ECLI:NL:RBROT:2026:3083

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
10/350844-25 en 10/221953-25 en (TUL): 10/178351-23
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vernieling en medeplegen poging zware mishandeling met bijzondere voorwaarden

De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte veroordeeld voor vernieling van een deurruit en het medeplegen van poging tot zware mishandeling van een slachtoffer, waarbij het misdrijf niet is voltooid. De verdachte werd vrijgesproken van de mishandeling van zijn moeder wegens onvoldoende bewijs. De opgelegde straf is een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 84 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden die direct uitvoerbaar zijn.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de bekentenis van de verdachte, verklaringen van het slachtoffer en aangiftes. De rechtbank verwierp het verweer van noodweerexces omdat geen aanwijzingen voor een noodweersituatie aanwezig waren. De verdachte heeft een strafblad met soortgelijke feiten en een hoog recidiverisico volgens de reclassering.

De rechtbank matigde de gevorderde schadevergoeding van de benadeelde partij tot €600,- omdat alleen de ruit vernield was en niet de gehele deur. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf werd toegewezen omdat de verdachte tijdens de proeftijd nieuwe strafbare feiten pleegde.

De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen, contact- en locatieverbod, dagbesteding en middelengebruikcontrole. De rechtbank wees het verzoek tot schorsing van voorlopige hechtenis af vanwege zwaardere strafvorderlijke belangen.

De straf en voorwaarden zijn gericht op het voorkomen van recidive en het bevorderen van een positieve gedragsverandering bij de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 84 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, vrijgesproken van mishandeling moeder en gedeeltelijke schadevergoeding toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10/350844-25 en 10/221953-25
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10/178351-23
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Datum zitting: 12 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1999 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. R.I. van Haneghem
Officier van justitie: mr. M. van Drunen
Benadeelde partij: [naam instelling]
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor vernieling en het medeplegen van poging tot zware mishandeling. Hij wordt vrijgesproken van de mishandeling van zijn moeder. De verdachte krijgt de straf opgelegd die de officier van justitie heeft geëist, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 84 dagen voorwaardelijk. Daaraan worden bijzondere voorwaarden verbonden. De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van materiële schade wordt gedeeltelijk toegewezen. Toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

1.Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte
Parketnummer 10/350844-25
1
op of omstreeks 26 december 2025 te Rotterdam
opzettelijk en wederrechtelijk
een deurruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam instelling] , toebehoorde
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2
primair
op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen althans eenmaal
- die [slachtoffer 1] tegen de benen en/of de billen heeft getrapt/geschopt en/of
- die [slachtoffer 1] met gebalde vuisten tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of
- ( vervolgens) met een fles althans een zwaar voorwerp op het hoofd heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
subsidiair
op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
[slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen althans eenmaal
- die [slachtoffer 1] tegen de benen en/of de billen te trappen/schoppen en/of
- die [slachtoffer 1] met gebalde vuisten tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of
- ( vervolgens) met een fles althans een zwaar voorwerp op het hoofd te slaan;
Parketnummer 10/221953-25
op of omstreeks 10 augustus 2025 te Rotterdam,
[slachtoffer 2] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] op de neus te slaan,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn moeder;

