ECLI:NL:RBROT:2026:3177

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/10019
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 8.0a BklArt. 22.1 OwArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 7.1 planregels omgevingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning dakpark Hofbogen Rotterdam

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een publiek toegankelijk dakpark op het rijksmonument de Hofbogen in Rotterdam. Het college had de vergunning verleend na toetsing aan het omgevingsplan en met positief advies van de Commissie voor Omgevingskwaliteit en Cultureel Erfgoed.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is omdat de werkzaamheden pas eind 2026 starten, waardoor verzoekster het beroep in de hoofdzaak kan afwachten zonder onomkeerbare gevolgen. Daarnaast is het dakpark op grond van het omgevingsplan toegestaan en geldt de buitenplanse afwijkingsmogelijkheid niet voor de locatie van de moskee van verzoekster.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het college voldoende participatie heeft georganiseerd en dat er geen resultaatverplichting bestaat bij participatie. De belangen van verzoekster zijn meegewogen en er is geen sprake van onzorgvuldige besluitvorming. De vrees voor negatieve gevolgen voor privacy en sociale veiligheid wordt onvoldoende onderbouwd om het besluit te schorsen. Verzoekster kan haar financiële schade in de bodemprocedure aan de orde stellen.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en blijft de omgevingsvergunning van kracht. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het dakpark wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en gegrondheid van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10019

