Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3342

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/4264
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PwArt. 5.3 Beleidsregels bijzondere bijstand 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning bijzondere bijstand voor dieetkosten voor specifieke dieetnummers

Eiser, die sinds 1996 een bijstandsuitkering ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor dieetkosten voor meerdere dieetnummers. Na een initiële toekenning voor dieetnummer 9 (FODMAP) en afwijzing voor dieetnummers 13 en 19, stelde eiser beroep in tegen de afwijzing. Het college baseerde zich op een medisch advies waarin werd gesteld dat medicatie voorliggend is op dieetbehandeling.

Eiser betwistte dit advies en stelde dat het onzorgvuldig en onduidelijk was, mede vanwege een onjuist bedrag en gebrek aan onderbouwing over de medische situatie. Na nader onderzoek en aanvullende toelichting van de medisch deskundige concludeerde het college dat bijzondere bijstand voor dieetnummers 13 en 19 alsnog toegekend kan worden voor de periode 1 november 2024 tot en met 31 oktober 2025.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen recht heeft op bijstand voor onbepaalde tijd, omdat de aanvraag niet zo was ingediend en verbetering van de medische situatie niet is uitgesloten. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit voor zover het dieetnummers 13 en 19 betreft, en bepaalde dat bijzondere bijstand wordt toegekend voor genoemde periode en bedragen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst bijzondere bijstand toe voor dieetnummers 13 en 19 voor de periode 1 november 2024 tot en met 31 oktober 2025 en veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4264

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Shaaban),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. D. Gogar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor dieetkosten ten aanzien van 2 dieetnummers. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het zich college in beroep alsnog op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag om bijzondere bijstand ten aanzien van de 2 dieetnummers moet worden toegewezen. De rechtbank volgt niet het standpunt van eiser dat de bijstand voor onbepaalde tijd moet worden toegekend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

3. Eiser ontvangt sinds 15 juli 1996 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Op 3 september 2024 heeft eiser een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor dieetkosten. Met het besluit van 29 oktober 2024 is aan eiser bijzondere bijstand verleend voor dieetkosten voor de periode van 1 september 2024 tot en met 31 augustus 2025 tot een bedrag van € 166,66 per maand.
4. Op 1 november 2024 heeft eiser opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd voor dieetkosten. Met het besluit van 13 november 2024 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat eiser volgens het college al bijzondere bijstand ontvangt voor hetgeen hij heeft aangevraagd.
5. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiser, waarin hij aanvoert dat hij met de huidige aanvraag om bijzondere bijstand aanspraak maakt op vergoeding voor dieetkosten voor drie andere diëten dan het dieet waarvoor met het besluit van 29 oktober 2024 een vergoeding door middel van de bijzondere bijstand is verstrekt, is door het college alsnog een medisch advies aangevraagd.
6. Met het bestreden besluit van 17 april 2025 heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard, bijzondere bijstand met betrekking tot het dieet met nummer 9 (FODMAP) toegekend over de periode van 1 november 2024 tot en met 31 oktober 2025 en bijzondere bijstand met betrekking tot de diëten met nummers 13 en 19 afgewezen. Aan de besluitvorming ligt het advies van 23 januari 2025 van de medisch deskundige van de afdeling Sociaal Medische Advisering van de Gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD) ten grondslag. Per e-mail van 10 februari 2025 heeft eiser bij de medisch deskundige aangegeven dat het toegekende bedrag van € 1.050,- voor het FODMAP-dieet onjuist is en dat het € 1.350,- moet zijn. Omdat bleek dat het bedrag van € 1.050,- inderdaad een verouderd bedrag was, is het bedrag door de medisch deskundige vervolgens gewijzigd naar € 1.350,- Met betrekking tot de twee andere aandoeningen heeft de medisch deskundige in zijn aanvullende toelichting van 25 maart 2025 overwogen dat medicatie voorliggend is op het gebruik van een dieet.
7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
8. Bij brief van 23 november 2025 heeft eiser een aanvulling op het beroep ingediend. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van de dieetkosten voor de aandoeningen hypercholesterolemie en insulineresistentie (nummers 13 en 19). Hij kan zich niet vinden in het oordeel van de medisch deskundige dat de behandeling met medicatie voorliggend is op het volgen van een dieet. Eiser betoogt dat sprake is van een onzorgvuldig tot stand gekomen medisch advies. Niet alleen is uitgegaan van een onjuist bedrag voor de toegekende dieetkosten, maar het advies is ook nog tegenstrijdig en onduidelijk. Volgens eiser ontbreekt in het advies van de medisch deskundige een onderbouwing van diens standpunt dat verbetering van de medische situatie van eiser niet uitgesloten is.
9. Bij brief van 2 december 2025 heeft het college een telefoonnotitie ingediend, waarin de medisch deskundige zijn standpunt dat een behandeling door de reguliere sector voorliggend is op een dieet, nader toelicht en aangeeft dat eiser geen brief heeft overgelegd van een huisarts die een dieet voorschrijft en daarmee de behandelingsfase (fysieke ingreep of medicatie) overslaat.
10. De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en zijn collega, mr. A. Hielkema.
11. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen een nadere onderbouwing in te dienen van de door de medisch deskundige ingenomen stelling, dat een behandeling door een huisarts voor gaat op een door een diëtist voorgeschreven dieet. Op 30 januari 2026 heeft het college de rechtbank geïnformeerd dat de medisch deskundige tot de conclusie is gekomen dat aan eiser alsnog bijzondere bijstand voor de dieetnummers 13 en 19 kan worden toegekend. Het gaat om de periode 1 november 2024 tot en met 31 oktober 2025. De toe te kennen bedragen zijn respectievelijk € 450,- en € 1.300,- en het college zal de procedure in gang zetten om de betalingen te verrichten. Eiser heeft desgevraagd in reactie daarop laten weten dat hiermee niet tegemoet is gekomen aan zijn beroep, omdat hij bijzondere bijstand heeft aangevraagd voor onbepaalde tijd.
12. Nu geen van de partijen heeft aangegeven een nadere zitting te willen, heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

