ECLI:NL:RBROT:2026:3033

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
10-219548-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging moord, veroordeling poging ontvoering met jeugddetentie en schadevergoeding

De rechtbank Rotterdam heeft op 27 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte geboren in 2007, die werd verdacht van medeplegen van poging moord/doodslag en poging tot ontvoering van een taxichauffeur op 10 juni 2025.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van de poging moord/doodslag wegens onvoldoende bewijs dat hij wist van het vuurwapen en het schieten, maar veroordeelde hem wel voor medeplegen van poging tot ontvoering. De feiten betroffen een achtervolging met gezichtsbedekking, klemrijden van het slachtoffer, geweld en het gebruik van een GPS-tracker.

De verdachte kreeg een jeugddetentie van 150 dagen opgelegd, waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden zoals schoolbezoek, behandeling en contactverboden. De rechtbank hield rekening met zijn jeugdige leeftijd, persoonlijke omstandigheden en het advies van deskundigen.

Daarnaast werd de verdachte hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 8.135,00 schadevergoeding aan het slachtoffer, deels materieel (€ 635) en deels immaterieel (€ 7.500), vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 juni 2025. Een deel van de schadevordering werd afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.

De uitspraak benadrukt de ernst van het misdrijf, de impact op het slachtoffer en de samenleving, en het belang van begeleiding en toezicht op de verdachte om recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging moord/doodslag, veroordeeld voor poging ontvoering tot deels voorwaardelijke jeugddetentie en schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummer: 10-219548-25
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] te [plaatsnaam] ,
raadsvrouw: mr. S.W. Kuijpers, advocaat te Hoofddorp.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 13 februari 2026.

2.Tenlastelegging

De verdachte staat terecht op de verdenking dat hij samen met anderen geprobeerd heeft een taxichauffeur te ontvoeren waarbij met een vuurwapen op het slachtoffer is geschoten. Dat is ten laste gelegd als een poging moord/doodslag (feit 1) en een poging ontvoering (feit 2). De precieze tekst van de beschuldiging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.B. Uiterwijk heeft gevorderd:
  • vrijspraak van het onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde medeplegen van poging moord;
  • bewezenverklaring van het onder 1 (impliciet subsidiair) ten laste gelegde medeplegen van poging doodslag en het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van een poging tot ontvoering;
  • veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 10 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden dat dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers te Haarlem (hierna: de jeugdreclassering), naar school zal gaan volgens het lesrooster en/of zal gaan werken, zal meewerken aan behandeling bij een forensische polikliniek, zich zal laten begeleiden door een coach van Co-Fiducia en zich zal houden aan contactverboden met de medeverdachten en het slachtoffer;
  • met opdracht aan de jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht de poging tot doodslag en de poging tot ontvoering wettig en overtuigend bewezen. Daartoe voert de officier van justitie aan dat de verdachte de opdracht tot het ontvoeren van het slachtoffer heeft aanvaard en dat hij voorwaardelijk opzet heeft gehad op het medeplegen van de poging tot doodslag. De verdachte en de drie medeverdachten hebben het slachtoffer, terwijl zij gezichtsbedekking droegen, middels een GPS-tracker achtervolgd. Het slachtoffer is door de verdachten klemgereden op de oprit van een tankstation en ze zijn daar uit de auto gestapt. Uit de verklaringen van getuigen en het slachtoffer kan worden opgemaakt dat toen wapens zijn gezien. Daarbij verklaart [medeverdachte 1] dat hij kort daarvoor in de auto een wapen bij de bijrijder heeft gezien. Het slachtoffer is uit paniek weggereden. De verdachte stapte na de situatie bij het tankstation weer in de auto en stapte weer uit na de aanrijding op de snelweg. Daar heeft hij aan het slachtoffer in de auto getrokken. Uit deze omstandigheden had de verdachte kunnen opmaken dat het slachtoffer niet vrijwillig zou meegaan. Met deze omstandigheden is er bovendien een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat het meegebrachte vuurwapen gebruikt zou worden. De verdachte heeft met zijn bijdrage ook bewust de mogelijkheid dat het vuurwapen gebruikt zou worden aanvaard. Hij is steeds doorgegaan met het uitvoeren van het plan. De verdachte heeft bovendien in het geheel geen afstand genomen van de uitvoering, terwijl duidelijk was dat het slachtoffer niet uit zichzelf mee zou gaan en dat hier dus mogelijk geweld voor gebruikt zou moeten worden. Dat er met dat vuurwapen is geschoten kan de verdachte dan ook worden toegerekend. De officier van justitie ziet geen bewijs dat er sprake is van voorbedachte rade, en concludeert daarom tot vrijspraak van de poging moord.
