Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3382

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
12095196 VV EXPL 26-82
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 611a lid 1 RvArt. 611 lid 3 RvArt. 6:101 BWArt. 237 RvArt. 258 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing dwangsom wegens niet-nakoming reparatie verwarmingsinstallatie in huurwoning

Op 5 januari 2026 viel de verwarmingsinstallatie uit in de huurwoning van eiser. Ondanks meerdere meldingen en een eerder vonnis van 4 februari 2026 waarin gedaagde werd veroordeeld tot reparatie of vervanging, bleef gedaagde nalatig. Eiser startte daarom een tweede kort geding met eis tot oplegging van een dwangsom en vergoeding hotelovernachting.

Gedaagde betwistte de eis en gaf aan pas recent kennis te hebben genomen van het vonnis en meer tijd nodig te hebben vanwege praktische en technische onzekerheden. De kantonrechter stelde vast dat eiser een spoedeisend belang heeft omdat gedaagde onvoldoende voortvarend optreedt en dat het belang van eiser om in de koude periode een werkende verwarming te krijgen zwaarder weegt dan het belang van gedaagde.

De kantonrechter legde een termijn van 7 dagen op voor uitvoering van het vonnis van 4 februari 2026 en stelde een dwangsom van €150 per dag met een maximum van €15.000,- in. De gevorderde vergoeding voor hotelovernachtingen werd afgewezen omdat de noodzaak daarvoor niet vaststaat en eiser zijn schadeverplichtingen niet heeft beperkt. De proceskosten werden aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot reparatie of vervanging van de verwarmingsinstallatie binnen 7 dagen met een dwangsom van €150 per dag bij niet-nakoming, en de vergoeding voor hotelovernachtingen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12095196 VV EXPL 26-82
datum uitspraak: 18 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
die zelf procedeert,
tegen
[gedaagde],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [persoon B] .
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 13 februari 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 16 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiser] , in het bijzijn van zijn vader [persoon A] , en met [persoon B] (hoofd administratie) voor [gedaagde] .

