ECLI:NL:RBROT:2026:302

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/10/701137 / HA ZA 25-489
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van aandeel in gemeenschapsschulden en inzage in bankafschriften na echtscheiding

In deze zaak vordert de man dat zijn ex-vrouw haar aandeel in de gemeenschapsschulden moet betalen op grond van artikel 6:10 BW. Daarnaast vraagt hij inzage in haar bankafschriften op basis van artikel 843a (oud) Rv. De rechtbank wijst de gevorderde betalingen toe, maar niet de wettelijke rente. Ook beslist de rechtbank dat de vrouw haar bankafschriften moet overleggen, maar niet onder dwang. Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn inmiddels gescheiden. Tijdens hun huwelijk zijn er schulden ontstaan die de man grotendeels heeft afgelost. De rechtbank oordeelt dat de vrouw haar aandeel in de schulden moet betalen, omdat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn die van de hoofdregel afwijken. De man heeft onbetwist gesteld dat hij meer dan de helft van de gemeenschapsschulden heeft voldaan, waardoor hij een regresrecht heeft op de vrouw. De rechtbank wijst de regresvorderingen toe, maar de wettelijke rente wordt niet toegewezen omdat de man niet kan aantonen dat hij de vrouw in gebreke heeft gesteld. De vrouw moet ook haar bankafschriften ter inzage geven, maar de rechtbank legt geen dwangsom op omdat er onvoldoende bewijs is dat de vrouw onwillig is. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Handel en Haven
Zaaknummer: C/10/701137 / HA ZA 25-489
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
[naam man],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. C.E. Willemsen,
tegen
[naam vrouw],
verblijvende te [plaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat aanvankelijk mr. H. Hassan, inmiddels niet meer in rechte vertegenwoordigd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen. Inmiddels zijn zij gescheiden. Tijdens hun huwelijk zijn er schulden ontstaan, welke de man grotendeels zelfstandig heeft afgelost. In deze zaak vordert de man dat de vrouw haar aandeel in de schulden moet betalen aan de man. Daarnaast vordert hij inzage in haar bankafschriften zodat er meer informatie boven water komt over de (inmiddels ontbonden) huwelijksgemeenschap, ten behoeve van de verdeling daarvan. De rechtbank wijst de gevorderde betalingen toe, maar de daarover gevorderde wettelijke rente niet. Daarnaast beslist de rechtbank dat de vrouw ook haar bankafschriften moet overleggen aan de man, maar niet op straffe van een dwangsom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 15 oktober 2025 van deze rechtbank, met nadere vragen aan de man, en de in dat vonnis genoemde processtukken;
  • de akte na vonnis tevens vermindering eis van de man van 28 oktober 2025.
2.2.
Voor de vrouw heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld. De vrouw heeft daarom geen antwoordakte genomen.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De verdere beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1.
De man stelt onder andere dat hij regresvorderingen heeft op de vrouw met betrekking tot schulden van hun ontbonden huwelijksgemeenschap. De rechtbank dient ambtshalve te toetsen of zij bevoegd is om kennis te nemen van een zaak en welk recht daarop van toepassing is. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank partijen gelegenheid gegeven zich hierover uit te laten.
3.2.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat de vrouw niet (meer) in Nederland woont. De vorderingen, die zijn ingesteld na 29 januari 2019, betreffen de vermogensrechtelijke afwikkeling van het inmiddels ontbonden huwelijk van partijen. De zaak valt daarmee onder het toepassingsgebied van de Huwelijksvermogensverordening (Verordening (EU) 2016/1103). Omdat de vorderingen niet als nevenverzoek bij een verzoek tot echtscheiding zijn ingediend, maar als zelfstandige vorderingen in een aparte procedure, moet de rechtsmacht worden beoordeeld aan de hand van de bevoegdheidsregeling van artikel 6 van de Huwelijksvermogensverordening. Ingevolge artikel 6 sub b van de Huwelijksvermogensverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van de zaak, omdat de laatste gewone verblijfplaats tijdens het huwelijk van partijen in Nederland was en de man nog steeds in Nederland woont.