4.1.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide feiten.
De verdediging voert daartoe aan dat uit het dossier allereerst volgt dat het doel het ontvoeren van het slachtoffer was, en niet hem te doden. Ook kan niet worden vastgesteld dat de verdachte een vuurwapen bij zich heeft gehad of wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van een wapen, laat staat dan hij zich bewust was van het feit dat dit wapen gebruikt zou kunnen worden, en hij dit zou hebben aanvaard. Er blijkt niet dat daarover gesprekken zijn gevoerd. De verdachte zat, anders dan [medeverdachte 1] , ook niet naast maar achter de bijrijder in de auto waardoor hij geen zicht had op de bijrijder (met een vuurwapen). Daarbij ging de autodeur van de verdachte vanwege het kinderslot niet open, waardoor hij bij de snelweg pas later bij de auto van het slachtoffer aankwam. De verdachte heeft zich vanwege het kinderslot op zijn deur niet kunnen distantiëren van de situatie. Er kan niet worden geconcludeerd dat de verdachte had moeten weten dat het zo uit de hand zou lopen én dat hij de kans daarop op de koop heeft toegenomen. Ook kan niet worden vastgesteld dat zijn bijdrage van voldoende intellectueel en/of materieel gewicht is geweest. De verdachte zat zonder een plan in de auto, die hij niet zelf kon besturen, en hij is op enig moment uitgestapt toen de deur voor hem werd open gemaakt. Nergens blijkt dat hij enige andere handelingen heeft toegepast. Het DNA van de verdachte op de handschoen bewijst niet dat hij het slachtoffer heeft aangeraakt. Er kan sprake zijn van overdacht en op een deel van de handschoen is het DNA van minimaal vijf personen aangetroffen. De verdachte stond er slechts bij en keek ernaar. Hoewel hij inderdaad voornemens was om het slachtoffer te ontvoeren, heeft hij niet de daad bij het woord gevoegd.
4.1.3.
Beoordeling
Onder verwijzing naar de bewijsmiddelen zoals die in bijlage II zijn uitgewerkt, stelt de rechtbank vast dat op 10 juni 2025 geprobeerd is om het slachtoffer te ontvoeren. Het slachtoffer is door de verdachte en de drie medeverdachten, allen met gezichtsbedekking, middels een GPS-tracker onder zijn auto achtervolgd en hij is door hen bij een tankstation klemgereden. Het slachtoffer kon door hard achteruit te rijden wegkomen en is vervolgens op de A13 na een achtervolging met hoge snelheid bewust aangereden door de auto met daarin de verdachten. De auto van het slachtoffer raakte in een spin en kwam uiteindelijk in de vangrail tot stilstand. De vier verdachten zijn uitgestapt en in de richting van de auto van het slachtoffer gelopen. Er is toen met geweld geprobeerd om het slachtoffer uit de auto te trekken. Daarbij is het slachtoffer met een vuurwapen tegen zijn hoofd geslagen. Daarnaast is hij door een medeverdachte beschoten. Het slachtoffer is daarbij geraakt in zijn arm en een van de kogels heeft zijn pet doorboord. Toen het slachtoffer zich hevig bleef verzetten zijn de verdachten uiteindelijk onverrichterzake in hun auto weggevlucht en hebben de auto in Den Haag bij een benzinestation achter gelaten. Deze gang van zaken staat in de kern genomen niet ter discussie. De verdachte bekent ook dat zijn bedoeling was om deel te nemen aan deze ontvoering.
