Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3055

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/7739
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 6.7 WhtArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 2 Bpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag compensatie toeslagen 2010-2012

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2012. Hoewel eerder een besluit was genomen over de toeslagjaren 2007 tot en met 2009, is op deze latere aanvraag niet tijdig beslist. Verweerder, de Dienst Toeslagen, stelde dat er geen tweede aanvraag was en dat reeds op de eerste aanvraag was beslist.

De rechtbank oordeelt dat aanvragen en besluiten binnen dezelfde regeling samenhangend zijn, maar dat dit niet betekent dat een beroep wegens niet tijdig beslissen op een latere aanvraag uitgesloten is. Omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op de aanvraag over 2010-2012, is het beroep gegrond verklaard.

De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 en bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van het vonnis een besluit moet nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Klomp.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen en draagt verweerder op binnen zes weken een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7739
uitspraak van de enkelvoudige kamer van [*] als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[eiseres], uit Hoek van Holland, eiseres,

gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak,
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit.
Verweerder heeft op 30 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
De rechtbank stelt het volgende vast. Eiseres heeft in beginsel een aanvraag gedaan om compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009. Op 23 maart 2022 heeft verweerder een besluit bekendgemaakt op de aanvraag van eiseres ten aanzien van deze toeslagjaren, met kenmerk UHT-DC I. Eiseres heeft zich op 17 maart 2022 opnieuw gemeld bij verweerder vanwege een aanvraag om compensatie voor de aanvullende toeslagjaren, te weten 2010 tot en met 2012.
Verweerder geeft in zijn verweerschrift – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder volgt eiseres niet in haar standpunt dat niet op haar aanvraag is beslist. Immers, met de beschikking van 23 maart 2022 is beslist op haar aanvraag. Het feit dat eiseres haar aanvraag aanvankelijk had beperkt tot de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 en later opnieuw een aanvraag heeft gedaan ten aanzien van toeslagjaren 2005 tot en met 2010, doet daar volgens verweerder niet aan af. Een tweede aanvraag kent de Wht namelijk niet. Omdat reeds op de eerste aanvraag is beslist, is eiseres volgens verweerder (dus) niet langer in afwachting van een besluit op haar aanvraag.
De rechtbank komt tot het volgende oordeel. In zijn algemeenheid neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat aanvragen en besluiten met betrekking tot dezelfde regeling samenhangend zijn, ook indien die zien op verschillende toeslagjaren (zie onder meer ECLI:NL:RBROT:2024:13134). Dit betekent echter niet dat nimmer een beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld op een aanvraag nadat is beslist over andere toeslagjaren, omdat onverkorte toepassing van dit uitgangspunt kan leiden tot de ontzegging van een rechtsingang (zie onder meer ECLI:NL:RBROT:2026:1348 en ECLI:NL:RBROT:2025:14811).
Eiseres heeft haar aanvraag om compensatie over de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 op 17 maart 2022 bij verweerder ingediend. Verweerder heeft vervolgens op 18 januari 2024 een vooraankondiging bekend gemaakt over deze toeslagjaren. Niet is gebleken dat alsnog is beslist op de aanvraag van eiseres. Daarnaast is het maximum van de door de rechtbank opgelegde dwangsom in 24/5683 inmiddels bereikt, waardoor er ook geen dwangsomtermijn meer loopt met betrekking tot (ontbrekende) besluiten die zien op dezelfde bepaling van de Wht. Het beroep is daarom gegrond.
Vanwege de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. [1] Verweerder moet in beginsel binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift een schriftelijke vooraankondiging als bedoeld in artikel 6.7 van de Wht bekendmaken. De beslistermijn is ten minste zes weken na de datum van deze uitspraak. Omdat verweerder al een vooraankondiging bekend heeft gemaakt, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen zes weken na de datum van deze uitspraak een besluit over compensatie bekend moet maken. Er bestaat geen aanleiding om dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijnen overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat een termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-. De dwangsom begint te lopen op het moment dat verweerder de eerste termijn voor het nemen van een vooraankondiging overschrijdt en loopt door tot op het moment dat de vooraankondiging is verzonden. Als verweerder vervolgens ook de tweede termijn voor het nemen van een besluit over compensatie overschrijdt, gaat de dwangsom weer verder lopen tot het moment dat verweerder dat besluit bekendmaakt. De dwangsom loopt niet verder door dan het maximum van € 15.000,-.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. [2] Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een besluit over compensatie bekend te maken.
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van
A.R. de Groot, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op [*].
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.ABRvS 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.