De wet- en regelgeving en rechtspraak
13. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Pw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
14. Op grond van artikel 5.3, eerste lid, van de Beleidsregels bijzondere bijstand 2024 kan het college aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor dieetkosten indien belanghebbende om medische redenen is aangewezen op een bepaald dieet en de kosten van dat dieet meerkosten met zich meebrengen. Op grond van het tweede lid stelt het college het recht en de hoogte van de bijzondere bijstand vast op basis van een deskundigenadvies.
14. Een bijstandverlenende instantie mag zich bij zijn besluitvorming baseren op concrete adviezen van deskundige instellingen zoals de GGD. In dat kader moet de bijstandverlenende instantie zich er van vergewissen of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, of het geen onjuistheden bevat en of het deugdelijk is gemotiveerd.
Het oordeel van de rechtbank
16. Eisers betoog dat het college niet tegemoet is gekomen aan zijn aanvraag, omdat hij de aanvraag had ingediend voor onbepaalde tijd, slaagt niet. Eiser heeft verwezen naar de brief van 11 februari 2026 waarin de diëtiste stelt dat de diëten geïndiceerd zijn vanaf 9 oktober 2024 tot onbepaalde tijd. Ten behoeve van zijn aanvraag van 1 november 2024 heeft eiser echter een Dieetbevestiging overlegd van 9 oktober 2024, waarnaar hij ook in bezwaar heeft verwezen, waarin een dieet-ingangsdatum is aangegeven van 1 januari 2024 en een einddatum van 31 december 2024. Eiser heeft bij zijn aanvraag niet verzocht om toekenning voor onbepaalde tijd. Bovendien zou een toekenning voor onbepaalde tijd ook niet in overeenstemming zijn met het standpunt van de medisch deskundige dat verbetering van eisers medische situatie niet (volledig) is uitgesloten, welk standpunt de rechtbank volgt nu nergens uit blijkt dat er geen verbetering zou kunnen optreden.
17. Gelet op de brief van het college van 30 januari 2026 dat de arts tot de conclusie is gekomen dat aan eiser bijzondere bijstand kan worden toegekend voor de dieetnummers 13 en 19 voor de periode van 1 november 2024 tot en met 31 oktober 2025 en dat het college de procedure in gang zal zetten om de betalingen te verrichten, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van de bijzondere bijstand voor deze dieetnummers. De rechtbank zal bepalen dat bijzondere bijstand wordt verleend voor de dieetnummers 13 en 19 voor de periode van 1 november 2024 tot en met 31 oktober 2025. De toe te kennen bedragen zijn respectievelijk € 450,- en € 1.300,-. De rechtbank zal voorts bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is gegrond. Aan eiser wordt bijzondere bijstand toegekend voor de dieetnummers 13 en 19 voor de periode van 1 november 2024 tot en met 31 oktober 2025, voor een bedrag van respectievelijk € 450,- en € 1.300,-.
19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
20. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • Verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover de aanvraag om bijzondere bijstand voor de dieetnummers 13 en 19 is afgewezen;
  • bepaalt dat de aanvraag om bijzondere bijstand voor de dieetnummers 13 en 19 wordt toegewezen voor de periode van 1 november 2024 tot en met 31 oktober 2025, voor bedragen van respectievelijk € 450,- en € 1.300,-;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
  • bepaalt dat het college aan eiser het betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van
R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.