De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte de opdracht om het slachtoffer mee te nemen heeft aanvaard voor (naar hij verklaart) een geldbedrag van € 2000,-. Hij is achterin de auto gestapt, droeg gezichtsbedekking en had handschoenen aan. Daarnaast is hij ondanks de achtervolging en het klem- en (met harde snelheid) aanrijden van het slachtoffer, op de snelweg uit de auto gestapt en is hij bij de auto van het slachtoffer gaan staan. Dat de verdachte dicht op de auto van het slachtoffer is gaan staan, leidt de rechtbank af uit de eigen verklaring van de verdachte op zitting. De verdachte verklaarde, als mogelijke uitleg over het DNA van het slachtoffer en de verdachte op de handschoen, dat hij niet meer weet of hij het slachtoffer zelf of diens auto heeft aangeraakt. Daaruit maakt de rechtbank op dat de verdachte in ieder geval dichtbij het slachtoffer en diens auto is geweest. De verdachte heeft zich naar eigen zeggen onttrokken aan de gehele situatie op het moment dat hij een vuurwapen had gezien. Ook als dit laatste waar zou zijn, is de rechtbank van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat de verdachte niet alleen opzet heeft gehad op de poging tot het ontvoeren van het slachtoffer met gebruik van geweld, maar dat hij daar ook daadwerkelijk aan heeft meegedaan. Het meedoen bestaat eruit dat hij – met de bedoeling om tot een ontvoering te komen – in de auto zat met gezichtsbedekking op tijdens de achtervolging met de GPS-tracker, dat hij na de aanrijding naar de auto van het slachtoffer is gerend (zoals een van de getuigen verklaarde) en dat hij vervolgens als onderdeel van de groep van vier mannen bij die auto stond. Met dit laatste heeft hij in ieder geval de groep bij die auto getalsmatig versterkt - hetgeen juist bij een ontvoering van belang is. En hij heeft op geen enkel moment ingegrepen om de mede door zijn toedoen ontstane situatie te doen stoppen.
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte, toen hij de auto instapte met als doel het slachtoffer te ontvoeren, wist dat zijn medeverdachte(n) het slachtoffer zouden proberen hem van zijn leven te beroven. Naar het oordeel van de rechtbank kan eveneens niet worden vastgesteld dat de verdachte wist of de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een of meer van zijn medeverdachten een vuurwapen mee zou(den) nemen en dat daarmee zou worden geschoten. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat er afspraken zijn gemaakt over het meebrengen of gebruiken van een wapen, of dat de verdachte hier anderszins voor of tijdens het incident van op de hoogte was of raakte. Ook blijkt niet dat de verdachte het wapen in de auto heeft gezien. Dat [medeverdachte 1] in de auto het wapen bij de bijrijder heeft gezien, betekent nog niet dat het wapen toen ook duidelijk zichtbaar is geweest voor de verdachte. Hij zat immers achterin. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat er wapen(s) zichtbaar waren voor de verdachte tijdens de eerdere situatie bij het tankstation. Hoewel er over het ook daar al tonen van wapen(s) is verklaard, heeft geen van de getuigen verklaard daadwerkelijk een vuurwapen te hebben gezien en ook uit de verklaringen van het slachtoffer kan dat niet zonder meer worden afgeleid (hij verklaart wisselend hierover). Er zijn geen camerabeelden van het incident aldaar. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte van tevoren wist van de aanwezigheid en het gebruik van een vuurwapen.
4.1.4.