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster
(gemachtigde: [naam 1] )
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigden: mr. S.B.H. Fijneman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Gemeente Rotterdam, vergunninghoudster.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een publiek toegankelijk park op het dak van rijksmonument de Hofbogen in Rotterdam inclusief zeven nieuwe opgangen en een noodtrap (het dakpark).
1.1.
Bij bestreden besluit van 28 oktober 2025 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het dakpark. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift en aanvullende stukken.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college, vergezeld van [naam 2] en [naam 3] . Verzoekster is zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen. De uitnodiging voor de zitting is op 19 januari 2026 aan de gemachtigde van verzoekster gestuurd. Verzoekster is daarmee op juiste wijze uitgenodigd voor de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Het project van vergunninghoudster betreft het aanpassen van het sporentracé op het dak van de Hofpleinlijn vanaf het Hofpleinstation tot de Gordelweg. Het dakpark wordt onderdeel van een groene stedelijke structuur die de stad met de omliggende wijken verbindt. In deze stadswijken is weinig ruimte voor groen en het dakpark biedt de mogelijkheid om dit op te zoeken. Het dakpark krijgt een inrichting met plantenzones, een wandelpad en een integraal wateropvangsysteem. Ook worden pergola’s, balkons en een speeltuin aangelegd. Op 21 juni 2024 heeft vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. De vergunningaanvraag betreft de inrichting van het park, de realisatie van de trappen en het hekwerk. De inrichting van het dak van het voormalige station Bergweg en de parkloge zijn geen onderdeel van de aanvraag.
3. Het gebouw van verzoekster (de moskee) ligt aan de Insulindestraat 236 in het Liskwartier in Rotterdam. Aan de achterzijde van de moskee ligt een gedeelte van de Hofbogen (de locatie). Verzoekster vreest negatieve gevolgen van het project voor de privacy en (sociale) veiligheid van bezoekers van de moskee.
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (de Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Op de locatie geldt het omgevingsplan gemeente Rotterdam (het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bevat een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. [1]
5. Op de locatie was vóór 1 januari 2024 onder meer het bestemmingsplan “Liskwartier” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Aan de locatie zijn de bestemmingen “Gemengd-3” en “Waarde-Archeologie 2” toegekend. De functieaanduiding is “detailhandel”. De voor “Gemengd-3” aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor “Verkeer-Verblijfsgebied”. [2] Hierdoor zijn de gronden bestemd voor voorzieningen om te kunnen wandelen, verblijven en spelen, zoals trottoirs, voetpaden en trappen; en groenvoorzieningen, waterpartijen, waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen. [3]
6. Het college heeft de aanvraag getoetst aan het omgevingsplan. [4] Met het bestreden besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en slopen. [5] Ook strekt de omgevingsvergunning tot het verrichten van een rijksmonumentenactiviteit en een bouwactiviteit (technisch). [6] Het project voldoet op meerdere punten niet aan de planregels, maar dit geldt niet voor de locatie. De omgevingsvergunning strekt tot het afwijken van het omgevingsplan voor andere delen van de Hofbogen dan de locatie. [7] Het omgevingsplan voorziet niet in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Volgens het college kan echter een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) [8] worden vergund, omdat de ruimtelijke impact van het project gering is. De Commissie voor Omgevingskwaliteit en Cultureel Erfgoed Rotterdam heeft op 18 december 2024 een positief advies over het project gegeven, mits geen onomkeerbare schade aan het rijksmonument ontstaat. Ook het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft op 28 februari 2025 aangegeven geen bezwaar te hebben. Op de aanvraag is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. [9] Het project heeft met het ontwerpbesluit van 15 augustus 2025 tot en met 25 september 2025 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
Spoedeisend belang
7. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. [10] Het college heeft er in de stukken op gewezen dat pas eind 2026 met de sloopwerkzaamheden wordt begonnen. Daarna (in 2027) zullen de bouwwerkzaamheden aanvangen. Gelet hierop is er geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster kan het beroep in de hoofdzaak afwachten zonder dat er onomkeerbare gevolgen ontstaan. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8. Het college heeft de voorzieningenrechter in de stukken en ter zitting verzocht een voorlopig inhoudelijk oordeel te geven vanwege de naderende aanbesteding van het project. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter daarom het volgende. Daarbij stelt de voorzieningenrechter voorop dat zijn oordeel een voorlopig karakter heeft dat de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet bindt.
9. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het college haar ten onrechte niet bij het participatieproces heeft betrokken. Het college heeft de belangen van verzoekster, onder meer met betrekking tot de privacy en (sociale) veiligheid van de bezoekers van de moskee, niet meegewogen. Ook gaat het bestreden besluit niet in op het planschaderisico, aldus verzoekster.
10. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit uit te voeren.
Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (een etfal), voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bopa.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet het de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een etfal. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
11. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is het dakpark op grond van het omgevingsplan toegestaan op de locatie. Dat wil zeggen dat het (recreatieve) gebruik van de locatie, waarvan verzoekster de gevolgen vreest, ook zonder de verleende omgevingsvergunning reeds mogelijk is. De omgevingsvergunning betreft weliswaar ook een bopa, maar die geldt niet voor de locatie. Dat betekent dat het college bij zijn beoordeling geen belangenafweging hoefde te maken ten aanzien van verzoekster. De voorzieningenrechter volgt het college daarom in het standpunt dat hij, gelet op de gehele ontwikkeling van het dakpark, wat betreft de door verzoekster genoemde belangen geen aanleiding hoefde te zien om de omgevingsvergunning te weigeren. Bovendien heeft het college in het verweerschrift en ter zitting genoegzaam uiteengezet dat en waarom het project op de locatie geen onevenredige gevolgen heeft voor de (gebruikers) van de moskee.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het project een geval betreft waarbij participatie verplicht is. [11] Gelet op het verweerschrift met bijlagen volgt de voorzieningenrechter het college in het standpunt dat sprake is geweest van uitgebreide participatie waarbij diverse partijen in een vroeg stadium zijn betrokken. Er bestaat bij participatie geen resultaatverplichting om tot een voor alle partijen aanvaardbaar besluit te komen. Dat verzoekster het niet eens is met het bestreden besluit, betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming door het college. Bovendien geldt dat de belangen van verzoekster gedurende een participatietraject maar beperkt naar voren kunnen worden gebracht, omdat het gebruik van het dakpark reeds mogelijk is op grond van het omgevingsplan.
Wat verzoekster over tegemoetkoming in de (plan)schade heeft aangevoerd, komt in deze spoedprocedure niet aan de orde. Het ziet immers alleen op een financieel aspect, dat in de bodemprocedure kan worden beoordeeld.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning blijft gelden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.A. Brekelmans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Artikel 7.1, onder f, van de planregels van het omgevingsplan (de planregels), gebied Liskwartier.
3.Artikel 21.1, onder a en c, van de planregels, gebied Liskwartier.
4.Artikel 5.21 van de Ow in samenhang met artikel 22.29, eerste lid, van de planregels.
5.Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow.
6.Artikel 5.1, eerste lid, onder a en b, van de Ow.
7.Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow in samenhang met artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (het Bkl).
8.Bijlage A bij artikel 1.1 van de Ow.
9.Artikel 16.65 van de Ow.
10.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
11.Artikel 16.55, zevende lid, van de Ow in samenhang artikel 2, aanhef en onder b, van de door de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam opgestelde Lijst met gevallen waarvoor participatie verplicht is bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.