ECLI:NL:RBROT:2026:3318
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag voor meerdere jaren bevestigd
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de toeslagjaren 2006, 2008, 2012, 2014 tot en met 2016 en 2018 werd afgewezen. De rechtbank Rotterdam heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie heeft toegekend.
De rechtbank oordeelt dat de verrekeningen van terugvorderingen in de genoemde jaren niet leiden tot institutionele vooringenomenheid of een te harde toepassing van het wettelijk systeem. Voor de jaren 2008, 2014 en 2015 is vastgesteld dat de handelswijze van de Dienst Toeslagen niet onrechtmatig was en dat er geen compensatie toekomt. Ook de stelling dat artikel 19 van Pro de Awir een vervaltermijn inhoudt, wordt verworpen op basis van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verder is geoordeeld dat de forfaitaire immateriële schadevergoeding van € 500 per half jaar juist is vastgesteld en dat de rechtbank niet bevoegd is om hiervan af te wijken. Het verzoek van eiseres om haar persoonlijk dossier te ontvangen wordt afgewezen omdat de Dienst Toeslagen reeds alle relevante stukken heeft overgelegd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft en eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.