Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3381

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
11643660 CV EXPL 25-9130
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:271 lid 3 BWArt. 7:271 lid 5 BWArt. 7:274 BWArt. 7:272 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik en toewijzing diverse gebruiksrechten huurder

Verhuurders [verhuurder 1] en [verhuurder 2] vorderen ontbinding van de huurovereenkomst met huurder wegens dringend eigen gebruik en ontruiming van de woning. Huurder vordert onder meer ongestoord gebruik van buitenruimten, huurprijsvermindering, plaatsing van afscheiding en HR++ glas, opzegging internetabonnement, vergoeding misgelopen subsidie en betaling buitengerechtelijke kosten.

De rechtbank oordeelt dat de ontbinding niet kan worden toegewezen omdat onvoldoende is gebleken van een tekortkoming door huurder en de woonbehoefte van verhuurders geen tekortkoming oplevert. Ook is de huurovereenkomst onbepaalde tijd en is de opzegging wegens dringend eigen gebruik niet geaccepteerd door huurder.

De rechtbank wijst diverse vorderingen van huurder deels toe: het grasveld grenst tot het gehuurde, verhuurders moeten ongestoord huurgenot van de tuin garanderen, parkeergelegenheid op de inrit mogelijk maken, recht van overpad voor afvalcontainer verlenen, houten palen langs het pad verwijderen en het internetabonnement opzeggen. De eis tot huurprijsvermindering en vervanging van glas wordt afgewezen. Verhuurders worden veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Uitkomst: De ontbinding van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik wordt afgewezen en diverse gebruiksrechten van huurder worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11643660 CV EXPL 25-9130
datum uitspraak: 27 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van

1..[verhuurder 1] ,

2. [verhuurder 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
gemachtigde: mr. R.S. Ganeshie,
tegen
[huurder],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. R.D. van der Woude.
De partijen worden hierna ‘ [verhuurder 1] ’, ‘ [verhuurder 2] ’ en ‘ [huurder] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 28 maart 2025, met bijlagen;
  • het antwoord en de eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
  • de akte wijziging / vermeerdering van eis in reconventie, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van [verhuurder 1] en [verhuurder 2] .
1.2.
Op 5 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [verhuurder 1] en [verhuurder 2] , met [huurder] en met de gemachtigden.

2.De beoordeling

Kern van de zaak
2.1.
[verhuurder 1] en [verhuurder 2] eisen ontbinding van de huurovereenkomst met [huurder] wegens dringend eigen gebruik, met veroordeling van [huurder] tot ontruiming van de door haar gehuurde woning. [huurder] eist samengevat het ongestoorde en onbelemmerde gebruik van (buitenruimten bij) het gehuurde door haarzelf en haar bezoekers en dienstverleners, huurprijsvermindering, plaatsing van een afscheiding en HR++ glas, opzegging van een internetabonnement op haar adres, betaling van een bedrag aan misgelopen subsidie en betaling van buitengerechtelijke kosten. De eis van [verhuurder 1] en [verhuurder 2] wordt afgewezen. De eisen van [huurder] worden deels toe- en deels afgewezen.
Vaststaande feiten
2.2.
[verhuurder 1] en [verhuurder 2] zijn de eigenaren van een boerderij met bijgebouwen, erf en omliggende grond gelegen aan de [adres 1] in [woonplaats] . De boerderij heeft twee woongedeelten: het oorspronkelijke voorhuis (nummer [huisnummer X] ) en een tot woning omgebouwde wagenschuur aan de achterzijde, waar [verhuurder 1] en [verhuurder 2] naar eigen zeggen wonen met hun meerderjarige zoon en dochter. [verhuurder 1] heeft ter plaatse zijn eigen bedrijf, waarin ook zijn zoon werkzaam is. Sinds 1 augustus 2016 verhuren [verhuurder 1] en [verhuurder 2] het voorhuis aan [huurder] . Aanvankelijk is dat gebeurd op basis van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd, maar inmiddels is sprake van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Bij brief van 25 augustus 2021 hebben [verhuurder 1] en [verhuurder 2] de huurovereenkomst opgezegd per 30 september 2022, wegens dringend eigen gebruik, maar [huurder] heeft daarmee niet ingestemd.