Conclusie
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de poging tot moord/doodslag. De rechtbank zal de verdachte veroordelen voor de poging tot ontvoering, met uitzondering van het ten laste gelegde onderdeel waarin tot uitdrukking komt dat ‘(van korte afstand) met een vuurwapen meerdere, althans een, kogel(s) op en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd/geschoten’ en dat met een vuurwapen geslagen is. Niet kan worden bewezen dat het opzet van de verdachte hierop was gericht, ook niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 laste gelegde voor het overige wettig en overtuigend bewezen is.
4.2.
Bewezenverklaring
Op grond van het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feit 2 heeft begaan op die wijze dat:
hij op
of omstreeks10 juni 2025 te Rotterdam
, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
opzettelijk [slachtoffer]
wederrechtelijk van de vrijheid te beroven
en/of beroofd te houden,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)
zijn/hun gezicht
(en
)had
(den
)bedekt
met een helm en/of bivakmuts danwel gezichtsbedekkende kleding,
- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond
heeft/hebben gevolgd/achtervolgd (via GPS tracker) en
/of
- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond (van achteren)
heeft/hebben
aangereden en
/oftot stilstand gedwongen en
/of(vervolgens) naar de personenauto
van die [slachtoffer]
is/zijn gelopen en
/of
- de ruit van het bestuurdersportier heeft
/hebbeningeslagen en
/ofhet
bestuurdersportier heeft
/hebbengeopend en
/of
- aan de arm(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken en
/of
- dreigend tegen die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: “open, open, open” en
/of
“uitstappen, meekomen, uitstappen meekomen. Vandaag ga je dood vriend.
Uitstappen, meekomen.” en
/of"schiet hem, schiet hem, schiet hem gewoon",
althans woorden van gelijke aard en strekking,en
/of
- (van korte afstand) met een vuurwapen meerdere, althans een, kogel(s) op en/of in
de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd/geschoten en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) (met een vuurwapen) op/tegen
het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of
gestompt, en/of
- tyraps heeft
/hebbenmeegenomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
medeplegen van een poging tot het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6.Motivering straf

6.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
6.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De destijds zeventienjarige verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot ontvoering door het slachtoffer te (achter)volgen, zijn auto op de snelweg met hoge snelheid bewust aan te rijden en daarmee tot stilstand te dwingen en hem met geweld en met gezichtsbedekking op uit zijn auto proberen mee te nemen. De verdachte en mededaders zijn uiteindelijk onverrichterzake in hun auto weggevlucht. Het medeplegen van een poging tot ontvoering is een zeer ernstig strafbaar feit. Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht. Het slachtoffer kampt blijkens de toelichting op de vordering benadeelde partij met psychische problematiek. Hij is enorm geschrokken. De rechtbank overweegt voorts dat de poging tot ontvoering heeft plaatsgevonden op de openbare weg, dat met zeer hoge snelheid de achtervolging is ingezet, het slachtoffer roekeloos is aangereden op de snelweg en dat er (ook nog los van het schieten) geweld is toegepast. Dit heeft gevoelens van angst en onveiligheid bij de omstanders en in de samenleving in het algemeen veroorzaakt. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan. De rechtbank vindt het ook zorgelijk dat de nog jonge verdachte een dergelijk ernstig misdrijf heeft gepleegd, enkel voor financieel gewin.
6.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
6.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
6.3.2.
Rapportages en verklaring van deskundige op de terechtzitting
GZ-psycholoog, [naam 1] ,heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 26 november 2025.
Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.
  • De verdachte heeft een ernstige normoverschrijdende gedragsstoornis en een gestagneerde persoonlijkheidsontwikkeling met narcistische trekken. Hiermee kampt de verdachte al langere periode en hiervan was ook tijdens het ten laste gelegde sprake. De verdachte redeneert doorgaans vanuit zijn eigen belang en heeft een egocentrische houding.
  • Het recidiverisico wordt matig/hoog ingeschat. De risicofactoren worden gezien in de combinatie van individuele risicofactoren met riskant gedrag, een gering probleembesef en weinig empathie en berouw zolang hij eigen gedragingen kan minimaliseren of ontkennen. Ook is zijn hang naar succes en geld op de korte termijn een risico. Een beschermende factor is zijn sociaalvaardige manier van presenteren.
