinsdagen. (…)”
2.6.
[naam 2] heeft, voor zover van belang, als volgt schriftelijk verklaard:
“(…) Op woensdag 28 oktober 2009 bespraken wij ( [naam 1] , [eiser] en ondergetekende) tijdens een diner bij Restaurant [naam restaurant] in [plaats] de voorwaarden voor een eventueel dienstverband als verkoper Rusland bij [naam gedaagde] Export. [eiser] gaf daarbij aan kort geleden te zijn gescheiden, alleen te wonen en dat zijn kinderen iedere “dinsdagmiddag na schooltijd” tot “woensdagochtend voor schooltijd” bij hem in huis waren. Zijn kinderen zaten op dat moment op de basisschool en waren te jong om helemaal alleen thuis te kunnen blijven.
Dit hebben we op dat moment opgelost door [eiser] op dinsdagmiddag de gelegenheid te geven om eerder weg te gaan om zijn kinderen bij school op te halen en door hem op woensdag later te laten beginnen nadat hij zijn kinderen bij school heeft afgezet. Hierbij hebben [naam 1] en ik duidelijk aangegeven dat dit specifiek voor dit doel en dus voor zo lang als noodzakelijk zo is afgesproken. (…)”
2.7.
[naam 3] heeft, voor zover van belang, als volgt schriftelijk verklaard:
“(…) Bij het in dienst treden van [eiser] is destijds door de directie mondeling meegedeeld aan de afdeling dat hij zolang als nodig zal zijn voor de zorg van zijn kinderen op dinsdagmiddag eerder naar huis zal gaan en woensdagochtend later op kantoor aanwezig zal zijn. Dit betrof mijns inziens heel duidelijk een afspraak van tijdelijke aard. (…)”
2.8.
Getuige [naam 2] heeft, voor zover van belang, als volgt verklaard:
“(…) U houdt mij voor dat ik een schriftelijke verklaring heb afgelegd, die in het dossier zit en u vraagt mij of ik kan bevestigen of die verklaring naar waarheid is afgelegd. Ik verklaar dat die verklaring 100% juist is.
U houdt mij voor dat de heer [eiser] in zijn verklaring heeft verklaard over een diner in 2009, waar de heer [naam 1] , de heer [eiser] en ik bij aanwezig waren. Het is juist dat het diner heeft plaatsgevonden. Het was voor zover ik mij kan herinneren de eerste keer dat ik inhoudelijk met de heer [eiser] heb gesproken. Voor wat betreft de inhoud van dat gesprek heb ik niets toe te voegen aan mijn eerdere verklaring.
U houdt mij voor dat de heer [eiser] heeft verklaard dat de regeling dat hij dinsdagmiddag niet op kantoor was geen verband hield met het naar school brengen van zijn kinderen. Ik zou bijna vragen: ‘waarmee dan wel?’. Het hield absoluut verband met zijn kinderen. Ik weet dat en het feit dat de regeling tijdelijk was nog zo goed, om de volgende reden. Mijn vader was de directeur van [naam gedaagde] Export B.V. en hield zich bezig met de Russische tak. Vanaf 2005 waren wij opzoek naar een opvolger. We kwamen in 2007, als ik mij goed herinner, in contact met een potentiële kandidaat. Die was in een vergelijkbare positie als die van de heer [eiser] . hij was gescheiden en hij had een kind dat twee nachten in de week bij hem sliep. Hij wilde graag op de dagen dat hij dat kind naar school moest brengen later op kantoor beginnen. Ik weet nog goed dat wij daarmee akkoord waren, voor zolang als dat het nodig was. (…)
U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat de regeling zou gelden voor zolang als dat nodig
zou zijn en u vraagt mij wat dat voor mij precies betekende. Dat betekende zolang als de
kinderen niet zelfstandig uit school konden komen en alleen thuis zouden kunnen zijn.
Wanneer dat precies zou zijn hangt van het kind af en dat wist ik dus niet. Wij konden niet
in de toekomst kijken. (…)”
2.9.
Getuige [naam 1] heeft, voor zover van belang, als volgt verklaard:
“(…) U vraagt mij te bevestigen dat de verklaring van mij die in het dossier zit naar waarheid is opgemaakt. Dat bevestig ik. (…)
Hij heeft aangegeven dat hij kleintjes thuis had en dat hij daarom op dinsdagmiddag eerder weg moest om ze op te halen van school en dat hij ze op woensdagochtend naar school moest brengen. Ik zei tegen hem dat op vrijdag veel auto’s moesten worden klaargemaakt en dat het werk soms tot 19.00/20.00 uur doorging. Hij zei dat het geen probleem was, omdat hij bij zijn toenmalige werkgever soms wel eens tot 22.30 uur op kantoor moest blijven. Ik zei toen dat het bij ons niet zo gek zou worden. In ieder geval bleek dat hij gewend was om lange dagen te maken. We hebben hem daarom toestemming gegeven om op dinsdagmiddag en woensdagochtend de kinderen naar school te brengen en van school te halen. Ik denk dat we dat hebben besproken tijdens het diner waar [naam 2] ook bij was. Het kan zijn dat we dat ook bij een andere gelegenheid hebben besproken, op kantoor.