Eis [verhuurder 1] en [verhuurder 2] en tegeneis [huurder]
2.3.
[verhuurder 1] en [verhuurder 2] eisen nu - verkort weergegeven - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de huurovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:274 lid 1 sub c BW Pro wegens dringend eigen gebruik;
[huurder] te veroordelen tot ontruiming van de woning, met een dwangsom;
hen te machtigen een (door de kantonrechter te bepalen) redelijke verhuiskostenvergoeding te betalen aan [huurder] ;
[huurder] te veroordelen in de proceskosten, met de wettelijke rente hierover.
2.4.
[huurder] is het hiermee niet eens en eist op haar beurt - verkort weergegeven - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
met betrekking tot het grasveld/de tuin grenzend aan het terras voor het gehuurde
voor recht te verklaren dat het grasveld grenzend aan het terras voor het gehuurde onderdeel uitmaakt van het gehuurde;
[verhuurder 1] en [verhuurder 2] te gebieden aan haar met onmiddellijke ingang het ongestoord huurgenot te leveren van het grasveld/de tuin, met een dwangsom;
[verhuurder 1] en [verhuurder 2] te veroordelen tot het betalen van een huurprijsvermindering van 15% per maand, met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2021 tot aan de dag dat [huurder] weer ongestoord gebruik kan maken van het grasveld/de tuin, met de wettelijke rente hierover;
met betrekking tot parkeergelegenheid bij het gehuurde
4. primair [verhuurder 1] en [verhuurder 2] te gebieden het voor [huurder] en haar bezoekers weer mogelijk te maken om gebruik te maken van één parkeerplaats op het terrein naast het gehuurde aan de rechterzijde van de bijkeuken en hen toe te staan om met de auto over het erf van [verhuurder 1] en [verhuurder 2] aan de Langeweg te rijden om deze parkeerplaats te kunnen bereiken en verlaten, en objecten die de toegang tot het parkeerterrein belemmeren te verwijderen, met een dwangsom;
subsidiair [verhuurder 1] en [verhuurder 2] te gebieden om met onmiddellijke ingang aan [huurder] of een bezoeker mogelijkheid te bieden om te parkeren op het perceel aan de zijde van de [adres 1] en daarvoor een locatie aan te wijzen die veilig kan worden gebruikt, met een dwangsom;
met betrekking tot het aan de Langeweg plaatsen van de afvalcontainer(s)
5. [verhuurder 1] en [verhuurder 2] te gebieden om op de ophaaldagen van het huisvuil aan [huurder] recht van overpad op het erf van [verhuurder 1] en [verhuurder 2] te verlenen om afvalcontainer(s) aan de Langeweg te plaatsen en op te halen, met een dwangsom;
met betrekking tot het pad naar het gehuurde
6. [verhuurder 1] en [verhuurder 2] te gebieden om de houten palen langs het pad naar het gehuurde en bloembakken bij het schuurtje te verwijderen en verwijderd te houden alsmede het plaatsen van andere voorwerpen en materialen achterwege te laten waardoor het berijden van het pad met een fiets met aanhanger/hondenkar wordt belemmerd/bemoeilijkt, met een dwangsom;
7. [verhuurder 1] en [verhuurder 2] te veroordelen om een afscheiding te plaatsen langs het toegangspad naar het gehuurde om te bewerkstelligen dat een hond van [verhuurder 1] en [verhuurder 2] en/of hun familieleden vanaf hun perceel het pad naar het gehuurde en de tuin of het terras niet meer kan betreden, met een dwangsom;
met betrekking tot de ramen en deuren in de buitengevels van het gehuurde
8. [verhuurder 1] en [verhuurder 2] te veroordelen het glas in de ramen en deuren in de buitengevel van het gehuurde te (laten) vervangen door dubbel HR++ glas, met een dwangsom;