  • Het advies is om een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd en bijzondere voorwaarden op te leggen. Het is in het belang van de verdachte dat hij toezicht en duidelijkheid heeft. Het is nodig dat de verdachte gesprekken voert over risico- en beschermende factoren, zodat hij leert over pro-sociaal gedrag. Dergelijke gesprekken passen in een behandeling vanuit een forensische polikliniek waarbij een delictanalyse en het opstellen van een terugvalpreventieplan aan de basis liggen. Daarnaast is het belangrijk dat hij naar school gaat en/of werk heeft.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 5 februari 2026.
Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
  • De Raad sluit zich aan bij de bevindingen van de GZ-psycholoog. Hoewel het lastig is om goed zicht te krijgen op alle risico- en beschermende factoren, wordt het algemeen recidiverisico heel hoog ingeschat en het Dynamisch Risicoprofiel (DRP) als heel laag. Dit komt allereerst doordat de verdachte inmiddels meerderjarig is. Daarnaast is de verdachte sinds kort geschorst en heeft hij een strak schorsingskader waarbij hij begrensd wordt en hij onder toezicht staat. De risicofactoren zoals zich niet aan de regels van moeder houden, 's avonds buiten chillen en sociale contacten worden daarmee ingeperkt.
  • Het advies is om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Een voorwaardelijke straf met dadelijk uitvoerbare bijzondere voorwaarden is een stok achter de deur en biedt de mogelijkheid om toezicht, begeleiding en begrenzing te behouden. Het is belangrijk dat binnen de behandeling aandacht is voor persoonlijkheidsontwikkeling en het maken van een terugvalpreventieplan. Het is verder wenselijk dat de coach van de verdachte betrokken blijft, in ieder geval tot de start van de behandeling als overbrugging, om toezicht te houden en begeleiding te bieden bij praktische zaken.
  • Het advies is om de verdachte daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. Ondanks dat de verdachte inmiddels meerderjarig is, is toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering passender dan door de volwassenreclassering. De verdachte woont namelijk nog thuis bij zijn moeder en zijn moeder is nauw betrokken bij hem.
K.C. Aangeenbrug, werkzaam bij de jeugdreclassering,sluit zich aan bij het advies van de Raad en heeft ter zitting het volgende toegelicht. De schorsingsperiode is wisselend verlopen. De verdachte hield zich tot voor kort niet aan de weekschema’s en hij ging niet naar school. Sinds de verdachte is gestart met zijn BBL-opleiding is hij beter in contact. Hij is daarnaast gestart met behandeling en de verdachte wordt begeleid door een coach. De verdachte is gemotiveerd om geld te verdienen en wil nog altijd niet over het ten laste gelegde praten. Het is daarom belangrijk dat een delictanalyse wordt gemaakt.
6.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de straffen die daarvoor doorgaans worden opgelegd, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij onvoldoende heeft nagedacht over (de gevolgen van) zijn handelen en dit ernstige feit heeft begaan voor eigen financieel gewin. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte was destijds zeventien jaar oud en is een first offender. De rechtbank wijkt ten aanzien van de duur van de jeugddetentie af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank niet bewezen acht dat de verdachte feit 1 heeft begaan of een bijdrage heeft geleverd aan het met een vuurwapen in de richting van het slachtoffer schieten zoals tenlastegelegd onder feit 2.
De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk op te leggen met de voorwaarden overeenkomstig het advies van de Raad. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde straf is gelijk aan de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zodat hij nu niet terug hoeft naar de justitiële jeugdinrichting.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

7.Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij] . De benadeelde partij vordert een bedrag van € 51.383,68 aan materiële schade en een bedrag van € 100.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijkheid en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ter terechtzitting is het deel van de vordering dat ziet op de schade aan de auto ingetrokken.