U houdt mij voor dat de heer [eiser] heeft verklaard dat de regeling niets met het ophalen en het wegbrengen van de kinderen te maken had. Dat is pertinent niet waar. Als onze werknemers een vaste middag vrij willen, dan bieden we ze een 90% contract aan. Dat was bij de heer [eiser] niet het geval; zijn regeling had specifiek betrekking op het ophalen en wegbrengen van de kinderen. Anders is er ook niet te verklaren waarom hij op woensdag later moest beginnen. (…)
Ik wil nog toevoegen dat toen de heer [eiser] bij ons in dienst kwam, hij in een moeilijke periode zat. Zijn vorige werkgever had problemen en hij was het jaar daarvoor gescheiden. Toen ik bij hem thuis kwam, zat hij thuis in verband met een geschil met zijn vorige werkgever. Een stabiele thuissituatie is voor ons erg belangrijk. Vandaar dat we hem de ruimte wilde geven om voor zijn kinderen te zorgen, vooral omdat hij relatief veel uren draaide. (…)
U vraagt mij voor hoelang de regeling was afgesproken. Er is geen eindtijd afgesproken. Het ging erom dat de heer [eiser] er voor zijn kinderen kon zijn. Ik weet niet hoe oud zijn kinderen toen precies waren. Zijn nieuwe partner was op dat moment ook nog niet in beeld. Wij hebben daarom ook niet een tijdstip afgesproken waarop de regeling zou eindigen. (…)”
Bewijswaardering en conclusie
2.10.
De kantonrechter is van oordeel dat [naam gedaagde] is geslaagd in het leveren van het bewijs. Daartoe overweegt hij als volgt.
2.11.
[naam 2] (financieel directeur) en [naam 1] (CEO) zijn niet alleen in dienst van [naam gedaagde] maar ook – blijkens het door [naam gedaagde] overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel – zelfstandig bevoegd om [naam gedaagde] te vertegenwoordigen. Niet gesteld of gebleken is dat zij dat op het moment van de getuigenverhoren niet meer waren. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat zij partijgetuigen zijn.
2.12.
In deze zaak hebben de verklaringen van partijgetuigen beperkte bewijskracht (artikel 164 (oud) Rv), omdat de dagvaarding vóór 1 januari 2025 is uitgebracht. Dat betekent dat de verklaring van een partijgetuige omtrent de door die partij te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. [naam gedaagde] dient daarom over steunbewijs te beschikken, in die zin dat voldoende aanvullende bewijzen voorhanden moeten zijn die zodanig sterk zijn en zodanige essentiële punten betreffen, dat zij de partijgetuigeverklaringen van [naam 2] en [naam 1] voldoende ondersteunen en geloofwaardig maken [1] .
2.13.
Naar het oordeel van de kantonrechter is dat steunbewijs voldoende aanwezig in de vorm van de schriftelijke verklaring van [naam 3] . [naam 3] is enkel werknemer (en geen bestuurder) van [naam gedaagde] en is daarom geen partijgetuige. Hoewel [naam 3] vanwege zijn dienstbetrekking mogelijk wel een belang heeft bij de uitkomst van de zaak, acht de kantonrechter zijn verklaring betrouwbaar. [naam 3] was niet alleen directe collega van [eiser] , maar ook degene die contact met [eiser] moest opnemen over lopende orders als [eiser] op dinsdagmiddag niet op kantoor was en zij hadden dus direct met elkaar te maken.
2.14.
De verklaring van [naam 3] is op het essentiële punt van de inhoud van de afspraak over de werktijden van [eiser] volledig in lijn met de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] . De verklaringen zijn eenduidig en voldoende specifiek, namelijk dat de reden voor de aangepaste werktijden gelegen was in de jonge leeftijd van de kinderen van [eiser] en dat zij van school gehaald en naar school gebracht moesten worden.
2.15.
[eiser] heeft zichzelf in contra-enquête laten horen. Hij heeft onder meer het volgende verklaard:
“(…) Bij mijn vorige werkgever was ik de teamleider afdeling Rusland. Er werkten vijf of zes mensen in mijn team. We maakten lange dagen. We hadden een afspraak dat als iemand
overuren maakte dat ‘gecompenseerd’ werd doordat diegene op andere dagen vrije uren zou
krijgen. Dat werd niet formeel bijgehouden in een tabelletje ofzo. Het was normaal dat je
niet op kantoor hoefde te zitten als het niet nodig was. Als er bijvoorbeeld een feestdag was
in Rusland, en er geen werk was, dan hoefde je niet op kantoor te blijven. Deze regeling had
in mijn optiek niets te maken met het uit school halen van de kinderen op dinsdag middag
en het naar school brengen op woensdag ochtend.
