Op 8 december 2024 schoot de verdachte vanuit een rijdende auto met een vuurwapen op het slachtoffer en een bekende van het slachtoffer. Hoewel vaststaat dat de verdachte heeft geschoten, kon niet worden bewezen dat hij gericht heeft geschoten op het slachtoffer. Hierdoor werd hij vrijgesproken van poging tot doodslag en poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte een vuurwapen van categorie III, een pistool, voorhanden had. De rechtbank achtte dit ernstig vanwege het feit dat er meerdere keren op klaarlichte dag werd geschoten, wat gevoelens van onveiligheid veroorzaakte bij betrokkenen en omstanders.
De verdachte heeft een strafblad met soortgelijke veroordelingen, waaronder een recente gevangenisstraf van 36 maanden die nog niet volledig is uitgezeten. Gezien de ernst van het feit en het strafblad werd een gevangenisstraf van 418 dagen opgelegd, gelijk aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis had doorgebracht.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het letsel was ontstaan bij het eerste schietincident waarbij de verdachte niet betrokken was. Tevens werd een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf afgewezen omdat de verdachte al een langere gevangenisstraf ondergaat.
De voorlopige hechtenis werd opgeheven met ingang van de uitspraak op 13 maart 2026.