De zaak betreft een geschil tussen Stichting Hef Wonen en twee medehuurders van een woning in Rotterdam. De huur werd door één medehuurder opgezegd per 1 juli 2025, waarna alleen de andere huurder nog contractueel verantwoordelijk was. Er was sprake van een aanzienlijke huurachterstand waarvoor Hef Wonen betaling eiste.
De kantonrechter oordeelde dat het huurprijswijzigingsbeding in de huurovereenkomst oneerlijk was omdat het de verhuurder eenzijdig de huurverhoging liet bepalen, en vernietigde dit beding. De huurachterstand werd berekend op basis van de kale huurprijs en toegewezen aan beide medehuurders hoofdelijk tot juli 2025, en daarna aan de overgebleven huurder.
De huurovereenkomst met de overgebleven huurder werd ontbonden wegens niet tijdig betalen van de huur, ondanks dat rekening werd gehouden met de belangen van een minderjarig kind dat deels in de woning verbleef. De huurder kreeg een ontruimingstermijn van vier weken. Daarnaast werd een gebruiksvergoeding toegewezen tot de ontruiming. Het incassokostenbeding werd eveneens vernietigd als oneerlijk. De proceskosten werden aan de huurders opgelegd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.