ECLI:NL:RBROT:2026:3318

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/1447
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.3 WhtArt. 2.6 WhtArt. 19 AwirArt. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag voor meerdere jaren bevestigd

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de toeslagjaren 2006, 2008, 2012, 2014 tot en met 2016 en 2018 werd afgewezen. De rechtbank Rotterdam heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie heeft toegekend.

De rechtbank oordeelt dat de verrekeningen van terugvorderingen in de genoemde jaren niet leiden tot institutionele vooringenomenheid of een te harde toepassing van het wettelijk systeem. Voor de jaren 2008, 2014 en 2015 is vastgesteld dat de handelswijze van de Dienst Toeslagen niet onrechtmatig was en dat er geen compensatie toekomt. Ook de stelling dat artikel 19 van Pro de Awir een vervaltermijn inhoudt, wordt verworpen op basis van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Verder is geoordeeld dat de forfaitaire immateriële schadevergoeding van € 500 per half jaar juist is vastgesteld en dat de rechtbank niet bevoegd is om hiervan af te wijken. Het verzoek van eiseres om haar persoonlijk dossier te ontvangen wordt afgewezen omdat de Dienst Toeslagen reeds alle relevante stukken heeft overgelegd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft en eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1447

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag voor verschillende toeslagjaren. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie heeft toegekend over de toeslagjaren 2006, 2008, 2012, 2014 tot en met 2016 en 2018. Het beroep is daarom ongegrond.

Procesverloop

2. Met het besluit van 14 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen beslist op het verzoek van eiseres om compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2020.
2.1.
Met het besluit van 22 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om een Opzet/Grove Schuld (O/GS)-tegemoetkoming op grond van de Wht toegekend.
2.2.
Met het besluit van 13 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 14 december 2022 en 22 maart 2023 gegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Totstandkoming van het besluit

