Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3421

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
C/10/712389 / JE RK 25-2684
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2017. De minderjarige verblijft bij de stiefmoeder, terwijl de ouders het ouderlijk gezag behouden. De moeder ontvangt ambulante hulpverlening, maar werkt onvoldoende mee en onderhoudt moeizaam contact met de GI en haar kinderen.

De kinderrechter constateert dat de zorgen over de opvoedvaardigheden en emotionele beschikbaarheid van de moeder onverminderd aanwezig zijn. De moeder heeft onvoldoende geprofiteerd van de geboden hulpverlening en komt afspraken niet altijd na, wat onvoorspelbaarheid veroorzaakt die niet in het belang is van de minderjarige. De plaatsing bij de stiefmoeder verloopt goed en biedt de rust en stabiliteit die de minderjarige nodig heeft.

De kinderrechter besluit de ondertoezichtstelling te verlengen tot 11 februari 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing binnen het netwerk bij de stiefmoeder tot 11 september 2026. De behandeling van het resterende verzoek wordt aangehouden tot 1 augustus 2026, waarbij de GI zal rapporteren over de actuele stand van zaken. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling tot februari 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de stiefmoeder tot september 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/712389 / JE RK 25-2684
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. C.M. Sent, kantoorhoudende in Amsterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, verblijvende in de penitentiaire inrichting in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam stiefmoeder] ,
hierna te noemen: de stiefmoeder.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 10 februari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
Op 6 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
De moeder, de vader en de stiefmoeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder, de vader en de stiefmoeder wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter. [voornaam minderjarige] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft bij de stiefmoeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 februari 2026 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 11 maart 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij diezelfde beschikking de machtiging verlengd om [voornaam minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen binnen het netwerk, te weten bij de stiefmoeder, tot 11 maart 2026.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] binnen het netwerk, te weten bij de stiefmoeder, te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Op een gedeelte van het verzoek is reeds beslist. Er moet nog een beslissing worden genomen op het restant van het verzoek, te weten de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van 11 maart 2026 tot 11 februari 2027.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht het nader toe. De moeder heeft een periode bij Antes verbleven en is ondertussen weer thuis. Zij ontvangt in de thuissituatie ambulante hulpverlening vanuit Antes. De afgelopen periode heeft er twee keer omgang plaatsgevonden tussen de moeder en de kinderen. Op dinsdag en vrijdag staan er belafspraken gepland, maar de moeder belt de kinderen slechts de helft van de tijd. De belafspraken die wel doorgaan verlopen wisselend. Ook het contact tussen de moeder en de GI verloopt moeizaam. De moeder oogt vaak afwezig en reageert niet altijd. Antes is aan het onderzoeken wat de moeder nodig heeft om verder te komen. Ook met Antes staat de moeder echter slecht in contact. De moeder gaat nog wel naar haar urinecontroles en deze zijn tot op heden negatief. De GI heeft op dit moment geen zicht op hoe het bij de moeder gaat en wat zij wel of niet aankan. De moeder is in oktober 2025 bevallen en de baby is uit huis geplaatst. Het gaat goed met [voornaam minderjarige] bij de stiefmoeder. Wanneer de partner van de stiefmoeder terugkeert in de thuissituatie is aanvullende hulpverlening mogelijk noodzakelijk. Op dit moment wordt nog geen onderzoek gedaan naar een gezagsbeëindigende maatregel in afwachting van het traject van de moeder bij Antes.
4.2.
De advocaat van de moeder heeft er zitting kenbaar gemaakt dat het de moeder heeft het niet is eens met het verzoek van de GI en dat een eventuele gezagsbeëindiging voor haar heel definitief zou voelen.
5.
De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de zorgen over de opvoedvaardigheden en de (emotionele) beschikbaarheid van de moeder onverminderd aanwezig zijn. De afgelopen periode is geprobeerd hulpverlening in te zetten voor de moeder om aan zichzelf te werken en de thuissituatie te verbeteren. De moeder heeft onvoldoende aan de geboden hulpverlening meegewerkt waardoor zij hier niet optimaal van heeft kunnen profiteren. Daarnaast is de moeder wisselend in het contact met de GI en komt zij de belafspraken met [voornaam minderjarige] niet altijd na. De onvoorspelbaarheid die dit met zich meebrengt is niet in [voornaam minderjarige] zijn belang. De komende periode is het belangrijk dat de moeder de samenwerking met de GI aangaat en keuzes maakt die in het belang zijn van [voornaam minderjarige] .
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] voor de resterende duur van elf maanden.
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.5.
Vanwege de grote zorgen over de thuissituatie bij de moeder is [voornaam minderjarige] op 21 maart 2025, samen met zijn halfbroer [persoon B] , uit huis geplaatst bij de stiefmoeder. Hier gaat het goed met [voornaam minderjarige] : hij gaat dagelijks naar school, ontwikkelt zich positief en hij zit op judo. [voornaam minderjarige] ontvangt bij de stiefmoeder de rust, structuur en stabiliteit die hij nodig heeft. De komende periode is het daarom van belang dat deze plaatsing wordt voortgezet.
5.6.
Hoewel de moeder niet ter zitting is verschenen, is wel gebleken dat zij een andere mening heeft dan de GI. Gelet hierop ziet de kinderrechter reden om een vinger aan de pols te houden. Hierdoor wordt de moeder ook nogmaals in de gelegenheid gesteld om ter zitting te verschijnen, haar standpunt duidelijk te maken en te vertellen hoe het met haar en haar traject bij Antes gaat. Dit betekent dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] zal verlengen voor een kortere periode dan verzocht en de behandeling en beslissing op het overig verzochte zal aanhouden. De kinderrechter verzoekt de GI op de hierna te noemen pro formadatum te rapporteren over de dan huidige stand van zaken.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 11 februari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] binnen het netwerk, te weten bij de stiefmoeder, tot 11 september 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot
1 augustus 2026, pro forma;
6.5.
bepaalt dat de GI, de moeder, mr. C.M. Sent en de vader op de bovengenoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.6.
verzoekt de GI uiterlijk één week voor de bovengenoemde pro forma datum aan de kinderrechter (met afschrift aan de moeder, mr. C.M. Sent en de vader) te rapporteren over de actuele stand van zaken en de verdere processuele wensen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 18 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.