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte vrijgesproken moet worden van het onder parketnummer 10/221953-25 ten laste gelegde feit en moet worden veroordeeld ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair onder parketnummer 10/350844-25.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het onder parketnummer 10/221953-25 ten laste gelegde feit en heeft zich ten aanzien van de feiten onder parketnummer 10/350844-25 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Vrijspraak parketnummer 10/221953-25
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het onder parketnummer 10/221953-25 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
2.3.2.
Bewezenverklaring parketnummer 10/350844-25
Bewezen is dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 1 en feit 2 primair onder parketnummer 10/350844-25 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
  • De bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 12 maart 2026;
  • Het proces-verbaal van aangifte, Eenheid Rotterdam, nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina’s 89 tot en met 97 van het voorgeleidingsdossier, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 1] ;
  • Het proces-verbaal van aangifte, Eenheid Rotterdam, nummer [nummer proces-verbaal 2] 16, pagina’s 6 tot en met 8 van het voorgeleidingsdossier, inhoudende de verklaring van aangever [aangever] .
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Parketnummer 10/350844-25
Feit 1:
hij op 26 december 2025 te Rotterdam
opzettelijk en wederrechtelijk
een deurruit, die geheel aan een ander, te weten aan [naam instelling] , toebehoorde
heeft vernield;
Feit 2 primair
hij op 21 december 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf
om aan een ander, te weten [slachtoffer 1]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen
- die [slachtoffer 1] tegen de benen heeft getrapt/geschopt en
- die [slachtoffer 1] met gebalde vuisten tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en
- ( vervolgens) met een Cognac fles op het hoofd heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren volgende strafbare feiten op:
Feit 1
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen
Feit 2 primair
medeplegen van poging tot zware mishandeling
3.1.1.
Beroep op strafuitsluitingsgrond.
De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 bepleit dat de verdachte zich heeft moeten verdedigen en hij daarin te ver gegaan is. Er is daarom sprake geweest van noodweerexces en de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Over het beroep op noodweerexces oordeelt de rechtbank dat, nog daargelaten dat dit verweer niet is onderbouwd, het dossier geen aanwijzingen of enig aanknopingspunt bevat dat de verdachte zich in een noodweersituatie heeft bevonden. Die noodweersituatie is dan ook niet aannemelijk geworden. Daarmee ontbreekt de basis voor het gevoerde verweer en wordt het verweer verworpen.
3.1.2.
Conclusie
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 84 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en heeft subsidiair verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen in verband met persoonlijke omstandigheden.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer meerdere keren te slaan en te schoppen. Het slachtoffer is daarbij onder andere met een fles drank op zijn hoofd geslagen. Door zo te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling door met een mes in een deurruit te steken waardoor de deurruit is vernield. Door zo te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendom van anderen.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 6 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en ook nog in een proeftijd liep van een veroordeling voor een soortgelijk strafbaar feit.
Rapporten van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 5 februari 2026 wordt vermeld dat het leven van de verdachte zich kenmerkt door instabiliteit. De verdachte heeft geen vast verblijfadres, geen dagbesteding en geen inkomen. Daarnaast is er sprake van middelenproblematiek en ook verdachtes psychosociaal functioneren en zijn sociaal netwerk vormen al langere tijd reden tot zorg. Ten aanzien van het middelengebruik is nog geen juiste interventie ingezet. De verdachte toont zich bereid om mee te werken aan hulpverlening en lijkt over enig (beginnend) ziekte-inzicht te beschikken. De reclassering plaatst hier wel vraagtekens bij, omdat de verdachte in het verleden vaker zijn medewerking heeft beloofd, maar hij dan toch zijn eigen plan wilde trekken. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.
Reclassering Nederland heeft ook eerder nog een rapport opgemaakt over de verdachte, gedateerd 1 december 2025. In dit rapport staat dat het functioneren van de verdachte wordt gekenmerkt door meerdere aanhoudende risicofactoren die het recidiverisico aanzienlijk verhogen. Hierbij gaat het met name om problemen in emotieregulatie, fors middelengebruik, instabiele woonomstandigheden, gebrek aan dagbesteding en een justitieel patroon dat de afgelopen jaren is verschoven van vermogens- naar geweldsdelicten. De reclassering adviseert om bij een veroordeling aan de verdachte een straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank volgt de eis van de officier van justitie omdat zij deze passend acht. Met de op te leggen straf en de hierna te bespreken tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf zal de verdachte weliswaar nog enige tijd in detentie moeten blijven, maar kan hij binnen afzienbare tijd laten zien dat hij daadwerkelijk een positieve draai aan zijn leven gaat geven.
Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 84 dagen voorwaardelijk, opgelegd. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De voorwaardelijke straf en bijzondere voorwaarden zijn bedoeld om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
Mede gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies en het strafblad van de verdachte houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.

5.Voorlopige hechtenis

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte in verband met de ziekte van zijn moeder te schorsen. De rechtbank wijst dat verzoek af, omdat de strafvorderlijke belangen zwaarder wegen dan de persoonlijke belangen. Wel adviseert de rechtbank om de eveneens ten uitvoer te leggen voorwaardelijke straf direct aansluitend aan de nu op te leggen gevangenisstraf te executeren, zodat de verdachte daarna zijn leven met behulp van de reclassering verder op zal kunnen bouwen en zijn moeder dan ook kan bijstaan.