3. Eiseres heeft twee kinderen, geboren op [geboortedatum 1] 2001 en [geboortedatum 2] 2009. Op 18 februari 2021 heeft zij een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2020.
3.1.
Met het besluit van 14 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres recht heeft op compensatie vanwege vooringenomenheid voor het jaar 2009, de maanden augustus tot en met december 2010, januari tot en met november 2011, januari tot en met mei 2013 en het jaar 2017. Met het besluit van 22 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming. Voor de overige jaren en maanden is compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid afgewezen. De totale compensatie voor eiseres is hiermee bepaald op € 80.286,-.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Eiseres heeft alsnog compensatie toegekend gekregen voor 2007 en het gehele jaar 2010. De compensatie voor 2009, de maanden januari tot en met mei 2013 en 2017 is hoger vastgesteld. De opzet/grove schuld-tegemoetkoming is lager vastgesteld. Het totale compensatiebedrag is hierdoor op € 99.467,- bepaald. Compensatie voor de overige jaren is afgewezen omdat sprake is van reguliere correcties.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiseres heeft beroepsgronden aangevoerd tegen de toeslagjaren 2005, 2006, 2008, 2014, 2015, 2016 en 2018. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over het toeslagjaar 2005 en heeft eiseres haar beroepsgrond ten aanzien van dat toeslagjaar ingetrokken. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie heeft toegekend over de jaren 2006, 2008, 2014, 2015 en 2018. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
Relevant wettelijk kader
5. Voor de beoordeling van het beroep van eiseres zijn de volgende regels van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag. [1] Verder kan de Dienst Toeslagen een O/GS-tegemoetkoming toekennen aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld. [2]
Heeft de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2006, 2008, 2012, 2014, 2015, 2016 en 2018?
6. De rechtbank zal per toeslagjaar de relevante beroepsgronden bespreken.
2006, 2016 en 2018
6.1.
Voor de jaren 2006, 2016 en 2018 heeft eiseres aangevoerd dat de Dienst Toeslagen in deze jaren vooringenomen heeft gehandeld door terugvorderingen uit andere jaren te verrekenen in 2006, 2016 en 2018. Hierdoor is eiseres in financiële problemen gekomen.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de verrekeningen in de toeslagjaren 2006, 2016 en 2018 niet kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen. Voor toeslagjaren ten aanzien waarvan de ouder niet als gedupeerde is aangemerkt, maar waarin wel verrekening van eerdere jaren heeft plaatsgevonden, is de verrekening op zichzelf onvoldoende om tot compensatie te kunnen leiden. [3] De hoogte van de compensatie is namelijk gekoppeld aan het bedrag dat niet is toegekend of teruggevorderd vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van kinderopvangtoeslag. [4] Als in een toeslagjaar alleen verrekening is toegepast van een eerder ontstane toeslagschuld, is in dat jaar geen sprake van een dergelijke beschikking.
6.3.
Ook uit de overige beschikkingen die zien op de toeslagjaren 2006, 2016 en 2018 kan niet de conclusie worden getrokken dat sprake is van institutionele vooringenomenheid of hardheid van de toepassing van het wettelijk systeem.
6.4.
In toeslagjaar 2006 zijn er vier beschikkingen gestuurd over de vaststelling van kinderopvangtoeslag. In één van die beschikkingen is het voorschot € 54,- lager vastgesteld dan het voorafgaande voorschot en later is dit bedrag alsnog hoger beschikt. Wel is voor een bedrag van € 890,- verrekend naar een terugvordering van het toeslagjaar 2005.
6.5.
In 2016 is er geen lagere vaststelling van kinderopvangtoeslag geweest en is het in eerste instantie uitgekeerde voorschot uiteindelijk definitief beschikt. Wel is het volledig toegekende bedrag van € 2.006,- verrekend met een terugvordering van toeslagjaar 2012.
6.6.
In 2018 heeft eveneens geen terugvordering plaatsgevonden op de vastgestelde kinderopvangtoeslag. Wel is in dit jaar een bedrag van € 2.431,- inclusief rente verrekend met een openstaande terugvordering van het toeslagjaar 2008.
6.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is er in de toeslagjaren 2006, 2016 en 2018 geen sprake geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van de toepassing van het wettelijk systeem. De geringe terugvordering van € 54,- in 2006 is te herleiden naar gegevens in het dossier en in 2016 en 2018 is er geen bedrag teruggevorderd.
2008
6.8.
Over het toeslagjaar 2008 is volgens eiseres een aanzienlijk bedrag teruggevorderd, dat is geïnd door verrekening van andere toeslagen. De handelswijze die de Dienst Toeslagen hierbij hanteerde, door te verrekenen zonder rekening te houden met de gevolgen voor betrokkenen moet tot de conclusie leiden dat er vooringenomen is gehandeld ten opzichte van eiseres voor de jaren waarin het bedrag is teruggevorderd door verrekeningen.
6.9.
De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar standpunt. Op 3 december 2007 is aan eiseres een voorschot toegekend van € 12.228,-. Op 27 mei 2008 is dit voorschot gewijzigd naar € 8.655,- omdat het aantal opvanguren is gewijzigd van 177 naar 98 uren per maand. Vervolgens is het voorschot drie keer hoger beschikt. Op 19 november 2010 en 28 maart 2011 is eiseres verzocht aanvullende gegevens aan te leveren over haar kinderopvang. Eiseres heeft een plaatsingsovereenkomst en een antwoordformulier overlegd. Vervolgens is op 10 juni 2011 definitief beschikt op een bedrag van € 1.373,-. Eiseres is tegen de definitieve beschikking in bezwaar gegaan en heeft in bezwaar jaaropgaven overgelegd, waarna de kinderopvangtoeslag op 20 september 2011 definitief is vastgesteld op € 4.660,-
