ECLI:NL:RBROT:2026:3095

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
FT RK / 25-1877
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Art. 284 FaillissementswetArt. 295 FaillissementswetArt. 296 FaillissementswetArt. 310 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot wettelijke schuldsaneringsregeling ondanks niet te goeder trouw ontstane schulden

Verzoeker heeft een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) vanwege een problematische schuldensituatie. De rechtbank oordeelt dat verzoeker ontvankelijk is omdat het niet mogelijk is gebleken om binnen afzienbare termijn tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, mede door een stilgevallen verkoopproces van een woning op Curaçao.

Hoewel een deel van de schulden, specifiek aan Hiltermann Auto Lease Company, niet te goeder trouw is ontstaan, heeft verzoeker zich ingespannen om zijn schulden af te lossen en is hij te goeder trouw geweest bij het onbetaald laten van zijn overige schulden. Verzoeker heeft zijn onderneming beëindigd, staat onder budgetbeheer en heeft geen nieuwe schulden gemaakt.

De rechtbank past de hardheidsclausule toe en besluit verzoeker toe te laten tot de Wsnp met een looptijd van 18 maanden, ingaand op 11 februari 2026. Er wordt een bewindvoerder en een rechter-commissaris benoemd die toezicht houden op de naleving van de verplichtingen binnen de regeling. De rechtbank benadrukt de noodzaak voor verzoeker om zijn hoge woonlasten zoveel mogelijk te beperken.

Uitkomst: Verzoeker wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met een looptijd van 18 maanden vanaf 11 februari 2026.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van:
11 februari 2026
op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [adres 1],
[postcode] [plaatsnaam]
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 28 januari 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoeker],
- de heer R. Fiege, schuldhulpverlener.
1.3.
De rechtbank heeft op 29 januari 2026 om nadere informatie gevraagd.
1.4.
[verzoeker] en zijn schuldhulpverlener hebben, op verzoek van de rechtbank, op 3 februari 2026 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.

2.De beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet [verzoeker] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
2.2.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoeker] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat [verzoeker] een woning op Curaçao heeft. Door een administratief probleem is het verkoopproces van deze woning sinds augustus 2024 stil te komen liggen. Het is voor de gemeente niet mogelijk om hierin verder ondersteuning te bieden.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet binnen afzienbare termijn tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. [verzoeker] is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
De toelating
2.4.
[verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat de schulden aan Hiltermann Auto Lease Company van in totaal € 38.454,21 die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. [verzoeker] heeft verklaard dat hij een auto heeft geleased om de werkzaamheden van zijn eenmanszaak te kunnen verwezenlijken. De eenmanszaak liep echter niet zoals [verzoeker] had gehoopt waardoor de auto verkocht moest worden en de leaseovereenkomst eerder beëindigd moest worden. Deze schulden zijn niet te goeder trouw ontstaan en staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
2.6.
Daarnaast is de rechtbank nagegaan of [verzoeker] in de afgelopen drie jaar te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden en hij zich heeft ingespannen om tot aflossing daarvan te komen. Uit de stukken die na de zitting op 3 februari 2026 zijn overgelegd, blijkt dat [verzoeker] diverse betalingsregelingen heeft getroffen en dat daarop door hem ook is afgelost. Daarnaast is op grond van de stukken en het behandelde ter zitting voldoende aannemelijk geworden dat [verzoeker] zich heeft ingespannen om werk te vinden. Vanaf januari 2024 heeft hij een contract voor 36 uur per week bij Young Capital. Op grond hiervan kan dan ook worden geconcludeerd dat ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden [verzoeker] te goeder trouw is geweest.
2.7.
Hoewel de schulden van [verzoeker] aan Hiltermann Auto Lease Company niet te goeder trouw zijn ontstaan ziet de rechtbank aanleiding om [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoeker] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan van deze schulden, onder controle heeft gekregen. [verzoeker] heeft zijn onderneming opgeheven en heeft ook geen auto meer waardoor hier geen schulden meer uit voortvloeien. Daarnaast staat [verzoeker] sinds 14 augustus 2025 onder budgetbeheer wat zorgt voor een stabiele financiële situatie. Er zijn sedertdien geen nieuwe schulden meer ontstaan. Hierdoor is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat [verzoeker] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp.
2.8.
[verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.9.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
2.10.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) vast op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.11.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.12.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.13.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens op basis van de ingediende stukken en dat wat op de zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen). In het bijzonder zal de hoge woonlast van [verzoeker] aandacht moeten krijgen. [verzoeker] huurt een woning met een kale huur van € 1.626,22 per maand. [verzoeker] dient zich ervan bewust te zijn dat van hem binnen de schuldsaneringsregeling verwacht zal worden dat hij deze woonlasten zoveel mogelijk zal beperken.
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw Pro). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw Pro). [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw Pro). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoeker].
3.6.
Als [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum]-1971 te [geboorteland],
wonende te [adres 1], [postcode] [plaatsnaam];
voorheen handelend onder de naam
[handelsnaam 1]
[handelsnaam 2],
gevestigd [adres 2];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Franken
en tot bewindvoerder [naam],
gevestigd te [postadres]
;
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 11 februari 2026 en de duur op achttien maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 11 augustus 2027;
  • draagt de bewindvoerder op de post van [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Franken, rechter, in samenwerking met A.B.T. Fernandes Pedra, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026. [1]