Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a lid 1 Faillissementswet, waarbij zij een akkoord aanbood aan haar schuldeisers met een uitkering van 4,04% aan preferente en 2,02% aan concurrente schuldeisers.
Zes schuldeisers stemden in met het aanbod, maar schuldeiser Thelxinoe, met een vordering van €13.645,14, weigerde in te stemmen. Thelxinoe voerde aan dat het aanbod onvoldoende was onderbouwd en niet alle schuldeisers waren meegenomen, wat zou leiden tot ongelijke behandeling en onzekerheid over de werkelijke schuldenlast.
De rechtbank oordeelde dat Thelxinoe in redelijkheid kon weigeren omdat haar vordering een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast uitmaakt (43,2%) en het aanbod niet goed en controleerbaar was gedocumenteerd. Bovendien waren er schulden aan een voormalig verhuurder die niet in het aanbod waren opgenomen.
Daarom woog het belang van Thelxinoe zwaarder dan dat van verzoekster en de overige schuldeisers, en werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen. De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.