6.Vordering van de benadeelde partij

6.1.
Vordering
[benadeelde] heeft namens [naam instelling] als benadeelde partij voor feit 1 onder parketnummer 10/350844-25 als vergoeding voor materiële schade € 1.418,12 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij dient gematigd te worden, omdat het gevorderde bedrag ziet op vervanging van de gehele deur terwijl alleen de ruit van de deur is vernield en uit de onderbouwing bij de vordering valt op te maken dat de deur zelf al bijna aan het einde van de technische levensduur was.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat de volmacht niet in orde is. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het gevorderde bedrag dient te worden gematigd omdat het niet redelijk is het gehele bedrag aan de verdachte toe te rekenen.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
6.4.1.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de vordering van de benadeelde partij is ondertekend en ingediend door [benadeelde] . Uit de vordering tot schadevergoeding volgt verder dat zij samen met [aangever] , de persoon die namens de [naam instelling] de aangifte heeft gedaan, de benadeelde partij vertegenwoordigt. De rechtbank is van oordeel dat hieruit afgeleid mag worden dat de vordering is ingediend door iemand die namens de benadeelde partij bevoegd is om deze vordering in te dienen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. Er is een voldoende causaal verband tussen het handelen van de verdachte – het steken met een mes in de deurruit – en de schade aan de deurruit.
De rechtbank zal echter niet het volledige geclaimde schadebedrag toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd dat het volledige gevorderde bedrag als schade aan de verdachte is toe te rekenen. De factuur (waarmee de vordering is onderbouwd) ziet namelijk op het vervangen van de gehele deur met toebehoren terwijl de verdachte alleen de deurruit heeft vernield.
Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank de schade geschat en aansluiting gezocht bij het bedrag dat de aangever in zijn aangifte heeft genoemd en dat gebaseerd is geweest op een schatting van een schadeherstelbedrijf, te weten € 600,-.
De vordering tot vergoeding van materiële schade zal dus tot dat bedrag worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
6.4.2.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 26 december 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (deels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op
€ 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 6 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7.Vordering tot tenuitvoerlegging 10/178351-23

7.1.
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
7.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
De nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
Daarom wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.

8.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht

9.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit onder parketnummer 10/221953-25 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 primair onder parketnummer 10/350844-25, zoals in hoofdstuk 2.3.3. is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3.1 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 180 dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
de 84 (vierentachtig) dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
twee (2) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
meldplicht bij de reclassering:de verdachte meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt, waarbij de verdachte er zelf voor dient te zorgen bereikbaar te zijn voor de reclassering door middel van een eigen goed werkende telefoon. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname: de verdachte laat zich behandelen door Forensisch Ambulant Team of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De verdachte werkt mee aan diagnostiek en een eventuele daaruit voortvloeiende behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang: de verdachte verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
contactverbod: de verdachte zoekt gedurende zijn proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect contact met het slachtoffer, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1994;
locatieverbod: de verdachte bevindt zich niet in een straal van 25 meter rondom het adres [adres] te Rotterdam;
dagbesteding:de verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
beheersing middelengebruik:de verdachte werkt mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd;
ambulante begeleiding/coach:de verdachte werkt mee aan ambulante begeleiding door het Forensisch Ambulant Team of een andere begeleidingsinstantie zoals bijvoorbeeld Coach E25 gericht op het op orde krijgen van zijn praktische zaken;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer10/178351-23
)
beveelt de
tenuitvoerleggingvan de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van
twee maanden, zoals opgelegd in het vonnis van 6 februari 2024;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 10/350844-25, aan de benadeelde partij [naam instelling] , te betalen een bedrag van
€ 600,-, bestaande uit een vergoeding van materiële schade en de wettelijke rente hierover vanaf 26 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 onder parketnummer 10/350844-25
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [naam instelling] aan de staat
€ 600,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 26 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
6 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

10.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,
en mrs. L. Stevens en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 maart 2026.