3.3.
Gelet op de datum waarop partijen in het huwelijk zijn getreden, te weten 30 april 2018, moet de vraag naar het toepasselijke recht worden beantwoord aan de hand van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van 1978 (hierna: HHV). Niet gesteld of gebleken is dat partijen na het huwelijk een rechtskeuze hebben gedaan zoals bedoeld in artikel 3 HHV. Op grond van artikel 4 aanhef HHV wordt, bij gebreke van een rechtskeuze, het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst door het interne recht van de staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. De man heeft gesteld dat partijen gedurende hun huwelijk altijd in Nederland hebben gewoond, tot 9 september 2022 (de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding). Gelet op het voorgaande is het Nederlandse recht van toepassing.
Tussen partijen gold een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen
3.4.
Het huwelijk van partijen is gesloten na 1 januari 2018. Niet gesteld of gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben opgemaakt. Dat betekent dat artikel 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zoals dat luidt sinds 1 januari 2018, van toepassing is, zodat tot de ontbinding van het huwelijk een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen tussen partijen bestond.
3.5.
Wat haar lasten betreft, omvat de gemeenschap – voor zover relevant – alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten (artikel 1:94 lid 7 BW).
Het juridisch kader omtrent de draagplicht van gemeenschapsschulden
3.6.
De rechtbank stelt voorop dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, nu een schuld geen goed is als bedoeld in artikel 3:182 BW en voor de overgang van de schulden de medewerking nodig is van de crediteur.
3.7.
Met betrekking tot gemeenschapsschulden geldt op grond van artikel 1:100 lid 1 BW als hoofdregel dat beide echtgenoten in beginsel gelijk draagplichtig zijn, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit (artikel 1:100 lid 2 BW). Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden afgeweken van de hoofdregel.
3.8.
Voor zover een van de (ex-)echtgenoten meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, kan diegene dat meerdere op grond van artikel 6:10 BW verhalen op de ander.
De vrouw moet haar aandeel in de schulden betalen aan de man
3.9.
De man stelt dat tijdens het bestaan van de huwelijksgemeenschap schulden zijn ontstaan bij de gemeente Altena, de Belastingdienst en de ING-bank, welke hij grotendeels zelfstandig heeft afgelost. De man stelt daarom regres te hebben op de vrouw voor haar aandeel in de schulden.
3.10.
De schulden behoorden op de peildatum (9 september 2022) tot de ontbonden huwelijksgemeenschap, waardoor partijen volgens de hoofdregel ieder voor de helft draagplichtig zijn voor die schulden. Er is geen sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor onverkorte toepassing van de hoofdregel (draagplicht bij helfte) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat de vrouw niet op de hoogte was van de financiële situatie van het gezin en niet in de positie verkeerde om de financiële situatie te doorgronden of beïnvloeden, leidt niet tot een ander oordeel. De vrouw heeft dat standpunt aangevoerd in haar verweerschrift, maar zij heeft dat verweer niet onderbouwd. Ook heeft zij niet gereageerd op de stelling van de man, ingenomen bij ‘akte verwijzing ex artikel 69 Rv’ dat het geld waarop de schulden betrekking hebben besteed is aan het huishouden van partijen. De man heeft onbetwist gesteld en onderbouwd dat hij meer dan de helft van de gemeenschapsschulden heeft voldaan, waardoor hij een regresrecht heeft op de vrouw. De rechtbank wijst de regresvorderingen dan ook toe. Daarbij tekent de rechtbank aan dat de man de vordering voor wat betreft de schuld aan de gemeente Altena bij zijn laatste akte heeft verminderd tot € 1.200,00.
De vrouw moet ook de wettelijke rente betalen
3.11.