met betrekking tot de misgelopen subsidie Tegemoetkoming Blokaansluiting Elektra
9. [verhuurder 1] en [verhuurder 2] te veroordelen aan [huurder] te betalen haar aandeel in de misgelopen tegemoetkoming elektra van € 731,13 en € 183,92, waarbij [verhuurder 1] en [verhuurder 2] de berekening van het aandeel van [huurder] deugdelijk dienen te onderbouwen, met de wettelijke rente hierover;
met betrekking tot de internetaansluiting/internetabonnement
10. [verhuurder 1] en [verhuurder 2] te gebieden op rechtsgeldige wijze het internetabonnement bij Delta voor de aansluiting op het adres [adres 2] te [woonplaats] op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van een maand, onder gelijktijdige toezending van een kopie van de opzegbrief aan [huurder] , met een dwangsom;
met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten
11. [verhuurder 1] en [verhuurder 2] te veroordelen tot betaling aan [huurder] van € 750,-, met de wettelijke
rente hierover;
met betrekking tot de proceskosten
12. [verhuurder 1] en [verhuurder 2] te veroordelen in de proceskosten in reconventie, met de wettelijke rente hierover.
2.5.
[verhuurder 1] en [verhuurder 2] zijn het hiermee niet eens.
Beoordeling kantonrechter
In conventie
Geen ontbinding huurovereenkomst
2.6.
De eis tot ontbinding van de huurovereenkomst wordt afgewezen. Om hiertoe over te kunnen overgaan moet sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit de huurovereenkomst en beoordeeld worden of die tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden.
2.7.
Gesteld is dat [huurder] haar onderhoudsverplichtingen niet nakomt wat betreft regulier onderhoud en herstel van kleine gebreken en ook geen toegang verschaft voor inspectie van de staat van de woning waardoor onderhoudsgebreken niet (direct) zichtbaar zijn met (mogelijke) schade tot gevolg. Dit verwijt staat niet vast, want [huurder] betwist het. Om welk onderhoud en schade het zou gaan en welke verzoeken tot inspectie zijn gedaan, is niet geconcretiseerd. [verhuurder 1] en [verhuurder 2] hebben daarnaast bevestigd dat zij geen verzoeken hebben gedaan tot herstel van kleine gebreken. [huurder] weerspreekt overigens ook dat zij geen toegang verleent tot haar woning en geeft te kennen dat wel te doen als het nodig is. [huurder] wil wel graag voorafgaand overleg hierover, omdat zij wil dat er iemand bij aanwezig is door eerdere vervelende ervaringen in een één op één situatie met [verhuurder 1] of [verhuurder 2] . Die wens is niet onredelijk en zullen [verhuurder 1] en [verhuurder 2] doorgaans hebben te respecteren, tenzij er sprake is van noodsituaties/-reparaties. In dat geval zal [huurder] [verhuurder 1] , [verhuurder 2] en/of door hen ingeschakelde derden toch meteen toegang tot de woning moeten verschaffen. Hoe dan ook is onvoldoende gebleken dat [huurder] hierin in het verleden is tekortgeschoten, zodat dit geen basis is om tot ontbinding van de huurovereenkomst over te gaan.
2.8.
De eis is daarnaast gebaseerd op de stelling van [verhuurder 1] en [verhuurder 2] dat zij de woning nodig hebben voor dringend eigen gebruik vanwege woonbehoefte van henzelf en hun kinderen en partners. Het achterhuis biedt onvoldoende ruimte en privacy om aan die woonbehoefte van zes volwassenen te voldoen. De wens om het voorhuis te kunnen gebruiken voor henzelf dan wel (een van) hun kinderen en partners is begrijpelijk, maar dit levert geen tekortkoming op aan de zijde van [huurder] .
