ECLI:NL:RBROT:2026:3382
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Toewijzing dwangsom wegens niet-nakoming reparatie verwarmingsinstallatie in huurwoning
Op 5 januari 2026 viel de verwarmingsinstallatie uit in de huurwoning van eiser. Ondanks meerdere meldingen en een eerder vonnis van 4 februari 2026 waarin gedaagde werd veroordeeld tot reparatie of vervanging, bleef gedaagde nalatig. Eiser startte daarom een tweede kort geding met eis tot oplegging van een dwangsom en vergoeding hotelovernachting.
Gedaagde betwistte de eis en gaf aan pas recent kennis te hebben genomen van het vonnis en meer tijd nodig te hebben vanwege praktische en technische onzekerheden. De kantonrechter stelde vast dat eiser een spoedeisend belang heeft omdat gedaagde onvoldoende voortvarend optreedt en dat het belang van eiser om in de koude periode een werkende verwarming te krijgen zwaarder weegt dan het belang van gedaagde.
De kantonrechter legde een termijn van 7 dagen op voor uitvoering van het vonnis van 4 februari 2026 en stelde een dwangsom van €150 per dag met een maximum van €15.000,- in. De gevorderde vergoeding voor hotelovernachtingen werd afgewezen omdat de noodzaak daarvoor niet vaststaat en eiser zijn schadeverplichtingen niet heeft beperkt. De proceskosten werden aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot reparatie of vervanging van de verwarmingsinstallatie binnen 7 dagen met een dwangsom van €150 per dag bij niet-nakoming, en de vergoeding voor hotelovernachtingen wordt afgewezen.