6.10.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor omschreven handelswijze van de Dienst Toeslagen niet vooringenomen geweest en is er evenmin sprake van hardheid van de toepassing van het wettelijk systeem. Hoewel het gaat om een grote terugvordering is er geen sprake van vooringenomenheid of hardheid. De veranderingen in het recht op kinderopvangtoeslag zijn steeds het gevolg geweest van reguliere wijzigingen. Er is geen sprake van het zoeken naar een minste of geringste onregelmatigheid, zero tolerance-onderzoek, een brede uitvraag of het nalaten van het doen van een nadere uitvraag. [5] Er is gericht om specifieke gegevens gevraagd en eiseres heeft deze gegevens in eerste instantie niet overlegd waarna er werd beschikt op een lager bedrag. Nadat eiseres in bezwaar wel stukken heeft overlegd is de kinderopvangtoeslag conform de bekende gegevens beschikt. De stelling van eiseres dat er, omdat de terugvordering meer dan € 1.500,- bedraagt, sprake moet zijn van hardheid van het wettelijk systeem, volgt de rechtbank daarom ook niet.
2014 en 2015
6.11.
Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft vastgesteld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2014 en 2015. Zij geeft aan dat zij in die jaren weliswaar geen kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, maar dat ze dit nooit zelf heeft stopgezet.
6.12.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2014 en 2015. Uit het dossier volgt dat eiseres in 2013 kinderopvang heeft afgenomen in de periode van januari tot en met mei. In het portaal van de Dienst Toeslagen is op 3 december 2013 een melding geregistreerd waarin de toeslag per 1 januari 2014 is stopgezet. Naar aanleiding daarvan is op 27 december 2013 een voorschotbeschikking afgegeven, waarbij het voorschot voor 2014 is vastgesteld op € 0,-. In 2014 hebben geen wijzigingen plaatsgevonden. Voor 2015 is geen aanvraag voor kinderopvangtoeslag ingediend en is geen beschikking afgegeven. Eerst op 1 juli 2016 heeft eiseres opnieuw kinderopvangtoeslag aangevraagd. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in 2014 of 2015 kinderopvangtoeslag is aangevraagd of dat over die jaren beschikkingen zijn genomen. Reeds hierom is geen sprake van institutioneel vooringenomen handelen of van hardheid van het wettelijke systeem in deze toeslagjaren.
Heeft eiseres recht op compensatie omdat artikel 19 van Pro de Awir zou zijn geschonden?
7. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld door het recht op kinderopvangtoeslag van eiseres te herzien in de jaren 2008, 2012, 2018, 2019 en 2020 en is de mogelijke terugvordering over deze jaren onrechtmatig geweest. De Dienst Toeslagen was niet bevoegd dat te doen, omdat de in artikel 19 van Pro de Awir gestelde termijn een vervaltermijn is.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen recht op compensatie op grond van gestelde schending van artikel 19 van Pro de Awir. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft geoordeeld dat de in artikel 19 van Pro de Awir gestelde termijn geen fatale termijn is, zodat de Dienst Toeslagen ook na het verstrijken van die termijn bevoegd blijft een voorschot op een toeslag te herzien of een toeslag definitief vast te stellen. [6] De Afdeling heeft bovendien geoordeeld dat het enkele feit dat de in artikel 19 van Pro de Awir gestelde termijn is geschonden, niet betekent dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. [7] Nu de Dienst Toeslagen bevoegd was om het recht op kinderopvangtoeslag te herzien, ook na het verstrijken van de in artikel 19 van Pro de Awir gestelde termijn, is geen sprake van vooringenomen handelen. Of de Dienst Toeslagen de termijn daadwerkelijk heeft overschreden, is voor de beoordeling niet relevant. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de immateriële schadevergoeding juist vastgesteld?
8. Eiseres stelt dat de immateriële schadevergoeding die de Dienst Toeslagen heeft toegekend te laag is. De daadwerkelijke immateriële schade is hoger. De Dienst Toeslagen had daarom moeten afwijken van het in de wet genoemde forfaitaire bedrag.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de immateriële schadevergoeding juist vastgesteld. Het betoog van eiseres strekt ertoe dat de rechtbank de hoogte van de toegekende immateriële schadevergoeding toetst aan het evenredigheidsbeginsel. In artikel 120 van Pro de Grondwet is opgenomen dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen. De Wht is een wet in formele zin. Artikel 2.3, vierde lid, waarin is opgenomen dat voor immateriële schade een bedrag van € 500,- per half jaar wordt toegekend, valt dus onder het toetsingsverbod. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor toepassing van de wettelijke bepaling in strijd zou zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. De wetgever heeft onderkend dat gedupeerden ook meer of andere immateriële schade kunnen hebben geleden en voor het verkrijgen van compensatie daarvoor is ook nadrukkelijk een weg opengesteld, namelijk via de Commissie Werkelijke Schade. Omdat de wetgever een gemotiveerde keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling forfaitair een het bedrag van € 500,- per half jaar toe te kennen, heeft de bestuursrechter geen ruimte om de hoogte van dit bedrag te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. [8] De beroepsgrond slaagt niet.
Moet de Dienst Toeslagen het persoonlijk dossier van eiseres aan haar verstrekken?
9. Eiseres heeft verzocht de Dienst Toeslagen op te dragen haar persoonlijke dossier over te leggen. De rechtbank begrijpt het verzoek van eiseres als een verzoek aan de rechtbank om gebruik te maken van haar bevoegdheid een partij te verzoeken bepaalde stukken in te zenden. [9] De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding, omdat de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken al heeft overgelegd. [10]

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
2.Artikel 2.6, eerste lid, van de Wht.
3.Rb. Rotterdam, 27 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1081, r.o. 5.5.
4.Artikel 2.2, aanhef en onder a, en artikel 2.3, eerste lid, van de Wht.
5.Vgl. Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 70-71.
6.ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1484, r.o. 33.
7.ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3380, r.o. 5.8.
8.ABRvS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2990, r.o.
9.Artikel 8:45, eerste lid, van de Awb.
10.Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.