2.9.
Dringend eigen gebruik kan reden zijn om een huurovereenkomst op te zeggen [1] , wat [verhuurder 1] en [verhuurder 2] bij brief van 25 augustus 2021 al hebben gedaan. Omdat [huurder] toen hiermee niet heeft ingestemd, is de huurovereenkomst van kracht gebleven. Dit had voor [verhuurder 1] en [verhuurder 2] reden kunnen zijn te eisen dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen [2] , maar dat hebben zij niet gedaan. Ook de huidige eis is zo niet ingestoken, want zoals vermeld is ontbinding van de huurovereenkomst geëist.
2.10.
Ook de stelling dat de verstandhouding tussen partijen inmiddels ernstig verstoord is geraakt, kan niet tot ontbinding leiden. De oorzaak daarvan ligt niet zozeer in een tekortkoming aan de zijde van [huurder] wat betreft het gebruik van het voorhuis dan wel het niet zijn van een goed huurder, maar – zo schat de kantonrechter in – in haar verlangen de woning te blijven bewonen als huurder. Een ernstig verstoorde (huur)verhouding vormt op zichzelf – zonder tekortkoming – geen grond voor ontbinding van de huurovereenkomst.
Geen ontruiming gehuurde en verhuiskostenvergoeding
2.11.
Gelet op het voorgaande is er geen grond om [huurder] te veroordelen tot ontruiming van de door haar gehuurde woning en evenmin om een verhuiskostenvergoeding vast te stellen die haar betaald zou kunnen worden.
Proceskosten
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [verhuurder 1] en [verhuurder 2] , omdat zij ongelijk krijgen [3] . De kantonrechter begroot de kosten die [verhuurder 1] en [verhuurder 2] aan [huurder] moeten betalen op € 576,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 288,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 720,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
Deze veroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard [4] , omdat [huurder] dat eist en [verhuurder 1] en [verhuurder 2] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt. Dat betekent dat de veroordeling meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
In reconventie
met betrekking tot het grasveld/de tuin grenzend aan het terras voor het gehuurde
2.14.
De geëiste verklaring voor recht, dat het grasveld/de tuin grenzend aan het terras voor het gehuurde onderdeel uitmaakt van het gehuurde, wordt gegeven. De reden is dat [huurder] onderbouwd gesteld heeft dat de door haar gehuurde woning in 2016 aangeboden is met een tuin erbij. Dat is onvoldoende gemotiveerd weersproken. Uit de overgelegde brochure van de verhuurmakelaar [5] alsmede de bespreking tijdens de zitting komt naar voren dat het gaat om het stuk tuin gelegen aan de voor- en linkerzijde van het voorhuis (gezien vanaf de Rijksstraatweg) grenzend aan het verharde erf tot aan de badkamer in het gehuurde. Niet weersproken is dat [huurder] (dit gedeelte van) de tuin jaren (tot eind 2020) heeft gebruikt.
2.15.
Dit brengt met zich dat ook wordt toegewezen de eis om [verhuurder 1] en [verhuurder 2] te gebieden aan [huurder] met onmiddellijke ingang het ongestoord huurgenot te leveren van het grasveld/de tuin. Dat betekent ook dat het onderhoud van de tuin in beginsel op de weg van [huurder] ligt en dat zij toestemming moet verlenen als [verhuurder 1] en [verhuurder 2] dat willen doen, zoals het maaien van het gras. Anders dan gevorderd, wordt hieraan geen dwangsom verbonden.
2.16.