De man vordert daarnaast de wettelijke rente over de gevorderde bedragen, vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift bij de familiekamer, te weten 23 juli 2024. Voor de wettelijke rente is vereist dat de schuldenaar in verzuim is (artikel 6:119 BW). Volgens artikel 6:81 BW is de schuldenaar in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van de artikelen 6:82 en 6:83 BW is voldaan, behalve voor zover de vertraging hem niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is. Volgens artikel 6:82 lid 1 BW treedt het verzuim in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, kan de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld (artikel 6:82 lid 2 BW).
3.12.
Een regresvordering van een hoofdelijk schuldenaar ingevolge artikel 6:10 BW ontstaat en is opeisbaar op het moment dat een hoofdelijk verbonden schuldenaar de schuld voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat (vgl. Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784). In zoverre zijn de vorderingen van de man opeisbaar. De man heeft echter niet gesteld dat hij een schriftelijke aanmaning heeft gestuurd aan de vrouw, waarbij haar een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en nakoming binnen die termijn is uitgebleven. Er is ook geen sprake van een situatie zoals omschreven in artikel 6:82 lid 2 BW. De vrouw had dus een redelijke termijn moeten krijgen. Uit het inleidende verzoekschrift volgt echter dat de man aanspraak maakte op betaling door de vrouw van haar aandeel in de gemeenschapsschulden. Dat verzoekschrift kan daarom worden beschouwd als ingebrekestelling. Om die reden wijst de rechtbank de wettelijke rente toe vanaf vier weken na indiening van het verzoekschrift.
De vrouw moet inzage geven in haar bankafschriften
3.13.
De man vordert dat de vrouw inzage geeft in haar bankafschriften op de peildatum, ten behoeve van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en op straffe van een dwangsom. Wat de vrouw op haar rekening had staan op dat moment is namelijk onbekend voor de man. Hoewel de man vordert dat de bankafschriften in het geding worden gebracht, begrijpt de rechtbank dat hij daarmee bedoelt dat de bankafschriften aan hem ter inzage worden verstrekt. De bankafschriften kunnen niet in dit geding worden gebracht, omdat de onderhavige procedure eindigt met dit eindvonnis.
3.14.
Omdat deze procedure bij de rechtbank is begonnen vóór 1 januari 2025, moet de inzagevordering van de man worden beoordeeld op basis van artikel 843a Rv (oud). Op grond van die bepaling gelden de volgende voorwaarden. Degene die bescheiden van een ander verlangt moet a) partij zijn bij een rechtsbetrekking en b) de verlangde bescheiden moeten voldoende bepaald zijn. Verder moet c) een partij een rechtmatig belang hebben bij haar inzageverzoek en moet d) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde bescheiden beschikken. Indien aan de voornoemde cumulatieve voorwaarden is voldaan, is de degene die over de bescheiden beschikt alsnog niet gehouden om te voldoen aan de vordering tot inzage, als gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
3.15.
Het inzageverzoek van de man voldoet aan de vereisten van artikel 843a Rv (oud). De vrouw heeft de inzagevordering onvoldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank wijst het inzageverzoek dan ook toe.
3.16.
Wat betreft de gevorderde dwangsom heeft de man onvoldoende concreet gemaakt dat de vrouw onwillig is om gegevens in het kader van de verdeling te verstrekken. Het blijkt ook niet dat de man daar eerder naar heeft gevraagd. Het opleggen van een dwangsom in een geval als dit zal vermoedelijk leiden tot een escalatie, die de verdeling verder bemoeilijkt. Om die reden legt de rechtbank geen dwangsom op.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.17.
Vanwege de voormalige affectieve relatie tussen partijen, worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 3.335,14, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 20 augustus 2024 tot aan de dag van voldoening;
4.2.
veroordeelt de vrouw om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis afschriften te verstrekken aan de man van haar bankafschriften per 9 september 2022,
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.
3961/1980