Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3403

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
10.405096.24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte voor medeplegen poging tot doodslag en wapenbezit

Op 8 december 2024 vond een schietincident plaats in Rotterdam waarbij het slachtoffer en een bekende werden beschoten vanaf een balkon. Verdachte reed als bestuurder in een auto waarin zijn medeverdachte vanuit de auto schoot tijdens een achtervolging. De rechtbank oordeelt dat verdachte niet de schutter was en geen wetenschap had van het vuurwapen in de auto.

De officier van justitie vorderde bewezenverklaring van medeplegen poging tot doodslag en wapenbezit, maar de verdediging pleitte vrijspraak. De rechtbank concludeert dat onvoldoende bewijs is voor mededaderschap of wetenschap van het vuurwapen door verdachte. Ook is niet met voldoende zekerheid vastgesteld dat gericht op het slachtoffer is geschoten met een aanmerkelijke kans op dodelijk of zwaar letsel.

De voorlopige hechtenis van verdachte werd op 27 februari 2026 opgeheven. De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de proceskosten van de verdediging, begroot op nihil.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 13 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen poging tot doodslag en wapenbezit wegens gebrek aan wetenschap en mededaderschap.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.405096.24
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Datum zitting: 27 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ,
ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. C. Ihataren
Officier van justitie: mr. W.D. van den Berg
Benadeelde partij: [benadeelde]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. C.M. Diaz
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van een poging tot doodslag dan wel poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Zijn medeverdachte heeft geschoten vanuit de auto waarin de verdachte als bestuurder reed, maar dit levert geen wetenschap op van het voorhanden hebben van dat vuurwapen en evenmin mededaderschap voor het schieten daarmee.

1.Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte
1.
op of omstreeks 8 december 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] , althans een ander (onbekend gebleven) persoon, opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- meerdere malen, althans eenmaal met een vuurwapen op/richting die [slachtoffer 1] heeft geschoten, en/of
- een voertuig heeft bestuurd van waaruit op die [slachtoffer 1] werd geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op of omstreeks 8 december 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver en/of een pistool, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

2.Vrijspraak

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de bewezenverklaring gevorderd van de feiten waarvan de verdachte wordt beschuldigd
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de feiten.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
Op 8 december 2024 zijn het latere slachtoffer [slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer) en een bekende van hem, genaamd [slachtoffer 2] , naar een woning op de Kleine Visserijstraat in Rotterdam gegaan. Nadat [slachtoffer 2] aanbelde werd er, van boven vanaf een ander balkon dan van de woning waar zij aanbelden, op hen geschoten. Hierbij is het slachtoffer in zijn arm en in zijn zij geraakt. Het slachtoffer en [slachtoffer 2] zijn weggerend. In een auto in de buurt zaten de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . De verdachte was de bestuurder en [medeverdachte] was de bijrijder. Zij zijn achter het slachtoffer en [slachtoffer 2] aangereden. [medeverdachte] heeft op de Mathenesserdijk, waar het slachtoffer en [slachtoffer 2] naar toe waren gerend, vanuit de auto met een vuurwapen geschoten.
De rechtbank begrijpt uit de bewoordingen van de tenlastelegging en de gegeven toelichting van de officier van justitie op de terechtzitting dat de beschuldiging van de verdachte enkel ziet op zijn betrokkenheid bij het tweede schietincident, waarbij door [medeverdachte] is geschoten vanuit de auto die de verdachte bestuurde.
Zoals is opgemerkt is niet de verdachte maar medeverdachte [medeverdachte] degene geweest die heeft geschoten. De verdachte is dus geen pleger van het schietincident. Evenmin kan worden bewezen dat de verdachte daarbij als mededader betrokken is geweest. Er kan namelijk enkel worden vastgesteld dat de verdachte als bestuurder in de auto reed op het moment dat [medeverdachte] schoot. Uit niets blijkt dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto en evenmin dat [medeverdachte] van plan was om daarmee te gaan schieten. Het is aannemelijk dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, werd verrast door het handelen van [medeverdachte] . Hoewel de verdachte door [medeverdachte] werd aangestuurd om met de auto in een bepaalde richting te rijden, staat niet vast dat hij wist dat [medeverdachte] tijdens de achtervolging een wapen zou trekken en vanuit de auto zou schieten.
Daar komt bij dat niet met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat er door [medeverdachte] gericht op het slachtoffer is geschoten dan wel dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer door de schoten zou worden geraakt en dodelijk zou worden getroffen dan wel daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
De verdachte wordt daarom vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten.

3.Voorlopige hechtenis

De verdachte bevond zich op grond van een bevel gevangenhouding in voorlopige hechtenis. De voorlopige hechtenis is op 27 februari 2026 door de rechtbank opgeheven. Het bevel tot opheffing van de voorlopige hechtenis is in een apart document vastgelegd.

4.Vordering van de benadeelde partij

4.1.
Vordering [benadeelde]
heeft als benadeelde partij van feit 1 € 4.934,- als vergoeding voor materiële schade en € 7.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens is gevorderd de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van deze schade.
4.2.
Standpunt van de officier van justitie
De benadeelde partij kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering omdat het letsel en de schade zijn ontstaan bij het eerste schietincident, waar de verdachte niet bij betrokken is geweest.
4.3.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat geen sprake is van rechtstreekse schade als gevolg van het handelen van de verdachte. De schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, houdt verband met het eerste schietincident waar de verdachte niet bij betrokken is geweest. Subsidiair is aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk is gelet op de bepleite integrale vrijspraak.
4.4.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de beschuldiging.
De benadeelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

5.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart
niet bewezendat de verdachte de feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Voorlopige hechtenis
stelt vast dat het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte is opgeheven met ingang van 27 februari 2026.
Vordering benadeelde partij
verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op vandaag op nihil..

6.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Feraaune, voorzitter,
en mrs. M.K. Asscheman-Versluis en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 maart 2026.