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Op 5 januari 2026 is de verwarmingsinstallatie uitgevallen in de woning die [eiser] huurt van [gedaagde] . [eiser] heeft dit in januari gemeld aan [gedaagde] maar reparatie of vervanging is uitgebleven ondanks dat hij hierop meermaals aangedrongen heeft. Om deze reden is [eiser] al eerder een kort geding procedure gestart, waarin op dinsdag 4 februari 2026 vonnis [1] gewezen is. [gedaagde] is veroordeeld om de installatie te repareren of te vervangen. Op 6 februari heeft [eiser] [gedaagde] ervan op de hoogte gesteld dat vonnis gewezen is en gevraagd naar de inzet van een installateur. Een dag later heeft hij het vonnis gemaild naar [gedaagde] . Op maandag 9 februari heeft [eiser] aan [gedaagde] gevraagd of al iets bekend is omdat hij nog steeds in de kou zit. De dag daarop heeft [eiser] het vonnis nogmaals gemaild aan [gedaagde] en gevraagd iets te laten weten, omdat hij zich anders genoodzaakt ziet een tweede kort geding procedure te starten. Een reactie hierop is uitgebleven, ook op donderdag 12 en vrijdag 13 februari toen [eiser] weer gemaild heeft naar [gedaagde] . Daarom is [eiser] opnieuw overgegaan tot dagvaarding van [gedaagde] in kort geding. [eiser] eist nu, zo de kantonrechter begrijpt, om [gedaagde] te veroordelen:
de verwarming in zijn woning aan de [adres] te Rotterdam te repareren of te vervangen binnen 48 uur, met een dwangsom van € 150,- per dag;
tot betaling van € 70,- per nacht aan hotelkosten.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Zij is het ook niet eens met het eerdere kort geding vonnis en overweegt daartegen in hoger beroep te gaan. [gedaagde] voert aan pas recentelijk kennis te hebben genomen van het vonnis en dat het niet lukt om binnen 48 uur een installateur te regelen. Daarvoor is meer tijd nodig, mede in verband met de voorjaarsvakantie. Haar vaste installateur heeft te kennen gegeven nu geen tijd te hebben. Daarnaast is nog onduidelijk of de verwarmingsinstallatie, als die vervangen moet worden, geplaatst kan worden op de plek waar de moederhaard zich thans bevindt of ergens anders in de woning, en aangesloten kan worden op de radiatoren. Misschien dient bij vervanging ook een rookgasafvoer te worden aangelegd, waarvoor toestemming van de VvE nodig is. [gedaagde] is het ook niet eens met de geëiste vergoeding voor hotelovernachting en wijst erop dat in de eerdere kort geding procedure die eis afgewezen is.
Wat oordeelt de kantonrechter?
Spoedeisend belang
2.3.
Vooropgesteld wordt dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn eis, zodat hij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten, want gelet op het door hem gestelde treedt [gedaagde] niet voortvarend op om het probleem van een niet werkende verwarmingsinstallatie in zijn woning op te lossen. In het eerder gewezen vonnis is hiervoor geen termijn gesteld en hieraan ook geen dwangsom verbonden als stok achter de deur. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
Toewijzing termijn voor reparatie / vervanging verwarmingsinstallatie en dwangsom
2.4.
De eis wordt toegewezen zoals hierna vermeld. Uitgangspunt is het vonnis van 4 februari 2026, op grond waarvan [gedaagde] verplicht is de verwarmingsinstallatie te repareren of te vervangen. Of [gedaagde] in hoger beroep gaat doet er niet toe. Dat in dat vonnis geen termijn is bepaald, doet aan die verplichting ook niet af. Weliswaar is sindsdien weinig tijd verstreken om uitvoering te kunnen geven aan de veroordeling in het vonnis, maar dat neemt niet weg dat [gedaagde] al vanaf begin januari 2026 weet van het probleem. Er is dus al de nodige tijd gepasseerd waarbinnen [gedaagde] dit had kunnen en moeten oplossen. Ter zitting is gebleken dat nog steeds geen installateur ingeschakeld is. Omdat [eiser] in de kou zit en hierdoor huurgenot derft, maar [gedaagde] weinig voortvarend optreedt, is het nodig om in te grijpen. Daarbij is van betekenis dat het belang van [eiser] om te bespoedigen dat hij een werkende verwarming krijgt in zijn woning in deze koude periode zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om dat niet spoedig te hoeven realiseren. [eiser] heeft dus voldoende belang bij het verkrijgen van een stok achter de deur in de vorm van een dwangsom. [2] Wel wordt hiervoor een wat langere termijn gegeven dan de geëiste 48 uur. [gedaagde] wordt een termijn gesteld van 7 dagen om alsnog uitvoering te geven aan de veroordeling en een dwangsom opgelegd van € 150,- per dag voor iedere dag dat zij niet hieraan voldoet na het verstrijken van de termijn. De dwangsom wordt gemaximeerd op € 15.000,-.
2.5.
De kantonrechter wijst [eiser] erop dat de dwangsom pas kan worden verbeurd na de betekening door de deurwaarder van dit vonnis aan [gedaagde] [3] .
Afwijzing vergoeding hotelovernachting
2.6.
In het vorige kort geding vonnis is aan [eiser] geen vergoeding toegekend voor alternatieve woonruimte. In het onderhavige kort geding ziet de kantonrechter geen reden om daarover anders te oordelen voor wat betreft de geëiste vergoeding van € 70,- per hotelovernachting. Het gaat bij deze vordering in feite om schadevergoeding. Een schadevergoeding kan alleen in kort geding worden toegewezen als de schade vast staat. Dat is hier niet het geval, omdat de noodzaak om vanwege het gebrek aan de verwarming te moeten uitwijken naar een hotel niet vast staat en [eiser] zijn heil ook nog niet heeft gezocht in een hotel. Bovendien rust op [eiser] een verplichting om zijn schade te beperken, [4] bijvoorbeeld door in plaats van hotelovernachtingen te kiezen voor verwarming door een elektrische kachel. Dat alles maakt dat niet aannemelijk is dat schadevergoeding voor eventuele hotelovernachtingen in een gewone procedure zal worden toegewezen.
Proceskosten
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt [5] . De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 155,67 aan dagvaardingskosten, € 93,- aan griffierecht, en € 50,- aan onkostenvergoeding. Dat is in totaal € 298,67. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaard [6] , omdat het nodig is dat het vonnis ook ten uitvoer kan worden gelegd als [gedaagde] besluit hoger beroep in te stellen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een dwangsom van
€ 150,- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] geen uitvoering verleent aan de veroordeling opgenomen in het vonnis van de kantonrechter van 4 februari 2026 in de zaak met nummer 12069256 VV EXPL 26-42 na het verstrijken van een termijn van 7 dagen na betekening van dit vonnis, met een maximum van € 15.000,-;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 298,67;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Zaaknummer: 12069256 VV EXPL 26-42
2.Artikel 611a lid 1 Rv.
3.Artikel 611 lid 3 Rv Pro
4.Artikel 6:101 BW Pro
5.Artikel 237 Rv Pro
6.Artikel 258 Rv Pro