Ik denk dat ik over deze regeling verteld heb tijdens het diner. In mijn optiek had de
regeling die ik bij [naam gedaagde] zou krijgen ook niets te maken met het naar school brengen en
van school halen van de kinderen. Er kwam naar voren dat er dagen in de week waren dat ik
langer moest werken dan tot 5 uur, dat kwam wel voor. We hebben tijdens het gesprek niet
gesproken over compensatie voor overuren. In het begin werd er ook niet op gelet of ik mijn
werk op kantoor deed. Tot deze rechtszaak heb ik de woorden inhalen of compenseren ook
helemaal niet gehoord van [naam gedaagde] .
Het is nooit met mij besproken dat de regeling tijdelijk zou zijn. Daar is nooit iets over
gezegd, tot 1 januari 2018. Bij [naam gedaagde] en [naam 2] was er tot die tijd ook nooit behoefte
om iets te veranderen, voor zo ver ik mij kan herinneren. We hebben tijdens het diner ook
gesproken over bereikbaarheid. Als ik op dinsdag middag niet op kantoor zou zijn, moest ik
wel bereikbaar zijn voor relaties, leveranciers, klanten en collega’s. Juridisch gesproken was
ik nog steeds aan het werk, ik was alleen vrijgesteld van aanwezigheid op kantoor. (…)”
In zijn getuigenverklaring heeft [eiser] aangegeven dat hij bij zijn vorige werkgever niet op kantoor hoefde te zijn als dat niet nodig was en dat de afspraak was dat hij bij [naam gedaagde] dezelfde regeling zou krijgen. Dat verklaart echter niet waarom [eiser] elke dinsdagmiddag eerder naar huis ging en elke woensdagochtend later op kantoor kwam, maar op andere dagen en uren kennelijk wel steeds op kantoor werkte. Het lijkt niet waarschijnlijk dat het werk het op
alledinsdagmiddagen en woensdagochtenden, en
alleenop dinsdagmiddagen en woensdagochtenden, toeliet dat [eiser] niet op kantoor werkte. De verklaring van [eiser] biedt geen alternatieve verklaring voor het feit dat hij op vaste dagen niet op kantoor werkte. [eiser] heeft verklaard dat hij aan het begin van zijn dienstverband enige tijd gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn kinderen van school te halen en naar school te brengen en dat die noodzaak er vanaf december 2010 niet meer was, maar dat valt goed te rijmen met de afspraak die volgens [naam gedaagde] is gemaakt. Ook als [naam gedaagde] wist dat [eiser] vanaf december 2010 een nieuwe partner had, dan had zij daaruit niet automatisch kunnen en hoeven afleiden dat die partner vanaf dat moment de kinderen van [eiser] van school zou halen en naar school zou brengen en dat er daarom geen noodzaak meer bestond voor de afgesproken regeling. Het feit dat [naam gedaagde] de regeling daarna nog een aantal jaar heeft laten voortbestaan vormt daarom naar het oordeel van de kantonrechter geen aanwijzing dat de regeling niet tijdelijk en voorwaardelijk zou zijn geweest.
2.16.
Op basis van de hiervoor besproken verklaringen, in samenhang bezien, is de kantonrechter van oordeel dat [naam gedaagde] het gevraagde bewijs heeft geleverd. Daarom staat vast dat de afspraak over de werktijden van [eiser] tijdelijk was en slechts gold voor de periode dat de kinderen van [eiser] op de basisschool zaten. In 2018 zaten zijn kinderen al enige tijd niet meer op de basisschool het staat vast dat zij op dat moment niet meer door [eiser] van school gehaald moesten worden op dinsdagmiddag. Daarmee was de voorwaarde voor de tijdelijke regeling komen te vervallen. Uit het feit dat [eiser] op de dinsdagmiddagen niet weer op kantoor is gaan werken moet naar het oordeel van de kantonrechter worden afgeleid dat hij geacht moet worden ermee te hebben ingestemd dat [naam gedaagde] de arbeidsduur vervolgens heeft aangepast. Daaruit volgt dat [naam gedaagde] het loon van [eiser] mocht verlagen.
2.17.
Omdat [naam gedaagde] in haar bewijsopdracht is geslaagd, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de voorwaardelijke bewijsopdracht die aan [eiser] is gegeven en wordt de eis van [eiser] afgewezen (zie ook r.o. 2.13 van het tussenvonnis van 4 april 2025).
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.18.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [naam gedaagde] moet betalen op € 2.885,- aan salaris voor de gemachtigde (5 punten × € 577,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 3.029,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.19.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [naam gedaagde] dat eist en [eiser] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [naam gedaagde] worden begroot op € 3.029,-;
3.3.
verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
43416

Voetnoten

1.HR 31 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1688, NJ 1997/592 (Taams/Boudeling)