In het voorgaande ziet de kantonrechter echter geen reden om de huurprijs te verminderen met 15% per maand, met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2021. [verhuurder 1] en [verhuurder 2] hebben het gebruik van de tuin (en het uitzicht daarop) niet feitelijk belemmerd. Het kan zo zijn dat [verhuurder 1] en [verhuurder 2] op een zeker moment tegen [huurder] gezegd hebben dat zij de tuin niet langer mocht gebruiken, maar [huurder] heeft onvoldoende geconcretiseerd in hoeverre haar huurgenot daadwerkelijk is verminderd en waarom dat een dergelijke huurprijsvermindering rechtvaardigt.
met betrekking tot parkeergelegenheid bij het gehuurde
2.17.
Deze eis wordt in zoverre toegewezen dat de kantonrechter [verhuurder 1] en [verhuurder 2] zal gebieden het voor [huurder] en haar bezoekers, onder wie leveranciers/bezorgers, mogelijk te maken om te parkeren op de (oude) inrit aan de zijde van de [adres 1] te [woonplaats] . Dat betekent dat [verhuurder 1] en [verhuurder 2] de grote stenen bloembak die nu op die inrit is geplaatst, dienen te verwijderen dan wel te verplaatsen in de richting van het bestaande hek, gelegen tussen de Rijksstraatweg en het voor- en achterhuis, op een zodanige afstand dat dit hek nog net geopend kan worden. [verhuurder 1] en [verhuurder 2] dienen dit te doen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag dat dit achterwege blijft na het verstrijken van deze termijn. De dwangsom wordt gemaximeerd op € 10.000,-.
2.18.
Dat [verhuurder 1] en [verhuurder 2] dit mogelijk moeten maken is niet met zoveel woorden neergelegd in de huurovereenkomst, maar die overeenkomst impliceert wel dat [huurder] en haar bezoekers het door haar gehuurde op een veilige manier moeten kunnen bereiken en verlaten. [verhuurder 1] en [verhuurder 2] hebben ter zitting erkend dat [huurder] recht van overpad heeft via deze officiële ingang aan de Rijksstraatweg. In het verleden is de inrit ook gebruikt om met auto’s bij de boerderij te kunnen komen. Niet bestreden is dat ter plaatse op de Rijksstraatweg niet geparkeerd kan worden. Uit het verweer van [verhuurder 1] en [verhuurder 2] dat er al een auto geparkeerd kan worden op deze inrit zonder op de openbare weg te staan, volgt dat er op zich geen bezwaar is om daar een auto te parkeren. Dat wordt blijkens de door [huurder] in het geding gebrachte foto’s echter bemoeilijkt door de grote stenen bloembak, die nu op de inrit is geplaatst. Door die een stuk te verplaatsen richting het hek ontstaat een betere gelegenheid om te parkeren, zodat dan bijvoorbeeld ook een bezorger met een bestelbus ter plaatse veilig kan parkeren. Ook biedt het parkeergelegenheid als [huurder] meerdere bezoekers heeft die met de auto komen. De inbreuk op het eigendomsrecht van [verhuurder 1] en [verhuurder 2] is hierdoor gering en van overlast zal voor hen nauwelijks sprake zijn.
2.19.
Daar staat tegenover dat het [huurder] of haar bezoekers niet mogelijk wordt gemaakt om via de later gecreëerde inrit aan de Langeweg, voorbij het achterhuis, te kunnen parkeren op het verharde deel van het erf gelegen naast het grasveld. Niet weersproken is dat dat erf geen deel uitmaakt van de gehuurde en uit het voorgaande volgt dat er een voor [verhuurder 1] en [verhuurder 2] (en [huurder] en haar bezoekers) minder belastende wijze is waarop het voorhuis kan worden bereikt en ter plaatse kan worden geparkeerd.
met betrekking tot het aan de Langeweg plaatsen van de afvalcontainer(s)
2.20.