7.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen. De vordering is goed onderbouwd en het staat vast dat de schade rechtstreeks is ontstaan door de ten laste gelegde strafbare feiten. Ten aanzien van de hoogte van de vergoeding refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Het te vergoeden bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat het slachtoffer in zijn toekomstige schade, te weten het eigen risico van 2026 en de littekenbehandeling, niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard, omdat niet blijkt dat deze kosten zullen worden gemaakt. Daarnaast verzoekt de verdediging de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren voor de gevorderde kosten van de kleding en gederfde inkomsten, omdat het causaal verband met het strafbare feit ontbreekt en/of deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. Het vaststellen welk deel van de schade rechtstreeks verband houdt met de gedragingen van de verdachte levert bovendien een te grote belasting van het strafgeding op. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging verzocht om een forse matiging van het bedrag. De verdediging heeft daarbij aangevoerd dat een causaal verband tussen het letsel en de gedragingen van de verdachte ontbreekt en dat het (blijvende) letsel is onvoldoende onderbouwd.
7.3.
Beoordeling
7.3.1.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden
als gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
Ten aanzien van de beschadigde kleding van het slachtoffer merkt de rechtbank allereerst op dat de hoogte van de schade niet is onderbouwd. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van de vordering dat de benadeelde partij beoogd heeft € 500,00 te vorderen voor deze post. Nu het aannemelijk is dat zijn kleding onbruikbaar is geworden door het bewezen verklaarde feit en de verdediging de vordering op dit punt niet heeft betwist zal de rechtbank een deel van de vordering toewijzen, te weten € 250,00, en voor het overige afwijzen. De verdediging heeft de vordering ten aanzien van het eigen risico van dit jaar (€ 385,00) eveneens niet betwist. De voor die post gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig voor en de rechtbank wijst dat deel van de vordering toe.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op het toekomstige eigen risico, de behandelingen van het litteken en de gederfde inkomsten heeft de verdediging betwist. De rechtbank oordeelt dat deze schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd. Om deze posten goed te kunnen beoordelen zou de strafzaak moeten worden aangehouden om nadere onderbouwing te verkrijgen en onderzoek te doen. Dat zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft het deel van de vordering dat ziet op de schade aan de auto ter terechtzitting ingetrokken. De rechtbank hoeft daarom op dat deel van de vordering geen beslissing te nemen.
Dit betekent dat de verdachte € 635,00 als vergoeding van materiële schade aan de
benadeelde partij moet betalen.
7.3.2.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Dit deel van de vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
De rechtbank kan zich goed voorstellen dat het bewezen verklaarde strafbare feit (poging tot ontvoering) bij het slachtoffer heeft gezorgd voor veel angst en een onveilig gevoel. Uit de onderbouwing van de vordering benadeelde partij blijkt dat het slachtoffer hulp heeft gezocht. Er is een behandelplan opgesteld en het slachtoffer staat op de wachtlijst voor EMDR. Het slachtoffer is bij de ontvoering geslagen en hij heeft hierdoor pijn ondervonden. De schade waarvan vergoeding wordt gevorderd is echter niet alleen het rechtstreekse gevolg van het bewezenverklaarde. De verdachte zal immers worden vrijgesproken van feit 1 en dat deel van feit 2 dat ziet op het schieten met een vuurwapen in de richting van het slachtoffer. Daarnaast is de ernst van het letsel en de verwachting van (de mate en termijn van) herstel naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd, ook met de (kennelijk) aanvullende producties ten opzichte van de procedure tegen [medeverdachte 1] . Ook kan de rechtbank in deze het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en het knieletsel niet met voldoende zekerheid vaststellen.
De immateriële schade als gevolg van het bewezenverklaarde deel van feit 2 zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden en rekening houdend met de Rotterdamse Schaal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 7500,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Hij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 7500,00 als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
7.3.3.
