Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 4 april 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de mail namens de gemachtigde van [naam gedaagde] van 16 april 2025, met een bijlage;
- de akte na tussenvonnis van [eiser] , met bijlagen;
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 25 november 2025;
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 16 december 2025;
- de akte na enquête van [eiser] ;
- de conclusie na enquête van [naam gedaagde] .
2.De verdere beoordeling
alledinsdagmiddagen en woensdagochtenden, en
alleenop dinsdagmiddagen en woensdagochtenden, toeliet dat [eiser] niet op kantoor werkte. De verklaring van [eiser] biedt geen alternatieve verklaring voor het feit dat hij op vaste dagen niet op kantoor werkte. [eiser] heeft verklaard dat hij aan het begin van zijn dienstverband enige tijd gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn kinderen van school te halen en naar school te brengen en dat die noodzaak er vanaf december 2010 niet meer was, maar dat valt goed te rijmen met de afspraak die volgens [naam gedaagde] is gemaakt. Ook als [naam gedaagde] wist dat [eiser] vanaf december 2010 een nieuwe partner had, dan had zij daaruit niet automatisch kunnen en hoeven afleiden dat die partner vanaf dat moment de kinderen van [eiser] van school zou halen en naar school zou brengen en dat er daarom geen noodzaak meer bestond voor de afgesproken regeling. Het feit dat [naam gedaagde] de regeling daarna nog een aantal jaar heeft laten voortbestaan vormt daarom naar het oordeel van de kantonrechter geen aanwijzing dat de regeling niet tijdelijk en voorwaardelijk zou zijn geweest.