Deze eis wordt in toegewezen, zodat de kantonrechter [verhuurder 1] en [verhuurder 2] zal gebieden op de ophaaldagen van het huisvuil aan [huurder] recht van overpad te verlenen om over het erf van [verhuurder 1] en [verhuurder 2] te komen en te gaan voor het aan de Langeweg plaatsen van de afvalcontainer(s) en het terugrijden hiervan. [verhuurder 1] en [verhuurder 2] hebben te kennen gegeven hier geen bezwaar tegen te hebben, onder de voorwaarde dat [huurder] de afvalbak na het legen ook weer terughaalt op die dagen. Daarom wordt hieraan geen dwangsom verbonden.
met betrekking tot het pad naar het gehuurde
2.21.
Deze eis wordt in zoverre toegewezen, dat de kantonrechter [verhuurder 1] en [verhuurder 2] zal gebieden om de houten palen langs het pad naar het gehuurde te verwijderen en verwijderd te houden. Ter zitting is aangevoerd dat de palen er niet meer staan en dat [huurder] sindsdien weer met haar fiets over het gras gaat. Dat die palen met een draad ertussen inmiddels verwijderd zijn, heeft [huurder] weersproken. Daarom wordt de eis toegewezen, ook gelet op de reactie van [verhuurder 1] en [verhuurder 2] die erop duidt dat met het plaatsen van de palen met draad beoogd is om het gebruik van het pad met een fiets met aanhanger/hondenkar te belemmeren. Dat dit nodig is om het gras te beschermen is niet aannemelijk, want gras heeft weinig te lijden van het af en toe er even over lopen of fietsen.
2.22
De bloembakken kunnen blijven hangen, want gelet op de foto’s die [huurder] in het geding heeft gebracht vormen die niet echt een belemmering voor gebruik van het pad naar het gehuurde, ook niet met een fiets aan de hand. Hierbij wordt ook rekening gehouden met toewijzing van de eis tot verwijdering van de genoemde palen met draad.
2.23.
[verhuurder 1] en [verhuurder 2] worden niet veroordeeld om een muurtje of andere vorm van afscheiding te plaatsen langs het pad naar het gehuurde. Dit is een te vergaande eis, omdat het pad is gelegen op het erf van (het achterhuis van) [verhuurder 1] en [verhuurder 2] en niet behoort tot het gehuurde. Bovendien wordt daarmee niet bewerkstelligd dat de hond van [verhuurder 1] en [verhuurder 2] niet meer haar tuin in kan. De tuin is namelijk ook toegankelijk aan de andere kant. Als [huurder] (zelf hondenliefhebber) daadwerkelijk last heeft van de hond, zijn er meer adequate en voor [verhuurder 1] en [verhuurder 2] minder bezwarende oplossingen te bedenken om ervoor te zorgen dat [huurder] niet in haar woongenot wordt beperkt.
met betrekking tot de ramen en deuren in de buitengevels van het gehuurde
2.24.
[verhuurder 1] en [verhuurder 2] worden niet veroordeeld om het glas in de ramen en deuren in de buitengevel van het gehuurde te (laten) vervangen door dubbel HR++ glas, omdat de noodzaak daartoe betwist is. Dat betekent dat de noodzaak niet vast staat. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat [huurder] bereid is tot het betalen van een huurverhoging die in redelijke verhouding staat tot de kosten die hiermee gemoeid zijn.
met betrekking tot de subsidie Tegemoetkoming Blokaansluiting Elektra
2.25.
[verhuurder 1] en [verhuurder 2] worden niet veroordeeld om aan [huurder] te betalen de bedragen waarop zij misschien aanspraak zou hebben gehad op basis van de Tijdelijke subsidieregeling tegemoetkoming blokaansluitingen. In dit verband is van belang dat niet gesteld of gebleken is dat [verhuurder 1] en [verhuurder 2] verplicht zijn geweest de bedoelde tegemoetkoming aan te vragen en evenmin op grond waarvan zij bij het achterwege laten daarvan tegenover [huurder] schadeplichtig zouden zijn.
met betrekking tot de internetaansluiting/internetabonnement
2.26.