Hoofdelijke veroordeling
Nu de verdachte het bewezenverklaarde strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding moet er een uitsplitsing gemaakt worden, omdat de verdachte en [medeverdachte 2] zijn veroordeeld voor de poging tot ontvoering, terwijl de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] ook zijn veroordeeld voor de poging doodslag. De verdachte is met alle drie de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk voor de eerste € 7.500,00. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het totale bedrag van € 15.000,00. Indien en voor zover (een van) de mededaders de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
7.3.4.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de
wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt
met wettelijke rente vanaf 10 juni 2025. Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte op de pleegdatum zal geen gijzeling worden toegepast.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie
groot 75 (vijfenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een
proeftijd, die wordt vastgesteld op een
2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
  • zich gedurende een door de gecertificeerde instelling de Jeugd- en Gezinsbeschermers te Haarlem (hierna ook: de jeugdreclassering) te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
  • gedurende de proeftijd volgens het (les)rooster aanwezig is bij school en/of werk;
  • zijn medewerking zal verlenen aan behandeling bij een forensische polikliniek;
  • zijn medewerking zal verlenen aan coaching vanuit Co-Fiducia of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
  • op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de mededaders:
• [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2001;
• [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2008;
• [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2007;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer:
• [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 5] 1995;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
  • dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
  • dat de veroordeelde medewerking zal verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers te Haarlem tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de veroordeelde hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij] , te betalen een bedrag van
€ 8135,00 (zegge: achtduizend honderdvijfendertig euro), bestaande uit € 635,00 aan materiële schade en € 7500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is ten aanzien van immateriële schade met alle mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor
de eerste € 7.500,00 (zegge: zevenduizendvijfhonderd)en mededaders [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het totale bedrag van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend);
bepaalt dat de veroordeelde bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de [benadeelde partij] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag (met inachtneming van voorgaande uitsplitsing van de hoofdelijkheid);
wijst de vordering van de benadeelde partij voor zover dat ziet op de beschadigde kleding
voor het overige af;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de veroordeelde in de proceskosten door de [benadeelde partij] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de veroordeelde hoofdelijk samen met zijn mededaders
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij] te betalen
€ 8135,00(hoofdsom,
zegge:
achtduizend honderdvijfendertig), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen. De verdachte is ten aanzien van de immateriële schade met alle mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor
de eerste € 7.500,00 (zegge: zevenduizendvijfhonderd). Mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn voor het totale bedrag van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend) hoofdelijk aansprakelijk;
verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij], waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd (met inachtneming van voorgaande uitsplitsing van de hoofdelijkheid).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. J.C.M. Persoon en C.C. Peterse, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. V. Lankhaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk en
al dan niet met voorbedachten rade
van het leven te beroven
(van korte afstand) met een vuurwapen meerdere, althans een, kogel(s) op en/of in
de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd/geschoten,
waardoor voornoemde [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, op/aan zijn
hoofd en/of in zijn arm, althans in/aan zijn lichaam, is geraakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
opzettelijk [slachtoffer]
wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zijn/hun gezicht(en) had(den) bedekt
met een helm en/of bivakmuts danwel gezichtsbedekkende kleding,
- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond heeft/hebben
gevolgd/achtervolgd (via GPS tracker) en/of
- de personenauto waar die [slachtoffer] zich in bevond (van achteren) heeft/hebben
aangereden en/of tot stilstand gedwongen en/of (vervolgens) naar de personenauto
van die [slachtoffer] is/zijn gelopen en/of
- de ruit van het bestuurdersportier heeft/hebben ingeslagen en/of het
bestuurdersportier heeft/hebben geopend en/of
- aan de arm(en) en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken en/of
- dreigend tegen die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen: “open, open, open” en/of
“uitstappen, meekomen, uitstappen meekomen. Vandaag ga je dood vriend.
Uitstappen, meekomen.” en/of "schiet hem, schiet hem, schiet hem gewoon",
althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- (van korte afstand) met een vuurwapen meerdere, althans een, kogel(s) op en/of in
de richting van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd/geschoten en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) (met een vuurwapen) op/tegen
het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of
gestompt en/of
- tyraps heeft/hebben meegenomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.