Vast is komen te staan dat er een internetcontract voor het gehuurde van [huurder] is afgesloten en dat [huurder] de internetverbinding sinds de komst van een eigen glasvezelkabel niet langer meer met [verhuurder 1] en [verhuurder 2] hoeft te delen. Nu [huurder] er belang bij heeft om een eigen contract te sluiten, zal de kantonrechter [verhuurder 1] en [verhuurder 2] gebieden op rechtsgeldige wijze het internetabonnement bij Delta voor de aansluiting op het adres [adres 2] in [woonplaats] op te zeggen, onder gelijktijdige toezending van een kopie van de opzegbrief aan [huurder] . [verhuurder 1] en [verhuurder 2] hebben te kennen gegeven hier geen bezwaar tegen te hebben. Daarom wordt hieraan geen dwangsom verbonden.
met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten
2.27.
[verhuurder 1] en [verhuurder 2] worden veroordeeld tot betaling aan [huurder] van een vergoeding aan buitengerechtelijke kosten, omdat gebleken is dat [huurder] deze kosten heeft gemaakt en aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen [6] . Omdat de eisen van [huurder] van onbepaalde waarde zijn, wordt de hoogte van de vergoeding bepaald op
€ 462,50. De rente hierover gaat lopen vanaf de eis in reconventie oftewel 29 oktober 2025.
Proceskosten
2.28.
Omdat partijen over en weer in het ongelijk worden, dient ieder van hen de eigen proceskosten in reconventie te dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
3.1.
wijst de eisen af;
3.2.
veroordeelt [verhuurder 1] en [verhuurder 2] in de proceskosten, die aan de kant van [huurder] worden begroot op € 720,-;
3.3.
verklaart dit uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
3.4.
verklaart voor recht, dat het grasveld grenzend aan het terras voor het gehuurde onderdeel uitmaakt van het gehuurde;
3.5.
gebiedt [verhuurder 1] en [verhuurder 2] aan [huurder] met onmiddellijke ingang het ongestoorde huurgenot te leveren van het grasveld/de tuin;
3.6.
gebiedt [verhuurder 1] en [verhuurder 2] het voor [huurder] en haar bezoekers mogelijk te maken om te parkeren op de inrit aan de zijde van de [adres 1] te [woonplaats] , door de grote stenen bloembak die nu op die inrit is geplaatst, te verwijderen of te verplaatsen in de richting van het bestaande hek, gelegen tussen de Rijksstraatweg en het voorhuis, op zodanige wijze dat dit hek nog net geopend kan worden, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag dat dit achterwege blijft na het verstrijken van deze termijn, met een maximum van € 10.000,-;
3.7.
gebiedt [verhuurder 1] en [verhuurder 2] op de ophaaldagen van het huisvuil aan [huurder] recht van overpad te verlenen om over het erf van [verhuurder 1] en [verhuurder 2] te komen en te gaan voor het aan de Langeweg plaatsen van de afvalcontainer(s) en het terugrijden van de afvalcontainer(s) naar het gehuurde;
3.8.
gebiedt [verhuurder 1] en [verhuurder 2] de houten palen langs het pad naar het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te verwijderen en voortaan verwijderd te houden;
3.9.
gebiedt [verhuurder 1] en [verhuurder 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis op rechtsgeldige wijze het internetabonnement bij Delta voor de aansluiting op het adres [adres 2] te [woonplaats] op te zeggen, onder gelijktijdige toezending van een kopie van de opzegbrief aan [huurder] ;
3.10.
veroordeelt [verhuurder 1] en [verhuurder 2] om aan [huurder] te betalen € 462,50 aan buitengerechtelijke kosten, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro hierover vanaf 29 oktober 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.11.
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;
3.12.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Artikel 7:271 lid 3 en Pro 5 en artikel 7:274 BW Pro.
2.Artikel 7:272 BW Pro.
3.Artikel 237 Rv Pro.
4.Artikel 233 Rv Pro.
5.Zie bijlage 11 van [huurder] .
6.Artikel 6:96 BW Pro.